Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AH8862

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
AWB 03/685 WET VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Beoordeeld dient te worden of verweerder terecht heeft besloten om de horeca-inrichting van verzoeker voor de duur van 6 maanden te sluiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 03 / 685 WET VV

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser] te Hoensbroek, verzoeker,

en

de Burgemeester van de Gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 7 mei 2003.

Kenmerk: 01.22/4722.

Behandeling ter zitting: 23 juni 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE PROCEDURE

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 7 mei 2003 heeft verweerder op grond van het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet de door verzoeker geëxploiteerde [inrichting a], gelegen aan de [B-straat] te Hoensbroek, met ingang van 7 mei voor een periode van zes maanden gesloten.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij schrijven van 19 mei 2003 een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doen indienen bij verweerder.

Eveneens bij schrijven van 19 mei 2003 heeft de gemachtigde van verzoeker zich gewend tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb te treffen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn aan de gemachtigde van verzoeker gezonden. De inhoud van de stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 23 juni 2003, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. H.P. Ruysink, advocaat te Maastricht.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer J.L.P. Heijboer en mw. mr. N. Lucassen, ambtenaren der gemeente.

II. OVERWEGINGEN

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De voorzieningenrechter ziet geen beletselen verzoeker in zijn verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Gelet op de omstandigheid dat de bij het bestreden besluit bevolen sluiting van de door verzoeker geëxploiteerde inrichting op het adres [B-straat] te Hoensbroek inmiddels is geëffectueerd, acht de voorzieningenrechter voorts ook de onverwijlde spoed in genoegzame mate aangetoond.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoeker een spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat hij zonder enig nadeel een beslissing op bezwaar kan afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit in een eventuele hoofdzaak zal kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Met de middelen genoemd in artikel 2 van de Opiumwet worden harddrugs bedoeld, terwijl de in artikel 3 van die wet genoemde middelen softdrugs betreffen.

Gebruik makend van de in artikel 13b van de Opiumwet gegeven bevoegdheid heeft verweerder bij het thans bestreden besluit de horeca-inrichting van verzoeker voor de duur van zes maanden gesloten. Verweerder heeft daartoe onder meer het volgende overwogen:

Dat [inrichting a] één van de vijf toegestane coffeeshops was waar de verkoop van softdrugs niet werd verhinderd;

Dat hiertoe in de horeca-exploitatievergunning van deze vijf coffeeshops geen voorschrift is opgenomen dat de verkoop van softdrugs verbiedt, dit in tegenstelling tot alle overige horeca-inrichtingen in Heerlen;

Dat bij besluit van 12 maart jl. de horeca-exploitatievergunning van de [eiser] voor [inrichting a] op grond van het bepaalde in artikel 3.2.2.5 lid 1 sub d van de APV met ingang van 27 maart 2003 is ingetrokken;

Dat met de intrekking van de vergunning per 27 maart ook de status van 'coffeeshop waar de verkoop van softdrugs niet wordt verhinderd' kwam te vervallen;

Dat derhalve vanaf 27 maart geen softdrugs meer in de inrichting mogen worden verkocht dan wel dat softdrugs niet meer voor de verkoop bestemd in de inrichting aanwezig mogen zijn;

Dat na een politiecontrole op 14 april jl. bleek dat in [inrichting a] werden verkocht;

Dat ik [verweerder] naar aanleiding van deze feiten de [eiser] op 15 april schriftelijk gewaarschuwd heb om met onmiddellijke ingang een einde te maken aan de verkoop van softdrugs en het voor de verkoop aanwezig hebben van deze softdrugs;

Dat in diezelfde brief tevens is medegedeeld dat indien aan de waarschuwig geen gehoor zou worden gegeven, ik [verweerder] terstond de procedure in gang zou zetten om op grond van mijn [verweerders] bevoegdheid van artikel 13b Opiumwet de inrichting te sluiten;

Dat echter uit politierapporten van 26 april bleek dat opnieuw sprake is geweest van verkoop van verdovende middelen en het voor de verkoop aanwezig hebben van deze middelen in [inrichting a];

Verzoeker heeft zich met dit besluit niet kunnen verenigen en heeft hiertegen op 19 mei 2003 een bezwaarschrift doen indienen bij verweerder, alsook de voorzieningenrechter van deze rechtbank doen verzoeken ter zake een voorlopige voorziening te treffen. Van de zijde van verzoeker is tegen het bestreden besluit - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat beoordeeld dient te worden of verweerder op grond van de Opiumwet en op grond van de handhaving van de openbare orde moet overgaan tot sluiting van de coffeeshop. Verzoeker is van mening dat sluiting achterwege dient te blijven aangezien de coffeeshop geen gevaar voor de openbare orde oplevert, nu dit kennelijk voor intrekking van de horeca-exploitatievergunning niet het geval was. Verzoeker heeft voorts aangevoerd dat verweerder een belangenafweging dient te maken.

De voorzieningenrechter merkt op dat bij de toepassing van de bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet niet is vereist dat sprake is van overlast en/of verstoring van de openbare orde als gevolg van de in dit artikel genoemde handelingen. De burgemeester is op grond van het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in artikel 2 of 3 wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

Voor de uitoefening van de bestuursdwangbevoegdheid ex artikel 13b van de Opiumwet is door verweerder beleid vastgesteld dat is neergelegd in de nota "Softdrugsbeleid gemeente Heerlen"en de nota "Handhavingsbeleid soft- en harddrugs". Het beleid is bekend gemaakt in "De Uitkijk"van 30 oktober 2002. Verzoeker moet geacht worden met dit beleid bekend te zijn.

