Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AH8736

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
30-06-2003
Zaaknummer
70751 - HA ZA 01-1161
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag statutair directeur.

Nietigheid ontslagbesluit wegens strijd met artikel 2:14 BW jo art. 7:670 lid 1 BW resp. vernietigbaar ex art. 2:15 BW lid 1sub b jo art. 2:8, althans in strijd met redelijkheid en billijkheid?

Staat de eventuele toepasselijkheid van art. 7:670 lid 1 BW in de weg aan de rechtsgeldigheid van het ontslagbesluit in vennootschapsrechtelijke zin. In navolging van het oordeel van de Hoge Raad (onder meer 13 november 1992, NJ 1993, 265 en 10 maart 1995 NJ, 595) is de rechtbank van oordeel dat er bij ontslag van een bestuurder van een vennootschap onderscheid dient te worden tussen vennootschapsrechtelijke en de arbeidsrechtelijke positie van de bestuurder.

Eerst nadat de vennootschapsrechtelijke toetsing heeft plaats gehad en het besluit uit dien hoofde onaantastbaar is geoordeeld, komt aan de orde welke gevolgen het arbeidsrecht aan het ontslag verbindt.

Met andere woorden, aan de beantwoording van de vennootschapsrechtelijke vraag of het ontslag van een bestuurder aan nietigverklaring blootstaat wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid kunnen eventuele overwegingen over de arbeidsrechtelijke verhouding tussen bestuurder en de vennootschap geen bijdrage leveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 25 juni 2003

Zaaknummer : 70751 / HA ZA 01-1161

De rechtbank Maastricht, sector civiel, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[De heer D. ],

wonende te 52064 Aachen,

eiser,

procureur mr. S.G.J. Habets;

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [S. ] NAALDENFABRIEK BV,

gevestigd te Kerkrade,

gedaagde,

procureur mr. E.J.J.M. Kneepkens.

1. Het verloop van de procedure

Eiser heeft bij naar de dagvaarding verwijzende conclusie van eis gesteld en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. Bij conclusie van eis zijn producties overgelegd. Gedaagde heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

Op de voet van artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Eiser heeft daarop gerepliceerd, zulks onder overlegging van producties. Gedaagde heeft geconcludeerd voor dupliek, waarbij producties in het geding zijn gebracht.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Eiser is op 1 september 1972 voor onbepaalde tijd als "Betriebsingenieur" in dienst getreden bij de moederonderneming van gedaagde, te weten [S. ] GMBH te Herzogenrath.

Vanaf 1 juli 1973 is eiser door die moederonderneming aan gedaagde uitgeleend als fulltime productieleider.

Vanaf 1 januari 1988 is eiser naast deze dienstbetrekking bij de moedermaatschappij benoemd tot bedrijfsleider bij gedaagde, waarbij eiser tevens een arbeidsovereenkomst sloot met gedaagde. Eiser had destijds dus bij beide bedrijven een dienstbetrekking.

Sinds 1 augustus 2000 is eiser "Geschäftsführer Techniek" bij gedaagde en per gelijke datum is het dienstverband bij de moederonderneming van gedaagde geëindigd.

Met ingang van 1 maart 2001 is eiser statutair directeur bij gedaagde geworden tegen een brutosalaris van fl. 204.000,00 per jaar.

2.2 Bij brief van 23 april 2001 is eiser door gedaagde opgeroepen voor de aandeelhoudersvergadering op 8 mei om aldaar het voorstel tot zijn ontslag en schorsing te bespreken. Tevens heeft eiser op diezelfde dag een schrijven d.d. 23 april 2001 van gedaagde ontvangen met een toelichting op het voorgenomen besluit tot ontheffing van eiser uit zijn functie als statutair directeur en het besluit tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Conform de bepalingen uit de arbeidsovereenkomst eindigt de arbeidsovereenkomst krachtens opzegging per 1 maart 2003.

2.3 Aan het voornemen tot opzegging ligt - samengevat - ten grondslag dat door toedoen van eiser de ontwikkeling van gedaagdes bedrijf werd belemmerd en zelfs is verslechterd, aldus eiser. Hij zou onvoldoende hebben gecommuniceerd met de bestuurders van gedaagde omtrent de ontwikkelingen die gedaagde maakte, terwijl hij daarenboven fouten zou hebben gemaakt op zowel het organisatorische als op het personele vlak.

