Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AH0674

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-06-2003
Datum publicatie
20-06-2003
Zaaknummer
71579 - HA ZA 01-1312
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid voor verbintenissen uit door een rechtspersoon in oprichting gesloten overeenkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis : 18 juni 2003

Rolnummer : 71579 / HA ZA 01-1312

De rechtbank te Maastricht, sector civiel, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

de maatschap [K. ] EN CO ACCOUNTANTS EN BELASTINGADVISEURS,

mede gevestigd te Maastricht,

eiseres,

procureur mr. F.R. Hage;

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [D. ] B.V.,

gevestigd te Maastricht,

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [D. ] BEHEER B.V.,

gevestigd te Maastricht,

3.[De heer D. ],

wonende te Maastricht,

4.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [B. ] BEHEER B.V.,

gevestigd te Maastricht,

5.[De heer B. ],

wonende te Maastricht,

6.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [P. ] B.V.,

gevestigd te Landgraaf,

7.[De heer K. ],

wonende te Landgraaf,

8.[Mevrouw K. ],

wonende te Landgraaf,

allen gedaagden,

gedaagden sub 1 tot en met 5 geen procureur gesteld hebbende,

de procedure tegen gedaagden sub 2 en sub 4 heeft te gelden als te zijn geschorst op voet van art. 29 Fw,

procureur gedaagden sub 6, 7 en 8 mr. J.H.M. Daniëls.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres[K. ], heeft gedaagden sub 1 tot en met 8 gedagvaard om te verschijnen voor deze rechtbank. Nadat tegen gedaagden sub 1 t/m 5 verstek is verleend is de zaak ten opzichte van alle partijen aangehouden. Vervolgens heeft [Eiseres] het verstek aan gedaagden sub 1 t/m 5 betekend en partijen hernieuwd opgeroepen om ter zitting te verschijnen, waarna zij heeft geconcludeerd voor eis.

Vervolgens hebben gedaagden sub 6 t/m 8[P. c.s. ] geconcludeerd voor antwoord en heeft [Eiseres] terzelfder rolzitting bij akte beslagstukken overgelegd.

Op de voet van artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) is een comparitie na antwoord gelast. Ter comparitie heeft [Eiseres] nog een productie overgelegd, welke is gehecht aan het proces-verbaal dat van het verhandelde ter comparitie is opgemaakt, hetwelk zich bij de stukken bevindt. [Eiseres] heeft daarop gerepliceerd, waarna [Gedaagden 6 tot en met 8] hebben gedupliceerd. Bij alle genoemde conclusies, behoudens de conclusie van dupliek, zijn door partijen producties overgelegd.

Tenslotte hebben [Eiseres] en [Gedaagden 6 tot en met 8] de rechtbank verzocht te beslissen op het rechtbankdossier, waarna de uitspraak van het vonnis nader is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Op 30 mei 2001 is gedaagde sub 1[D. ] opgericht door gedaagden sub 2, 4 en 6 die tevens tot bestuurders van de vennootschap zijn benoemd. Op die datum heeft [D. ] alle namens haar in de oprichtingsfase verrichte rechtshandelingen bekrachtigd; de eerste inschrijving in het handelsregister dateert van 15 juni 2001. Volgens [Eiseres] werd [D. ] in haar oprichtingsfase ook wel aangeduid als "Doha Project BV (i.o.)".

2.2 Gedaagden sub 2, 4 en 6 (hierna ook: "de beheersvennootschap(pen)") zijn op hun beurt op 30 mei 2001 opgericht door respectievelijk gedaagden sub 3, 5, 7 en 8 die tevens de bestuurders van eerstgenoemden zijn. Op dezelfde datum hebben de beheersvennootschappen alle namens hen in de oprichtingsfase verrichte rechtshandelingen bekrachtigd. De eerste inschrijvingen in het handelsregister dateren van respectievelijk 11, 11 en 14 juni 2001.