De rechterlijke toetsing van het bestreden besluit dient in het licht van de vergaande bevoegdheden die in artikel 13b van de Opiumwet aan verweerder zijn toegekend een uiterst terughoudende te zijn: ruimte voor rechterlijk ingrijpen op dit punt is slechts dan aanwezig indien het beleid als kennelijk onredelijk moet worden bestempeld of indien er sprake is van willekeur in die beleidsbepaling. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hiervan in het onderhavige geval geen sprake. Niet kan worden gesteld dat het beleid van verweerder kennelijk onredelijk of willekeurig is.

Het beleid van verweerder bepaalt ten aanzien van voor het publiek toegankelijke lokalen, anders dan coffeeshops met een horeca-exploitatievergunning:

Indien er sprake is van verkoop etc. van softdrugs wordt bij de eerste constatering volstaan met een waarschuwing dat de verkoop etc. van softdrugs onmiddellijk dient te worden gestaakt. Indien ondanks de waarschuwing daarna opnieuw wordt geconstateerd dat er sprake is van verkoop etc. van softdrugs dan wordt het lokaal gesloten voor de duur van zes maanden op grond van artikel 13b Opiumwet.

Niet in geschil is dat het hier een voor het publiek toegankelijk lokaal betreft. De verkoop van soft-drugs is van de zijde van verzoeker niet betwist en blijkens de stukken - met name de door de politie opgemaakte processen-verbaal - zelfs uitdrukkelijk erkend.

De door verzoeker geëxploiteerde horeca-inrichting '[inrichting a]' behoorde tot voor kort tot de vijf coffeeshops (met horeca-exploitatievergunning) in Heerlen waar de verkoop van softdrugs niet werd verhinderd. Daartoe was aan de horeca-exploitatievergunning van deze coffeeshops - in tegenstelling tot de horeca-exploitievergunning van alle overige horeca-inrichtingen in Heerlen - geen voorschrift verbonden dat de verkoop van softdrugs verbiedt.

De horeca-exploitatievergunning van verzoeker is met ingang van 27 maart 2003 ingetrokken. Met ingang van laatstgenoemde datum mag verzoeker geen eetwaren en/of alcoholvrije dranken meer verstrekken terwijl voorts geen softdrugs meer verkocht mogen worden.

Op grond van het voorgaande stelt de voorzieningenrechter vast dat in het pand aan de [B-straat] te Hoensbroek softdrugs zijn verkocht, terwijl dit sinds de intrekking van de horeca-exploitatievergunning niet meer was toegestaan, zodat verweerder in beginsel bevoegd is ingevolge artikel 13b van de Opiumwet tot sluiting over te gaan.

Gelet op het voorgaande resteert de vraag of verweerder is nagegaan of in het onderhavige geval sprake is van bijzondere omstandigheden die aan toepassing van bestuursdwang in de weg zouden staan en of verweerder een voldoende belangenafweging heeft gemaakt.

Dienaangaande stelt de voorzieningenrechter voorop dat de handel in softdrugs in strijd is met de Opiumwet en dat het voor verzoeker duidelijk moet zijn geweest dat de verkoop van softdrugs - na intrekking van de horeca-exploitaitevergunning (zonder voorschrift dat de verkoop van softdrugs verbood) - niet getolereerd zou worden. Verzoeker wist, dan wel had kunnen weten dat er handhavingsmaatregelen getroffen zouden kunnen worden bij voortdurende overtreding van het verbod om softdrugs te verkopen.

Tenslotte dient beoordeeld te worden of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot toepassing van bestuursdwang. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag bevestigend nu verzoeker heeft geweten althans had kunnen weten dat de verkoop van softdrugs na intrekking van de horeca-exploitatievergunning niet langer legaal was.

Doordat verzoeker de verkoop van softdrugs zonder vergunning heeft voortgezet heeft hij daarmee zelf de sluiting van de inrichting bewerkstelligd waardoor thans - in ieder geval tot 7 november 2003 - tevens is uitgesloten dat een andere persoon met de benodigde vergunning op die locatie een coffeeshop kan exploiteren.

Van de zijde van verzoeker is aangevoerd dat sprake is van détournement de pouvoir nu verweerder zijn bevoegdheid op grond van artikel 13b van de Opiumwet aanwendt om een doelstelling van het softdrugsbeleid - het aantal coffeeshops op de [B-straat] terug te brengen tot nul - te realiseren. Zoals hiervoor overwogen, was verweerder bevoegd tot sluiting op grond van artikel 13b van de Opiumwet over te gaan. Dat verzoeker daarbij door zijn handelwijze - op grond waarvan eerst zijn vergunning is ingetrokken, en thans tot sluiting van de inrichting is overgegaan - verweerder mogelijk in de kaart heeft gespeeld voor wat betreft het in de toekomst realiseren van een van de doelstellingen van het softdrugsbeleid, doet hier niet aan af.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet kan worden gesteld dat verweerder bij de totstandkoming van het bestreden besluit heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 3:4 van de Awb. Daar ook overigens niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat het bestreden besluit in de (eventuele) hoofdzaak voor vernietiging in aanmerking zou dienen te komen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het vooralsnog onwaarschijnlijk is te achten dat het besluit in de (eventuele) hoofdzaak de rechterlijke toets niet zal kunnen doorstaan. Derhalve is er, gegeven de belangen van partijen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening; het daartoe strekkende verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

Mitsdien wordt, mede gelet op artikel 8:84 van de Awb, beslist als volgt.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. A.G.M. Jansberg in tegenwoordigheid van mr. E.B.A. Ferwerda

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2003

door mr. Jansberg voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. Ferwerda w.g. A.G.M. Jansberg

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 25 jun. 03

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.