2.4 Volgens eiser zijn deze verwijten volstrekt uit de lucht komen vallen en voorheen nimmer aan hem kenbaar gemaakt.

Derhalve heeft hij zich hiertegen verzet, evenals tegen de voorgenomen opzegging. Eiser is van mening dat hij altijd (29 jaar) goed en naar volle tevredenheid van gedaagde en van de moedermaatschappij heeft gefunctioneerd en hij betwist de beweerdelijke opzeggingsgronden.

Eiser acht het onbegrijpelijk dat slechts 1 ½ maand na zijn benoeming per 1 maart 2001 als statutair directeur door dezelfde Algemene Vergadering van Aandeelhouders van gedaagde wordt besloten tot ontheffing van hem uit die functie alsmede tot opzegging van de arbeidsovereenkomst met hem.

Gedaagde heeft eiser nooit van de vermeende kritiek op zijn functioneren in kennis gesteld en nooit en te nimmer hebben hieromtrent gesprekken plaatsgehad noch is het functioneren van eiser ooit een punt van kritiek geweest, aldus eiser.

De rauwelijkse opzegging zes weken na de benoeming tot statutair directeur acht eiser dan ook in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

2.5 Eiser heeft zich op 3 mei 2001 ziekgemeld. Ondanks deze ziekmelding en derhalve in strijd met het ontslagverbod ex artikel 7:760 lid 1 BW is gedaagde op 8 mei 2001 overgegaan tot het opzeggen van de arbeidsovereenkomst met hem, zo stelt eiser.

Aan deze opzegging ging vooraf het besluit van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders om hem per direct uit zijn functie van statutair directeur te ontheffen.

Eiser is van mening dat voornoemd ontslagbesluit niet op zorgvuldige en regelmatige wijze is genomen conform de voor een dergelijk ontslag geldende normen van een goed werkgeverschap ex artikel 7:611 BW.

Eiser is tevens van oordeel dat het genomen ontslagbesluit nietig is wegens strijd met de wet ex artikel 2:14 BW jo artikel 7:670 lid 1 BW dan wel vernietigd dient te worden op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b jo artikel 2:8, althans in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

Bij brief van 23 mei 2001 heeft eiser de nietigheid van het ontslag wegens handelen in strijd met het opzegverbod ex artikel 7:670 lid 1 BW ingeroepen, subsidiair heeft hij aangevoerd dat het ontslag kennelijk onredelijk is.

Eiser stelt zich nadrukkelijk beschikbaar te hebben gehouden en te houden om de overeengekomen werkzaamheden als statutair directeur te verrichten, nu hij zijns inziens nimmer op rechtsgeldige wijze is ontslagen uit die functie.

2.6 Eiser heeft op grond van het vorenstaande gevorderd dat het de rechtbank behage bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1) te verklaren voor recht dat het ontslagbesluit d.d. 8 mei 2001 nietig is wegens strijd met de wet ex artikel 2:14 BW jo artikel 7:670 lid 1 BW respectievelijk vernietigbaar is ex artikel 2:15 lid 1 sub b jo artikel 2:8 BW, althans in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

2) gedaagde te veroordelen eiser binnen één werkdag na betekening van het in deze te wijzen vonnis in de gelegenheid te stellen en te blijven stellen zijn gebruikelijke werkzaamheden op de gebruikelijke condities te hervatten, zulks op straffe van een dwangsom van fl. 2.500,-- per dag of gedeelte daarvan, indien en voor zover gedaagde jegens eiser in gebreke blijft met nakoming van deze veroordeling;

3) gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.7 De vordering wordt door gedaagde weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord en dupliek alsmede het proces-verbaal van de comparitie na antwoord.

3. De beoordeling

3.1 Partijen houdt allereerst verdeeld de vraag of het ontslagbesluit d.d. 8 mei 2001 nietig is wegens strijd met de wet ex artikel 2:14 BW jo artikel 7:670 lid 1 BW.