2.3 [Eiseres] heeft uit hoofde van een overeenkomst van opdracht diverse accountants- en/of belastingadvieswerkzaamheden verricht voor een totaal gefactureerd bedrag van f 41.045,63.

Primair stelt [Eiseres] zich op het standpunt dat alle gedaagden hoofdelijk voor de betaling van voornoemd bedrag zijn verbonden, zulks op grond van het bepaalde in artikel 7:407, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Als subsidiaire grondslagen van de door haar gestelde hoofdelijke verbondenheid noemt [Eiseres] de artikelen 2:203 lid 3 BW, 2:180 BW (met name lid 2), alsmede 6:162 BW. Bij dat laatste artikel verwijst [Eiseres] nog naar de artikelen 2:248 jo. 2:9 en 11 BW.

Naast het hierboven genoemde bedrag voor hoofdsom maakt [Eiseres] tevens aanspraak op vergoeding van door haar gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, welke zij stelt op f 3.588,61.

2.4 Ondanks herhaalde aanmaning heeft [Eiseres] geen betaling van enig bedrag kunnen verkrijgen. Bij sommatiebrief van 14 augustus 2001 is, bij gebreke aan voldoening binnen veertien dagen na dagtekening, aanspraak gemaakt op wettelijke rente. Ter verzekering van het verhaal van haar vordering heeft [Eiseres] conservatoir beslag doen leggen. De beslagstukken zijn overgelegd.

2.5 Op grond van het vorenstaande vordert [Eiseres] dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

gedaagden hoofdelijk zal veroordelen, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan haar te betalen een bedrag van f 44.634,24, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2001, althans vanaf de dag der dagvaarding (23 november 2001) tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van gedaagden in de kosten van het geding met inbegrip van de beslagkosten.

2.6 [Gedaagden 6 tot en met 8] hebben de vordering gemotiveerd betwist.

3. De beoordeling

3.1 Alvorens op de door [Eiseres] gestelde grondslagen van haar vordering en het door [Gedaagden 6 tot en met 8] daartegen gevoerde verweer in te gaan, overweegt de rechtbank het navolgende.

3.1.1 Ten eerste is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor hoofdsom in ieder geval ten opzichte van [D. ] toewijsbaar is. Indien en voor zover het verweer van [Gedaagden 6 tot en met 8] dat Doha Project BV i.o. "een heel andere onderneming was en is als [D. ] BV" (zie CvA) dan wel hen "onbekend is" (zie CvD) er (mede) toe strekt te betogen dat de vordering tegen [D. ] als niet verschenen gedaagde niet kan worden toegewezen, kan dat verweer niet slagen. Weliswaar getuigen de bij conclusie van eis overgelegde facturen niet van een consequente tenaamstelling, maar uit een brief van 16 maart 2001 (zie pv comparitie en CvR, prod. 1) blijkt genoegzaam dat het voor [D. ], [B. ] en [K. ] duidelijk is geweest dat (ook) met Doha Project BV (i.o.) het huidige [D. ] in haar oprichtingsfase werd bedoeld. De brief van 16 maart 2001 was immers mede aan [D. ] BV i.o. gericht en het daarbij gevoegde overzicht van openstaande facturen verwijst naar een aantal rekeningen die op naam van Doha Project BV zijn gesteld (CvE, prod. 1), van welke facturen de gedaagden sub 3, 5 en 7 blijkens hun ondertekening van die brief de verschuldigdheid in ieder geval namens [D. ] BV i.o. hebben erkend.

3.1.2 Nu de beheersvennootschappen [D. ] Beheer BV en [B. ] Beheer BV inmiddels in staat van faillissement zijn verklaard, merkt [Eiseres] bij repliek terecht op dat het onderhavige geding ten aanzien van gedaagden sub 2 en 4 van rechtswege is geschorst (artikel 29 Fw).

