Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AH8814

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
83985 / KG ZA 03-179
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot verwijdering erfafscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE MAASTRICHT, SECTOR CIVIEL

Zaaknummer : 83985 / KG ZA 03-179

Datum uitspraak: 25 juni 2003

VONNIS IN HET KORT GEDING VAN:

1. [De heer S. ],

en,

2. [Mevrouw S. ],

beide wonende te Maastricht,

eisers in conventie bij exploot van dagvaarding in kort geding van 23 mei 2003,

gedaagden in reconventie,

procureur: mr. J.J.M. Goumans,

tegen:

[De heer B. ],

wonende te Maastricht,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat: mr. K.P. Meegdes.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Eisers in conventie, gedaagden in reconventie ([Partij S. c.s. ]) hebben gedaagde in conventie, eiser in reconventie ([Partij B. ]) gedagvaard in kort geding. Ten dienende dage, 11 juni 2003, hebben zij gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de inleidende dagvaarding. Vervolgens hebben zij hun vordering aan de hand van een pleitnota nader doen toelichten, onder verwijzing naar op voorhand overgelegde producties.

1.2 [Partij B. ] heeft hiertegen verweer gevoerd. Vervolgens heeft hij een eis in reconventie ingesteld.

1.3 [S. c.s. ] hebben tegen de reconventionele vordering verweer gevoerd.

1.4 Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

1.5 Tenslotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

In conventie en in reconventie

2.1 [S. c.s. ] zijn eigenaar van het woonhuis met tuin te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie A nummer [XXXX], groot 16 are en 20 centiare, plaatselijk bekend [adres]. In oktober 2001 hebben zij een huiswei, gelegen naast en deels achter hun eigen woning gekocht.

[Partij B. ] is eigenaar van de daaraan grenzende percelen kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie A nummer [YYYY] en [ZZZZ].

2.2 Een landmeter van het kadaster heeft op verzoek van [S. c.s. ] de kadastrale grens in het terrein gereconstrueerd. Bij deze reconstructie op 18 oktober 2002 waren zowel [S. c.s. ] als [Partij B. ] aanwezig en geen van de aanwezige partijen heeft bezwaar gemaakt tegen de aangewezen grenspunten.

2.3 [S. c.s. ] willen een hekwerk laten aanbrengen op hun terrein binnen de aangewezen perceelgrens en hebben daarvoor de medewerking van [Partij B. ] nodig. Zij stellen hiertoe dat de zijgrens (lange zijde) van hun perceel een raster kruist tussen twee percelen. [Partij B. ] claimt de eigendom van die afrastering en [S. c.s. ] stellen dat [Partij B. ] deze afrastering, voor zover op hun perceel gelegen, moet verwijderen.

2.4 [S. c.s. ] hebben laatstelijk bij schrijven van 31 maart 2003 [Partij B. ] gevraagd medewerking te verlenen bij het plaatsen van het hekwerk. Hieraan heeft [Partij B. ] geen gehoor gegeven.

2.5 [S. c.s. ] stellen dat [Partij B. ] door niet mee te werken onrechtmatig jegens hen handelt omdat hij inbreuk maakt op de eigendomsrechten van [S. c.s. ], en hebben daarom in dit kort geding gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

a. [Partij B. ] te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis de door hem geplaatste erfafscheiding (hekwerk en palen) op het volgens de kadastrale grensaanwijzing van 18 oktober 2002 aan [S. c.s. ] in eigendom toebehorende perceel te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [Partij B. ] nalatig blijft aan deze veroordeling te voldoen, en;

b. [Partij B. ] te veroordelen om de op de aan [Partij B. ] in eigendom toebehorende percelen kadastraal bekend, gemeente [woonplaats], sectie A nummers [ZZZZ] en [YYYY] aanwezige dieren vanaf de verwijdering van de erfafscheiding als bedoeld onder sub a op te hokken dan wel elders onder te brengen totdat [S. c.s. ] een nieuwe erfafscheiding c.q. een nieuw hekwerk zullen hebben doen plaatsen op de grenzen van hun percelen echter niet langer dan gedurende twee weken vanaf de verwijdering van de erfafscheiding waartoe [Partij B. ] is veroordeeld, zulks op straffe van een dwangsom van € 200,-- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [Partij B. ] nalatig blijft om aan deze veroordeling te voldoen;

