Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AI0334

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-07-2003
Datum publicatie
24-07-2003
Zaaknummer
81211 / HA ZA 03-121
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

- Onteigening ingevolge titel II C OW.

- Beoordeling noodzaak onteigening.

- Zelfrealisatie.

- Onderhandelen ter minnelijke verkrijging.

- Onzorgvuldig KB?

- Strijd met Europese regelgeving terzake aanbesteding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis : 23 juli 2003

Rolnummer : 81211 / HA ZA 03-121

De rechtbank te Maastricht, sector civiel, meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

DE PROVINCIE LIMBURG,

gevestigd te Maastricht,

eiseres,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen;

tegen:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BERGERODE B.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Echt,

verweerster,

procureur mr. Ph. Brandts;

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen: "de Provincie", heeft gedaagde, hierna te noemen: "Bergerode", gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld.

De Provincie heeft op 4 februari 2003 stukken ter griffie gedeponeerd, waarvan een akte onder nummer 12022003/81211/D is opgemaakt.

Bergerode heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

De Provincie heeft vervolgens pleidooi verzocht en partijen hebben daarop de zaak doen bepleiten. Van deze zitting is een audiëntieblad opgemaakt.

Tenslotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Vordering en verweer

2.1

De Provincie vordert op de gronden als in de dagvaarding vermeld dat het de rechtbank behage bij vonnis:

I. vervroegd uit te spreken de onteigening ten name van de Provincie Limburg en ten algemenen nutte van het perceel tuinland, kadastraal bekend gemeente Maastricht, [Sectie X. ], nummer [YYYY], groot 0.30.80 ha., en een gedeelte groot 1.66.95 ha. van het perceel bouwland, kadastraal bekend gemeente Maastricht, [Sectie X. ], nummer [ZZZZ], in totaal groot 1.91.95 ha;

II. het bedrag van de schadeloosstelling te bepalen;

2.2

De vordering wordt door Bergerode weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord en het audiëntieblad van het op 20 mei 2003 gehouden pleidooi.

3. Beoordeling

3.1

De bezwaren van Bergerode richten zich op:

A. het ontbreken van een besluit tot vaststelling van een winplaats in een streekplan;

B. de noodzaak van de gevorderde onteigening;

C. het niet serieus proberen door de Provincie om de te onteigenen percelen minnelijk te verkrijgen;

D. het op onzorgvuldige wijze tot stand komen van het Koninklijk Besluit;

E. strijd met Europese regelgeving;

F. de hoogte van de door de Provincie aan Bergerode aangeboden schadevergoeding.

3.2 Ten aanzien van A:

3.2.1

Bergerode stelt dat naast de in artikel 72c, lid 1 aanhef en onder b., van de Onteigeningswet genoemde vergunning tot ontgronding er tevens een planologische grondslag voor de onteigening dient te bestaan, te weten het in lid 1 aanhef en onder a. van voormeld artikel ge-noemde onherroepelijk geworden besluit tot vaststelling van een winplaats in een streekplan. Bergerode stelt dat in casu een besluit tot vaststelling van de onderhavige winplaats in een streekplan ontbreekt.

3.2.2

Dit verweer berust op een verkeerde lezing van artikel 72c, lid 1, van de Onteigeningswet: in de wettekst noch in de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van (de wijziging van) artikel 72c, lid 1, van de Onteigeningswet (genoemd artikellid is gewijzigd bij wet van 20 juni 1996, Stbl. 41 tot wijziging van de Ontgrondingenwet en andere wetten, in werking getreden op 1 januari 1997) valt enige steun te vinden voor de stelling dat sprake zou zijn van cumulatie ter zake het in artikel 72c, lid 1, Onteigeningswet onder a. en b. gestelde. Naar het oordeel van de rechtbank dient artikel 72c, lid 1, van de Onteigeningswet aldus gelezen te worden dat sprake moet zijn van het onder a. of het onder b. vermelde.

3.3 Ten aanzien van B;

3.3.1

Bergerode stelt dat ook bij een onteigening ex titel IIC van de Onteigeningswet de noodzaak tot onteigening moet worden aangetoond.

Bergerode heeft daartoe aangevoerd dat zij het werk waarvoor wordt onteigend zelf had kunnen uitvoeren.

Zij heeft voorts gesteld dat de overweging van de Kroon dat de houder van de vergunning tot ontgronding een substantieel deel van de gronden in eigendom had niet juist is.