3.1.3 Bij repliek stelt [Eiseres] voorts dat haar vordering ten aanzien van de gedaagden sub 1, 3 en 5 voor toewijzing gereed ligt omdat door hen tot op heden geen verweer is gevoerd. [Eiseres] miskent daarmee evenwel dat niet uitgesloten kan worden dat het door de wél verschenen gedaagden [Gedaagden 6 tot en met 8] gevoerde verweer, mede gelet op de feitelijke betrokkenheid van alle partijen bij [D. ], kan doorwerken naar de beoordeling van de vraag ter zake van de rechtmatigheid en gegrondheid van de vordering tegen genoemde gedaagden (zie onder meer HR, NJ 2000, nr. 290). Voor wat betreft [D. ] is dat oordeel hierboven al gegeven; ten opzichte van de gedaagden sub 3 en 5 komt dat later aan de orde.

3.2 Gezien het vorenstaande moet thans worden nagegaan of de vordering gericht tegen de gedaagden sub 3 en 5, alsmede [Gedaagden 6 tot en met 8], kans van slagen heeft. De recht-bank zal daarbij nader ingaan op de door [Eiseres] successievelijk aangevoerde en boven onder 2.3 weergegeven juridische grondslagen.

3.3 In artikel 7:407, lid 1, BW is bepaald:

"Indien twee of meer personen tezamen een opdracht hebben gegeven, zijn zij hoofdelijk tegenover de opdrachtnemer verbonden".

Voor de toepassing van dit artikel is noodzakelijk dat sprake is geweest van twee of meer rechts- en/of natuurlijke personen die elk pro se handelend betrokken waren bij het geven van de opdracht. De rechtbank is echter van oordeel dat, getuige het door de betrokken natuurlijke personen geweven netwerk van verschillende (beheers)vennootschappen ( zie het door [Gedaagden 6 tot en met 8] bij antwoord overgelegde rapport van [Eiseres] d.d. 9 mei 2001), het bepaald niet aannemelijk is dat door alle gedaagden pro se is gehandeld in de hiervoor bedoelde zin (zie ook HR, NJ 2000, nr. 354). Daaraan doet niet af dat een deel van de door [Eiseres] verrichte werkzaamheden rechtstreeks op [Gedaagden 6 tot en met 8] betrekking hadden, zoals [Eiseres] bij repliek sub 5 betoogt. Indien dat al juist is - [Gedaagden 6 tot en met 8] betwisten dit en uit de overgelegde facturen blijkt daarvan niet - zou zulks [Gedaagden 6 tot en met 8] hooguit verplichten tot betaling van het rechtstreeks op hen betrekking hebbende gedeelte, ten aanzien waarvan [Eiseres] verder niets heeft gespecificeerd.

3.3.1 Ter nadere onderbouwing stelt [Eiseres] voorts (vide CvR, sub 6) dat zij steeds alle gedaagden als opdrachtgevers in de zin van artikel 7:407, lid 1, BW heeft aangemerkt, hetgeen ook voor gedaagden zelf zou gelden. Zulks zou volgens [Eiseres] volgen uit de reeds genoemde brief van 16 maart 2001 (zie onder 3.1.1), waarnaar zij in dit verband verwijst.

De rechtbank kan die zienswijze niet delen. Hierboven is reeds overwogen dat het voor zich handelen door alle gedaagden niet aannemelijk is en de bedoelde brief maakt dat niet anders. Weliswaar wordt door de ondertekenaars van die brief de verschuldigdheid van bepaalde facturen erkend, maar de vraag is nu juist of zij zulks uitsluitend namens [D. ] BV i.o. dan wel ook voor zichzelf hebben gedaan. Dat laatste kan geenszins uit de brief worden opgemaakt en is zoals gezegd ook niet aannemelijk.

3.3.2 Tenslotte merkt [Eiseres] bij repliek onder 8 op dat het niet noodzakelijk is dat de opdrachtgevers de opdracht gaven bij dezelfde rechtshandeling, wel noodzakelijk is dat zij samen als één partij kunnen worden aangemerkt. Dat laatste doet zich in casu voor, aldus [Eiseres].