Subsidiair:

c. [Partij B. ] te veroordelen om te gehengen en te gedogen dat [S. c.s. ] de op hun perceel aanwezige erfscheidingsmaterialen verwijderen en op de door het kadaster op 18 oktober 2002 aangewezen grenslijnen van hun percelen een nieuwe erfscheiding plaatsen en dat [S. c.s. ] de op de aangrenzende aan [Partij B. ] in eigendom toebehorende percelen aanwezige dieren ophokken c.q. vastzetten totdat op de grenzen van het perceel van [S. c.s. ] een nieuw hekwerk zal zijn geplaatst, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- indien [Partij B. ] niet aan deze veroordeling voldoet;

Zowel primair als subsidiair:

d. [Partij B. ] te veroordelen in de kosten van deze procedure aan de zijde van [S. c.s. ] gerezen.

2.6 [Partij B. ] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

2.7 [Partij B. ] stelt dat hij in 1998 een mondelinge pachtovereenkomst met de voormalige eigenaar van de thans aan [S. c.s. ] in eigendom toebehorende huiswei heeft gesloten. Hij wil thans weer worden toegelaten tot deze grond en vordert daarom in reconventie bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [S. c.s. ] ieder voor zich en persoonlijk te veroordelen om [Partij B. ] en de zijnen en al het zijne toe te laten tot en het gebruik te geven van het door hem gepachte perceel, kadastraal bekend gemeente [woonplaats], sectie A nummer [XXXX], groot zestien aren en twintig centiaren, zulks op straffe van een dwangsom van € 200,-- per dag voor elke dag dat [S. c.s. ] in gebreke blijven om aan de verplichtingen voortvloeiende uit het in deze te wijzen vonnis te voldoen;

II. [S. c.s. ] te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.8 [S. c.s. ] hebben hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling

In conventie

3.1 [Partij B. ] voert vooraleerst het verweer dat het spoedeisend belang bij de onderhavige vordering ontbreekt. Hij stelt hiertoe dat [S. c.s. ] reeds vanaf 18 oktober 2002 (opmeting door kadaster) ervan op de hoogte zijn dat de paaltjes waarvan zij thans verwijdering vorderen verkeerd staan, en dat zij pas 8 maanden later verwijdering vorderen.

3.2 De voorzieningenrechter stelt voorop dat -zo al dit het ontbreken van spoedeisend belang met zich zou brengen- niet aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van stilzitten zijdens [S. c.s. ] vanaf oktober 2002. [S. c.s. ] hebben ter zitting gesteld dat zij reeds voor hun schrijven d.d. 31 maart 2003 [Partij B. ] om medewerking hebben verzocht.

Tevens hebben [S. c.s. ] ter staving van hun vordering gesteld dat de zomer bij uitstek het meest geschikte seizoen is om de werkzaamheden te laten verrichten, omdat de onderhavige wei uit drassige grond bestaat.

De voorzieningenrechter is gezien het hiervoor overwogene van oordeel dat [S. c.s. ] voldoende spoedeisend belang bij de onderhavige vordering hebben.

3.3 [Partij B. ] heeft ter zitting erkend dat de kadastrale grens als weergegeven in het door [S. c.s. ] overgelegde rapport d.d. 18 oktober 2002 juist is. De voorzieningenrechter gaat, gezien de tussen partijen bestaande overeenstemming, daarom uit van de juistheid van deze erfgrens.