Gedaagde stelt in dit verband dat de bepaling van artikel 2:14 BW alleen ziet op strijd met de wettelijke regels van boek 2 BW. De vennootschapsrechtelijke toetsing ex artikel 2:14 behelst de vraag of de op het ontslag gerichte wil van de rechtspersoon zoals deze in de tot het ontslag strekkende wilsverklaring jegens de bestuurder tot uiting is gebracht, zich heeft gevormd overeenkomstig de daarvoor geldende regels van de wet en de statuten en de in dit verband tevens in acht te nemen eisen van de goede trouw.

Voor zover de bepaling van artikel 2:14 BW al een ruimere strekking mocht hebben dan nog geldt volgens gedaagde dat er geen sprake is van strijd met de wet, aangezien in casu vaststaat dat eiser zich eerst na ontvangst van de brief van 23 april 2001 waarbij hij werd opgeroepen voor de algemene vergadering van aandeelhouders op 8 mei heeft ziek gemeld terwijl krachtens vaste rechtspraak geldt dat het opzegverbod tijdens ziekte voor een statutair directeur niet van toepassing is indien de vennootschap de bestuurder heeft opgeroepen de aandeelhoudersvergadering bij te wonen vóórdat deze zich ziek meldde.

Eiser daarentegen voert in dit verband aan dat uit de parlementaire geschiedenis noch uit de literatuur blijkt dat de in artikel 2:14 BW gebezigde term "wet" enkel betrekking heeft op de bepalingen van boek 2 BW, zodat volgens eiser artikel 2:14 BW tevens ziet op handelen in strijd met artikel 7:670 lid 1 BW.

Dat het opzegverbod ex artikel 7:670 lid 1 sub b BW niet van toepassing is in het onderhavige geval waarin de directeur werd opgeroepen om de aandeelhoudersvergadering bij te wonen voordat hij zich ziek meldde, is volgens eiser niet juist, terwijl van vaste jurisprudentie op dit punt volgens hem geen sprake kan zijn nu de Hoge Raad zich hierover nog niet heeft uitgelaten en dit standpunt ook overigens veel kritiek ontmoet.

3.2 Centraal staat derhalve vooreerst de vraag of de eventuele toepasselijkheid van artikel 7:670 BW in de weg staat aan de rechtsgeldigheid van het ontslagbesluit in vennootschaprechtelijke zin. Met gedaagde en in navolging van het oordeel van de Hoge Raad in - onder meer - haar arrest van 26 oktober 1984 NJ 1985,375 (het z.g. Sjartec- of te wel Sjardin-arrest), van 13 november 1992 NJ 1993, 265 (het z.g. Levison-arrest) en van 10 maart 1995 NJ 1995,595 - is de rechtbank van oordeel dat er bij ontslag van een bestuurder van een vennootschap onderscheid gemaakt dient te worden tussen de vennootschapsrechtelijke en de arbeidsrechtelijke positie van de bestuurder.

Een besluit tot schorsing of ontslag kan binnen de vennootschappelijke verhoudingen nietig of vernietigbaar zijn ex artikel 2: 14 c.q. 2:15 BW. Daarnaast gelden de regels van de arbeidsovereenkomst die veelal tussen de bestuurder en de vennootschap bestaat, op grond waarvan de arbeidsrechtelijke toetsing van het ontslagbesluit kan plaatsvinden.

Eerst nadat de vennootschapsrechtelijke toetsing heeft plaats gevonden en het besluit uit dien hoofde onaantastbaar is geoordeeld, komt eventueel aan de orde welke gevolgen het arbeidsrecht aan het ontslag verbindt.

Met andere woorden aan de beantwoording van de vennootschapsrechtelijke vraag of het of het ontslag van een bestuurder aan nietigverklaring blootstaat wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid kunnen eventuele overwegingen over de arbeidsrechtelijke verhouding tussen de bestuurder en de vennootschap geen bijdrage leveren.

3.3 In casu heeft eiser, waarvan onbetwist vaststaat dat hij tot gedaagde niet alleen in vennootschapsrechtelijke maar ook in arbeidsrechtelijke verhouding staat - gelet op zijn vordering inzake de verklaring voor recht - gekozen voor uitsluitend de vennootschapsrechtelijke toetsing waarvan, zoals hierboven reeds overwogen, de toetsing van het ontslag zelf aan de toepasselijke regels betreffende de arbeidsovereenkomst géén deel uit maakt.