3.3.2

Gelet op NJ 2000/418 heeft de onteigeningsrechter slechts de vraag te beantwoorden of de onteigende partij bij het nemen van het onteigeningsbesluit danwel de Kroon bij de goedkeuring daarvan in redelijkheid tot haar oordeel heeft kunnen komen. Er is derhalve sprake van marginale toetsing. Een zelfstandige beantwoording van die vraag naar het tijdstip van de uitspraak van de rechter zou in strijd zijn met de in de onteigeningswet aan de burgerlijke rechter opgedragen taak. Tot die taak behoort niet de beoordeling van de vraag naar het algemene nut van het voorgenomen werk en de omvang daarvan en naar de noodzaak om tot onteigening over te gaan, noch de afweging van de bij dit een en ander betrokken belangen; de beoordeling van die vragen is overgelaten aan het bestuur.

3.3.3

Voor een zelfstandige beoordeling door de onteigeningsrechter van de noodzaak tot onteigening naar het tijdstip van de uitspraak is slechts dan plaats indien hetgeen de gedaagde daaromtrent aanvoert, meebrengt dat de onteigening in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij in strijd is met het recht omdat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt, of omdat ten gevolge van gewijzigde inzichten met betrekking tot de uitvoering van een aan de onteigening ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering daarvan.

Dat geval doet zich hier echter niet voor.

3.3.4

Ten aanzien van de mogelijke zelfrealisatie is de rechtbank met de Kroon van oordeel dat exploitatie van deze relatief kleinschalige ontgronding door meerdere partijen om technische en organisatorische redenen niet goed mogelijk is.

Bovendien wijst de rechtbank er op dat zelfrealisatie door Bergerode alleen daarom al niet mogelijk was omdat zij niet beschikte over de daarvoor noodzakelijk ontgrondingsvergunning. Dat Bergerode om haar moverende reden - wat daar verder ook van zij - heeft afge-zien van het aanvragen van een dergelijke vergunning dient naar het oordeel van de rechtbank voor haar rekening te blijven.

3.3.5

Nu Bergerode niet beschikte over de - noodzakelijke - ontgrondingsvergunning kan naar het oordeel van de rechtbank verder in het midden blijven of en in hoeverre het door de Kroon overwogene omtrent de eigendomsverhoudingen al dan niet juist was.

3.4 Ten aanzien van C:

3.4.1

Bergerode stelt dat nooit serieus onderhandeld is door de Provincie: de onderhandelingen werden gevoerd door De Maasoever B.V. c.q. de Panheelgroep. Gelet op de jurisprudentie omtrent artikel 17 Onteigeningswet dienen de onderhandelingen plaats te vinden tussen het definitief besluit over de onteigening en het moment van dagvaarden, waarbij er sprake moet zijn van serieuze onderhandelingen.

3.4.2

Uit de door de Provincie overgelegde stukken is de rechtbank gebleken dat zowel voor als na het K.B. van 8 maart 2002 onderhandelingen hebben plaatsgevonden tussen partijen en door de Provincie een aanbod is gedaan: de rechtbank wijst op het gespreksverslag van 22 februari 2002 en het besprekingsverslag van 13 december 2002 waaruit blijkt van onderhandelingen waarbij vertegenwoordigers van de Provincie aanwezig waren. Dat daarbij (mede) het woord werd gevoerd door vertegenwoordigers van de Panheelgroep doet daaraan niet af.

3.4.3

Bij de beantwoording van de vraag of aan het voorschrift van artikel 17 van de Onteigeningswet is voldaan heeft de rechtbank - gelet op NJ 1999/24 - mede acht geslagen op hetgeen zich voorafgaand aan het definitief worden van het onteigeningsbesluit met betrekking tot de verkrijging in der minne tussen partijen heeft afgespeeld en op het daaruit blijkende standpunt van Bergerode.

Uit de overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat voldaan is aan het vereiste tot onderhandelen als bedoeld in artikel 17 Onteigeningswet, en dat de provincie in voldoende mate heeft getracht de te onteigenen percelen in der minne te verkrijgen, maar dat tussen partijen daarover geen overeenstemming te bereiken viel. De rechtbank wijst o.a. op de passages: "Nader overleg lijkt dan ook vooralsnog geen zin te hebben" (aan het einde van het gespreksverslag van 22 februari 2002) en "Partijen gaan uit elkaar met de afspraak, dat door de Provincie/de Panheelgroep nog nadere informatie over de exploitatie-opzet zal worden verschaft. Wanneer dat niet leidt tot een bijstelling van het aanbod, zal de onteigeningsrechter zich moeten uitspreken" (aan het einde van het besprekingsverslag van 13 december 2002).

3.5 Ten aanzien van D:

3.5.1

Bergerode stelt dat uit het K.B. niet blijkt dat de Kroon kennis heeft gekregen van de stukken die - zoals op de hoorzitting van 20 december 2001 afgesproken - na die hoorzitting zouden worden toegezonden, nu die stukken Bergerode pas op 18 juli 2002 zijn toegezonden terwijl het K.B,. dateert van 8 mei 2002.