3.4.1 Ter staving van de onderhavige vordering stellen [S. c.s. ] dat zij eigenaar zijn van het perceel sectie A nummer [XXXX] en dat zij een hekwerk willen laten plaatsen op hun terrein, binnen de perceelsgrens als door het kadaster aangegeven op 18 oktober 2002. Zij stellen dat gedaagde, met het weigeren zijn medewerking te verlenen aan het verwijderen van de thans aanwezige paaltjes, jegens hen onrechtmatig handelt omdat hij daarmee inbreuk maakt op hun eigendomsrecht.

3.4.2 [Partij B. ] voert hiertegen het verweer dat hij de thans aanwezige erfafscheiding, waarvan [S. c.s. ] verwijdering vorderen, reeds voordat [S. c.s. ] het eigendom van het betreffende perceel hebben verworven, heeft geplaatst. Hij stelt dat hij deze erfafscheiding heeft kunnen maken omdat hij sinds 1998 een gebruiksrecht c.q. pachtrecht heeft op dit stuk grond, omdat hij met [G. ] een mondelinge pachtovereenkomst heeft gesloten.

3.4.3 Ter zitting is gebleken dat [Partij B. ] het perceel dat thans aan [S. c.s. ] in eigendom toebehoort, en waarvan hij stelt dat hij een gebruiks- dan wel pachtrecht heeft, vanaf het voorjaar van 2002 niet meer in gebruik heeft.

Verder is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat [Partij B. ] een pachtrecht terzake dit perceel heeft nu er geen stukken ter staving van deze stelling zijn overgelegd. In het kader van dit kort geding is geen plaats voor nader onderzoek hieromtrent, hiervoor zullen getuigen moeten worden gehoord.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat [Partij B. ] zijn erfafscheiding gedeeltelijk op het aan [S. c.s. ] in eigendom toebehorende perceel heeft geplaatst. Deze laatsten hoeven dat niet te dulden.

Gezien de omstandigheid dat door [S. c.s. ] ter zitting is aangegeven dat zij van plan zijn een nieuwe erfscheiding, bestaande uit een hekwerk, op de erfgrens -als aangegeven door het kadaster op 18 oktober 2002- te plaatsen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat zij in redelijkheid onvoldoende belang hebben bij het primair gevorderde, omdat [Partij B. ] bij het verwijderen van zijn erfscheiding direct een nieuwe dient te plaatsen gezien de op zijn perceel aanwezige dieren. Deze vordering is daarom niet voor toewijzing vatbaar.

De subsidiaire vordering is voor toewijzing vatbaar, met inachtneming van het navolgende.

[S. c.s. ] moeten naar het oordeel van de voorzieningenrechter ervoor zorgdragen dat bij plaatsen van het hekwerk, de op het perceel van [Partij B. ] bevindende dieren niet wegkomen, nu het gezien de gegeven omstandigheden onredelijk voorkomt dat deze zorg voor rekening van [Partij B. ] dient te komen. Dit deel van de subsidiaire vordering is daarom niet voor toewijzing vatbaar. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd tot een bedrag van € 1.000,--.

In reconventie

Nu de voorzieningenrechter, gezien het hiervoor onder 3.4.3 overwogene, van oordeel is dat niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van een aan [Partij B. ] toekomend pachtrecht, is de vordering in reconventie niet voor toewijzing vatbaar.

In conventie en reconventie

Nu partijen over en weer overwegend in het ongelijk zijn gesteld zullen de kosten van dit kort geding worden gecompenseerd, des dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht;

RECHT DOENDE in kort geding:

In conventie

Veroordeelt [Partij B. ] om te gehengen en te gedogen dat [S. c.s. ] de op hun perceel aanwezige erfscheidingsmaterialen verwijderen en op de door het kadaster op 18 oktober 2002 aangewezen grenslijnen van hun percelen een nieuwe erfscheiding plaatsen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- indien [Partij B. ] niet aan deze veroordeling voldoet;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst het meer of anders gevorderde af;

In reconventie

Weigert de gevraagde voorziening;

In conventie en reconventie

Compenseert de kosten van dit kort geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Aldus gewezen door mr. A.M. Adelmeijer, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in het bijzijn van de griffier.

BC