Deze in de literatuur aangetroffen opvatting behelst echter geen doorbreking van de vermogensrechtelijke scheiding tussen natuurlijke en/of rechtspersonen, maar biedt een oplossing voor de situatie dat óf in het vervolgtraject van een opdracht niet steeds door de gezamenlijke opdrachtgevers handelend wordt opgetreden, óf dat een opdracht niet mede is verleend door andere betrokkenen die - gelet op de omstandigheden van het geval - óók als zelfstandig opdracht gevende partij moeten worden aangemerkt. Het één noch het ander doet zich hier voor.

3.4 De door [Eiseres] subsidiair gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 2:203, lid 3, BW, kan zich voordoen indien degenen die namens de op te richten vennootschap handelden wisten of redelijkerwijs konden weten dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Dat een dergelijke wetenschap in casu bij [Gedaagden 6 tot en met 8] aanwezig was volgt volgens [Eiseres] rechtstreeks uit haar onderzoeksrapport van 9 mei 2001 (zie CvA, hierna ook: "het rapport [Eiseres]"). Kort samengevat komt het erop neer dat de aanvragen voor een noodzakelijke externe financiering van

f 1.250.000,- werden afgewezen; desondanks "hebben gedaagden hun onderneming doorgezet ofschoon zij wisten dat het financiële draagvlak volledig ontbrak", aldus [Eiseres] (zie CvR, sub 11 t/m 17). [Gedaagden 6 tot en met 8] stellen daar, evenzeer met een beroep op het rapport [Eiseres], tegenover dat van bedoelde wetenschap geen sprake was gezien de uit dat rapport blijkende verwachte winstgevendheid van [D. ] (zie CvA). Bij dupliek voegen zij daaraan toe dat die wetenschap ook op het daarvoor ten laatste juridisch relevante moment (30 mei 2001; de gedane bekrachtigingen) bij hen heeft ontbroken, nu [Eiseres] altijd zou hebben gezegd dat financiering geen probleem was. [Gedaagden 6 tot en met 8] stellen tenslotte: "saillant detail is dat uit productie 3 van [Eiseres] & Co (zie CvR, Rb) blijkt dat in juni 2001, [S. en M. ] (verbonden aan [Eiseres], Rb) nog aan deze financiering werken".

3.4.1 De rechtbank overweegt allereerst dat [Eiseres] de door haar gestelde wetenschap bij [Gedaagden 6 tot en met 8] baseert op haar meergenoemde rapport. Dat rapport dateert echter van 9 mei 2001, derhalve van een moment dat het grotere deel van de door [Eiseres] verrichte werkzaamheden reeds was gefactureerd. Het valt dan ook moeilijk in te zien dat degenen die in de oprichtingsfase van [D. ] telkens opdrachten aan [Eiseres] hebben verstrekt, op grond van het rapport [Eiseres] wisten of behoorden te weten dat [D. ] haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen voor zover deze zijn aangegaan vóórdat het rapport werd uitgebracht.

Nog afgezien van het vorenstaande kan de rechtbank - in tegenstelling tot [Eiseres] - de hier bedoelde wetenschap geenszins rechtstreeks aan het rapport ontlenen. Weliswaar sluit de in het rapport [Eiseres] vervatte prognose over de winstgevendheid - anders dan [Gedaagden 6 tot en met 8] menen - niet ipso facto uit dat bij hen wetenschap in de zin van artikel 2:203, lid 3, BW, aanwezig was omdat die (positieve) prognose was gebaseerd op door henzelf overgelegde gegevens waarvan de materiële juistheid niet vaststaat, maar gesteld noch gebleken is dat gedaagden niet te goeder trouw zouden zijn geweest bij het verstrekken van wat [Eiseres] als "basisgegevens" op pagina 3 van haar rapport heeft aangeduid. Voorts acht de rechtbank van doorslaggevend belang dat uit de bijlage bij [Eiseres]s factuur over juni 2001 (zie CvR, prod. 3) blijkt dat door [Eiseres] in de maand juni werd gewerkt aan de (uiteindelijk mislukte) financiering door de Rabobank. Een dergelijk actieve bemoeienis van [Eiseres] - getuige de in de bijlage genoemde data - ligt bepaald niet in de rede indien ten laatste op 30 mei 2001 al duidelijk zou zijn geweest dat die financiering tot mislukken was gedoemd, zeker niet nu uit de al vaker genoemde brief van 16 maart 2001 volgt dat [Eiseres] kennelijk al langere tijd intensief contact met de Rabobank over de financiering onderhield.