Bergerode is voorts van oordeel dat de Kroon had moeten concluderen dat zij niet de gelegenheid heeft gehad om op de aanvullende informatie van de Provincie te reageren.

3.5.2

Bij de door de Provincie nog over te leggen stukken ging het om het taxatierapport en het goedgekeurde werkplan. Bij het op 20 mei jl. gehouden pleidooi heeft Bergerode erkend dat zij het taxatieplan kende. Tijdens voornoemd pleidooi heeft de Provincie onweersproken gesteld dat de beide stukken (taxatieplan en werkplan) al veel eerder (voor het K.B.) aan de hoorder (Rijkswaterstaat) waren toegezonden. Bij het werkplan gaat het naar de rechtbank begrijpt om een stuk waarin staat vermeld waar de eerste werkzaamheden van start zijn gegaan en wanneer, een en ander in verband met de geldigheidsduur van de vergunning, welke gerekend wordt vanaf de aanvang van de werkzaamheden.

Uit het feit dat in het K.B. (derde kolom, derde alinea: "Met betrekking tot deze zienswijze…") over dit werkplan wordt gesproken leidt de rechtbank af dat de Kroon derhalve - alvorens haar beslissing te nemen - kennis had genomen van dat werkplan. Hoewel het K.B. zulks niet expli-ciet vermeldt valt aan te nemen dat de Kroon ook van het taxatierapport kennis had kunnen nemen.

3.5.3

Uit het vorenstaande blijkt dat de Kroon - alvorens haar beslissing te geven - wel degelijk had kennis genomen van de onderhavige stukken. Bergerode heeft in haar conclusie van antwoord noch in haar pleitnota aangegeven waarom de Kroon geen beslissing had mogen geven zonder Bergerode in de gelegenheid te stellen te reageren op het - haar bekende - taxatierapport en het werkplan. Ten pleidooi had Bergerode desgewenst alsnog kunnen aanvoeren wat zij omtrent het taxatierapport en het werkplan hadden willen opmerken, maar ook dat heeft Bergerode nagelaten.

De rechtbank merkt nog op dat het - gelet op hetgeen door de Provincie onbetwist is gesteld omtrent de inhoud van het werkplan - naar het oordeel van de rechtbank daarbij ook niet ging om een stuk van werkelijke relevantie.

3.5.4

Bergerode heeft voorts op dit punt nog aangevoerd dat de Kroon bij het nemen van haar besluit is uitgegaan van onjuiste eigendomsverhoudingen.

Zoals hiervoor onder 3.3.5 reeds overwogen kan dit punt echter - gelet op het ontbreken bij Bergerode van een (noodzakelijke) ontgrondingsvergunning - verder in het midden blijven.

3.5.5

Bergerode heeft voorts nog aangevoerd dat de onderhavige onteigening geschiedt ten faveure van de ene marktpartij (de Maasoever B.V.) en ten nadele van de andere marktpartij (Bergerode).

Nu de rechtbank - gelet op NJ 2000/418 - alleen acht dient te slaan op argumenten die tijdig in de administratieve procedure voorafgaand aan het onteigeningsgeding naar voren zijn gebracht en Bergerode dit punt niet ten tijde van de behandeling ex artikel 72c, lid 4, juncto 63, lid 4, van de Onteigeningswet naar voren heeft gebracht, zal de rechtbank aan dit bezwaar voorbijgaan.

De rechtbank merkt overigens - ten overvloede - op dat naar haar oordeel in casu in het geheel geen sprake is van de ene marktpartij tegenover de andere: nu Bergerode niet beschikt over de noodzakelijke ontgrondingsvergunning kan zij immers in casu niet als "marktpartij" worden beschouwd.

3.6 Ten aanzien van E:

3.6.1

Bergerode stelt dat in de omstandigheden van het onderhavige geval de ontgronding de facto moet worden aangemerkt als een overheidsopdracht van de Provincie voor de uitvoering van het werk tot winning van delfstoffen en dat het werk dient te worden aangemerkt als publieke voorziening. Naar het oordeel van Bergerode is een dergelijk werk aanbestedigsplichtig, gelet op het bepaalde in de Europese Richtlijn 93/37/EEG van de Raad van Europa van 14 juni 1993.