De door eiser gestelde nietigheid op grond van vermeende schending van artikel 7:670 BW dient beoordeeld te worden aan de hand van de toepasselijke regels betreffende de arbeidsovereenkomst en niet aan de hand van het thans aan de orde gestelde artikel 2:14 BW dat enkel ziet op de vennootschapsrechtelijke relatie, zodat de vermeende schending van artikel 7:670 BW geen nietigheid van het ontslagbesluit in vennootschapsrechtelijke tot gevolg heeft.

3.4 Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat het ontslagbesluit vernietigbaar zou zijn ex artikel 2:15 lid 1 sub b BW jo artikel 2:8 BW, althans in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.

Eiser heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de besluitvorming op onzorgvuldige wijze is geschied nu gedaagde geen nadere onderbouwing van de in het schrijven van 23 april 2001 vermelde opzeggingsgronden heeft gegeven.

Daarnaast is hij van mening dat bij de toetsing van het ontslagbesluit (naar de rechtbank begrijpt in de door haar gekozen vennootschapsrechtelijke benadering) tevens arbeidsrechtelijke aspecten een rol van betekenis kunnen spelen, in die zin dat getoetst dient te worden of de gebezigde ontslaggronden een ontslag rechtvaardigen.

Nu eiser hoewel daartoe uitgenodigd door gedaagde bij brief van 23 april 2001 geen gebruik heeft gemaakt van die uitnodiging om de aandeelhoudersvergadering bij te wonen doch heeft volstaan met een brief d.d. 4 mei 2001 waarin zijn raadsman slechts stelt dat eiser zich verzet tegen de door gedaagde gehanteerde opzeggingsgronden en daarbij aankondigt dat hij en eiser vanwege het reeds in die brief weergegeven standpunt niet op de vergadering zullen verschijnen en hij daarin niet heeft verzocht om uitstel van de vergadering totdat hij hersteld was van zijn ziekte danwel op andere gronden om uitstel heeft verzocht, is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat eiser niet in de gelegenheid is gesteld om deugdelijk verweer te voeren, nu tijdens die vergadering de ontslaggronden - zo deze al niet voldoende onderbouwd waren in de (toelichtende) brief van 23 april 2001 - aan zijde van gedaagde nader konden worden onderbouwd waarna zonodig weerlegging van die gronden door gedaagde kon plaatsvinden.

In navolging van (het hierboven onder overweging 3.2 reeds aangehaalde arrest van) de Hoge Raad NJ 1985,375 is de rechtbank bovendien van oordeel dat de onderhavige vordering tot (vennootschappelijke) vernietiging van het ontslagbesluit wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:15 BW beperkt is tot een (marginale) toetsing aan de eisen van de goede trouw die bij het totstandkomen van het besluit in acht genomen dienen te worden, weshalve de beweerdelijke vennootschapsrechtelijke nietigheid niet gebaseerd kan worden op enkel de gestelde doch betwiste onredelijkheid van de ontslaggronden.

De toetsing van de al dan niet redelijkheid van de ontslaggronden en daarmede van het ontslag zelf kan wel plaatsvinden binnen de toepasselijke regels betreffende de arbeidsovereenkomst, doch daarop is de onderhavige vordering niet gegrond.

3.5 Het bovenstaande impliceert dat de door eiser onder 1 gevorderde verklaring voor recht inzake de nietigheid c.q. vernietiging van het ontslagbesluit niet toewijsbaar is.

De onder 2 gevorderde werkhervatting is dientengevolge evenmin toewijsbaar, waarbij de rechtbank nog opmerkt dat zelfs indien de onder 1 gevorderde verklaring voor recht wel toewijsbaar was geoordeeld het nog maar de vraag is of het in artikel 2:244 BW lid 3 bepaalde geen beletsel vormt om herstel van de dienstbetrekking uit te spreken.

3.6 Al het vorenstaande brengt met zich mee dat de vordering moet worden afgewezen en dat eiser als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure dient te dragen.

4 De uitspraak

De rechtbank:

Wijst het gevorderde af;

Veroordeelt eiser in de kosten van deze procedure aan zijde van gedaagde gerezen en tot heden begroot op:

Vast recht: : € 193,76

Salaris procureur : € 1170,00

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. Douffet-Evertz en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.