3.4.2 Met het hierboven overwogene valt het doek voor toepassing van artikel 2:203 BW zoals door [Eiseres] voorgestaan. Dat geldt zowel ten aanzien van [Gedaagden 6 tot en met 8] als ten aan-zien van de gedaagden sub 3 en 5 (zie onder 3.1.3), nu het gelet op de stukken onaannemelijk is dat hun positie wezenlijk van die van [Gedaagden 6 tot en met 8] zou verschillen.

Hetzelfde geldt voor de toepassing van artikel 6:162 BW ten aanzien van [Gedaagden 6 tot en met 8] en gedaagden sub 3 en 5. Het is immers niet aannemelijk dat op het relevante toetsingsmoment - het moment van de bekrachtiging op 30 mei 2001 - de voor de aanname van mogelijke onrechtmatigheid vereiste wetenschap (het weten dan wel kunnen weten dat [D. ] niet zou kunnen nakomen) bij de bestuurders aanwezig was; het voren overwogene (zie 3.4.1, laatste zin) is hier van overeenkomstige toepassing.

3.4.3 Over de verwijzing door [Eiseres] naar de door haar nog genoemde artikelen 2:248, 2:9 en 2:11 BW (zie onder 2.3) kan de rechtbank kort zijn. De relevantie van artikel 2:248 BW ontgaat de rechtbank nu gesteld noch gebleken is dat [D. ] failliet is. Artikel 2:9 BW ziet uitsluitend op de interne aansprakelijkheid van een bestuurder jegens de rechtspersoon, hetgeen hier niet aan de orde is. Het beroep op artikel 2:11 BW tenslotte moet stranden op het onder 3.4.1 en 3.4.2 overwogene dat van overeenkomstige toepassing is.

3.5 Thans resteert nog de bespreking van de subsidiaire grondslag ex artikel 2:180 BW, waarbij [Eiseres] kennelijk het oog heeft op het bepaalde in lid 2 aanhef en sub a, van dat artikel, dat luidt:

"De bestuurders zijn naast de vennootschap hoofdelijk aansprakelijk voor elke tijdens hun bestuur verrichte rechtshandeling waardoor de vennootschap wordt verbonden in het tijdvak voordat:

a. de opgave ter eerste inschrijving in het handelsregister, vergezeld van de neer te leggen afschriften, is geschied".

De rechtbank begrijpt het betoog van [Eiseres] als volgt. Doordat de bekrachtiging van de namens [D. ] BV en [P. b.v.] in hun oprichtingsfase verrichte rechtshandelingen (op 30 mei 2001) heeft plaatsgevonden vóór de opgave ter eerste inschrijving (op 15 respectievelijk 14 juni 2001), kan het bepaalde in het tweede lid van artikel 203 BW degenen die de rechtshandeling(en) hebben verricht geen soelaas bieden ter afwering van hun hoofdelijke aansprakelijkheid, omdat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn op grond van artikel 2:180, lid 2, sub a, BW, nu de gedane bekrachtiging evenzeer heeft te gelden als een tijdens hun bestuur verrichte rechtshandeling. Dientengevolge zijn [Gedaagden 6 tot en met 8] hoofdelijk aansprakelijk voor een bedrag van f 40.210,69, aldus [Eiseres] (zie CvR, sub 25).