3.6.2

Nog daargelaten of in casu wel sprake is van een aanbestedingsplichtig werk als bedoeld in voornoemde Richtlijn (nu in die Richtlijn een overheidsopdracht is gedefinieerd als "een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel tussen de aanbestedende dienst en een aannemer") gaat het hier om een project waarvan de kosten niet uitkomen boven het "drempelbedrag" van € 6.242.028,-- als genoemd in die Richtlijn. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de onderhavige ontgronding geen deel uitmaakt van een ander eerder en groter project (het project WRC Eijsden). Partijen zijn het er -naar de rechtbank begrijpt - ook over eens dat de kosten van het onderhavige (kleine) project "Pietersplas" ruim onder genoemd bedrag blijven.

Tenslotte merkt de rechtbank nog op dat Bergerode bij dit verweer ook verder geen belang heeft nu zij - door het reeds enkele malen gememoreerde ontbreken van de benodigde ontgrondingsvergunning - immers niet had kunnen inschrijven indien er van inschrijving sprake zou zijn geweest.

3.7 Ten aanzien van F:

3.7.1

Bergerode heeft - geheel subsidiair - nog gesteld dat de namens de Provincie aan haar aangeboden schadeloosstelling ongenoegzaam is.

3.7.2

De rechtbank is van oordeel dat - wat er verder ook zij van dit bezwaar - het hier gaat om een bezwaar van financiële aard dat aan de toewijzing van de vordering tot vervroegde onteigening niet in de weg kan staan. De rechtbank wijst er op dat dit aspect aan de orde dient te komen in de fase van het vaststellen van de hoogte van de schadeloosstelling, en dat in die fase voor Bergerode nog alle gelegenheid bestaat aan deskundigen en de rechtbank haar (eventuele) bezwaren op dit punt kenbaar te maken.

3.8

Nu geen van de verweren doel treft zal de rechtbank de vervroegde onteigening van de in de dagvaarding omschreven percelen: tuinland, kadastraal bekend gemeente Maastricht, [Sectie X. ], nummer [YYYY], groot 0.30.80 ha., en een gedeelte groot 1.66.95 ha. van het perceel bouwland, kadastraal bekend gemeente Maastricht, [Sectie X. ], nummer [ZZZZ], in totaal groot 1.91.95 ha., uitspreken.

3.9

Nu de Provincie bij dagvaarding zelf heeft verzocht het bedrag van het voorschot op de schadeloosstelling voor Bergerode te bepalen op 100 % van de door de Provincie aangeboden schadeloosstelling ad € 141.781,-- zal de rechtbank aldus bepalen.

3.10

Op grond van het bepaalde in de wet zal de rechtbank deskundigen benoemen om de schadeloosstelling voor Bergerode te begroten, alsmede een van haar leden benoemen om, vergezeld van de griffier, bij de opneming door deskundigen aanwezig te zijn en voorts zal zij nieuwsbladen aanwijzen voor de vereiste publicaties.

4. Uitspraak

De rechtbank:

spreekt uit ten laste van Bergerode de vervroegde onteigening ten name van en ten behoeve van de Provincie Limburg van het perceel tuinland, kadastraal bekend gemeente Maastricht, [Sectie X. ], nummer [YYYY], groot 0.30.80 ha., en een gedeelte groot 1.66.95 ha. van het perceel bouwland, kadastraal bekend gemeente Maastricht, [Sectie X. ], nummer [ZZZZ], in totaal groot 1.91.95 ha., zoals nader aangeduid in het in de dagvaarding bedoelde onteigeningsplan en de daarbij behorende grondtekening;

bepaalt voor Bergerode als voorschot op de vast te stellen schadeloosstelling een bedrag van € 141.781,--;

benoemt tot deskundigen om de schadeloosstelling voor Bergerode te begroten:

- mr. P.P.M.I. Paulussen, Sint Pieterskade 26, 6212 AD te Maastricht;

- ing. Th. van Sambeek, Dr. Nolenslaan 157, 6136 GM te Sittard;

- dhr. J.W. Offermans, Wissengrachtweg 75, 6336 TH Hulsberg;

benoemt mr. H.J. Laumen, lid van deze rechtbank om, vergezeld van de griffier, als rechter-commissaris bij de opneming door deskundigen, op een nog in overleg met partijen en deskundigen te bepalen datum en tijdstip, aanwezig te zijn;

wijst aan als nieuwsbladen waarin de aankondiging van deze vervroegde onteigening en van tijd en plaats van de opneming door de deskundigen van de ligging en de gesteldheid van de onteigende goederen door de griffier moet geschieden:

Dagblad De Limburger en Het Limburgs Dagblad, beiden in de editie verschijnende in de gemeente Maastricht;

verwijst de zaak naar de rol van 6 augustus 2003 om partijen de gelegenheid te geven hun verhinderdata voor de opneming door deskundigen in de eerste drie maanden vanaf de datum van opgave op te geven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Laumen, rechter, mrs. A.M. Adelmeijer en J.J.Ph. Berg-mans, vice-presidenten, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

PZ