3.5.1 Vooropgesteld moet worden dat de ervaring leert dat de hier bedoelde bekrachtiging gebruikelijkerwijze tegelijk met het verlijden van de oprichtingsakte wordt gedaan en daarin wordt vermeld, zodat sprake is van een uitdrukkelijke - en niet stilzwijgende - bekrachtiging, hetgeen naar de rechtbank begrijpt ook in het onderhavige geval is gebeurd.

3.5.2 Het samenstel en de ratio van de artikelen 2:203 en 2:180 BW strekt ertoe om de wederpartij van degenen die namens een op te richten besloten vennootschap rechtshandelingen hebben verricht, niet eerder te confronteren met een tot het vermogen van de vennootschap beperkte verhaalsmogelijkheid voordat door inschrijving ex artikel 2:180 BW publiekelijk kenbaar is gemaakt dat een vermogensrechtelijk volwaardige rechtspersoon is opgericht, die voortaan als uitsluitend contractspartner heeft te gelden en - na gedane bekrachtiging - ook de exclusieve aansprakelijkheid voor in haar oprichtingsfase verrichte rechtshandelingen draagt.

3.5.3 In het licht van het vorenstaande heeft nederlegging van de oprichtingsakte (2:180, lid 1, BW) waarin tevens de bekrachtiging is vervat geen ander gevolg, dan dat vanaf het moment van opgave ter eerste inschrijving (2:180, lid 2, sub a, BW) aan de hoofdelijke verbondenheid van hen die namens de vennootschap in haar oprichtingsfase hebben gehandeld, een einde is gekomen.

Dit is slechts anders ten opzichte van rechtshandelingen die zijn verricht na het verlijden van de oprichtingsakte doch vóór de opgave ter eerste inschrijving. Op die rechtshandelingen heeft de bij de oprichtingsakte gedane bekrachtiging immers geen betrekking, zodat daarvoor onverkort de in lid 2 van artikel 2:180 BW neergelegde hoofdelijke aansprakelijkheid geldt.

3.5.4 De door [Eiseres] voorgestane zienswijze (zie onder 3.5) zou tot gevolg hebben dat de reeds bij de oprichtingsakte uitgesproken (en daarin vervatte) bekrachtiging van rechtshandelingen die vóór de oprichting zijn verricht, op grond van het enkele feit dat de opgave ter eerste inschrijving later heeft plaatsgevonden, onder de werking van artikel 2:180, lid 2 zou vallen en niet onder 2:203, lid 2, BW. Het gevolg daarvan zou zijn dat hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op voormelde wijze bekrachtigde rechtshandelingen in beginsel ongelimiteerd zou blijven voortduren. In tegenstelling tot het laatstgenoemde artikel beperkt het eerstgenoemde immers slechts de aansprakelijkheid tot rechtshandelingen die zijn verricht vóór een bepaald moment zonder dat tevens de aansprakelijkheid van de handelende subjecten wordt overgenomen door de vennootschap. Dat komt de rechtbank ongerijmd voor, zeker indien wordt bedacht dat artikel 2:180 BW

geen onderscheid maakt tussen de vennootschap verbindende rechtshandelingen waar-van de bestuurders wisten of behoorden te weten dat de vennootschap deze niet zou kunnen nakomen en rechtshandelingen waarbij dat niet het geval was. Naar het oordeel van de rechtbank kan de wetgever niet hebben beoogd dat een in de oprichtingsakte vervatte en uitdrukkelijk gedane bekrachtiging van voordien verrichte rechtshandelingen, welke vervolgens kenbaar is gemaakt door nederlegging van die akte bij de opgave ter eerste inschrijving, op grond van het tweede lid van artikel 2:180 BW de betrokkenen hoe dan ook hoofdelijk zou blijven binden, terwijl een na het inschrijvingsmoment gedane bekrachtiging - die mogelijk slechts stilzwijgend is gedaan - alleen aansprakelijkheid in het in lid 3 van artikel 2:203 BW bedoelde geval tot gevolg zou hebben.

Of de visie van [Eiseres] mogelijk opgeld zou doen in het geval van een stilzwijgende bekrachtiging kan hier verder onbesproken blijven.

3.6 Het onder 3.5.3, tweede alinea, overwogene brengt met zich dat - naast [D. ] - slechts hoofdelijke aansprakelijkheid van gedaagde sub 6 ([P. b.v.]) kan worden aangenomen voor wat betreft de facturen van [Eiseres] die dateren uit de periode van 1 juni 2001 tot 15 juni 2001 waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de facturen die een datum hebben die in die periode ligt, betrekking hebben op opdrachten en werkzaamheden uit die periode. De bekrachtiging door [P. b.v.] op 14 juni 2001 (zie onder 2.2) heeft tot gevolg dat gedaagden sub 7 en 8 niet meer persoonlijk kunnen worden aangesproken; artikel 2:11 BW maakt dat niet anders (zie onder 3.4.3). Dat laatste geldt ook ten aanzien van de gedaagden sub 3 en 5.

Gelet op de door [Eiseres] bij repliek als productie 3 overgelegde specificatie gaat het om een bedrag van f 693,65, te vermeerderen met BTW, derhalve in totaal f 825,44.

3.7 Voor buitengerechtelijke incassokosten acht de rechtbank, conform het rapport Voorwerk, een bedrag van twee punten van het toepasselijke liquidatietarief jegens [D. ] toewijsbaar, in casu € 780,-. Uit hetgeen door [Eiseres] onder punt 39 bij repliek is aangevoerd vloeit thans niet voort dat Europese regelgeving noopt tot een andere beslissing op dit onderdeel.

In het licht van het zeer geringe bedrag dat jegens haar toewijsbaar is zal [P. b.v.] niet (mede) worden veroordeeld tot betaling van vorenstaande kosten.

3.8 Als in het ongelijk gestelde partij zal [D. ] worden verwezen in de proceskosten aan de zijde van [Eiseres], met inbegrip van ten opzichte van [D. ] gemaakte beslagkosten (zie CvE, prod. 2-a, c, d, f, g en h). Nu [D. ] niet is verschenen, is er evenwel geen aanleiding om haar te veroordelen in de kosten die na dagvaarding/conclusie van eis zijn gemaakt. Voor wat betreft [P. b.v.] is de rechtbank van oordeel dat, mede gelet op de hoogte van het gevorderde bezien in verhouding tot het toe te wijzen bedrag, de proceskosten gecompenseerd dienen te worden. Gedaagden sub 7 en 8 hebben geen andere proceskosten gemaakt dan [P. ], zodat er geen reden is om voor hen anders te beslissen.

3.9 Geldbedragen zijn vermeld in euro's tegen de daarvoor vastgestelde omrekenkoers.

4. Uitspraak

De rechtbank te Maastricht:

verstaat dat de procedure tegen gedaagden sub 2 en sub 4 is geschorst;

veroordeelt [D. ] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [Eiseres] te betalen een bedrag van € 18.251,12 voor hoofdsom, alsmede een bedrag van € 780,- voor buiten-gerechtelijke incassokosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2001 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [D. ] en gedaagde sub 6 hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [Eiseres] te betalen een bedrag van € 374,57, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

28 augustus 2001 tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [D. ] in de kosten van het geding aan de zijde van [Eiseres] gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op € 63,77 aan kosten dagvaarding, € 429,26 aan beslagkosten, € 490,- voor opstellen beslagexploot, € 380,- aan griffierecht en € 780,- voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde ten aanzien van [D. ] en gedaagde sub 6 af;

wijst de vordering voor zover gericht tegen de gedaagden sub 3, 5, 7 en 8 af;

veroordeelt [Eiseres] in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagden sub 3 en 5 gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

compenseert de proceskosten die [Eiseres] en gedaagden sub 6 tot en met 8 ten opzichte van elkaar hebben gemaakt aldus dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, vice-president, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MC