Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF9769

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-06-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/308 WAO Z
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de door vertegenwoordiger van eiseres en betrokkene ingediende bezwaarschriften tegen door verweerder genomen besluiten inzake de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), gegrond verklaard. Verweerder heeft besloten om deze besluiten niet te handhaven omdat de aan de genoemde beslissingen ten grondslag liggende onderzoeken niet volledig zijn geweest. Er zal alsnog een een medisch en arbeidskundig onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd plaatsvinden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 02/308 WAO Z

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiseres] BV te [plaats], eiseres,

en

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen -GAK Heerlen-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 16 januari 2002.

Kenmerk: 203.012/014.20 019.046/050.20.

Behandeling ter zitting: 14 maart 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 16 januari 2002 heeft verweerder de door vertegenwoordiger van eiseres en betrokkene, [betrokkene], ingediende bezwaarschriften van 16 juli 2001 en 17 september 2001 tegen door verweerder genomen besluiten van 8 juni 2001 en 28 augustus 2001 inzake de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), gegrond verklaard. Verweerder heeft besloten om deze besluiten niet te handhaven omdat de aan de genoemde beslissingen ten grondslag liggende onderzoeken niet volledig zijn geweest. Er zal alsnog een een medisch en arbeidskundig onderzoek naar de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd plaatsvinden.

Tegen eerstgenoemd besluit heeft op 20 februari 2002 eiseres beroep ingesteld. Betrokkene heeft zich wel gesteld, maar heeft in de procedure geen stukken naar voren gebracht.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan eiseres gezonden.

Bij besluit van 25 maart 2002 heeft verweerder een nieuw besluit ten aanzien van de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene per einde wachttijd genomen.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 26 maart 2002 een nieuw besluit ten aanzien van de nieuwe ziekmelding genomen.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 15 maart 2002 alwaar eiseres ter zitting is vertegenwoordigd door haar directeur […]. Gemachtigde van betrokkene en betrokkene hebben op 10 februari 2003 laten weten niet ter zitting aanwezig te zijn. Verweerder is met bericht niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN.

Per 1 januari 2002 zijn in werking getreden de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wsuwi) en de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (IWsuwi), Stb. 2001/682. Op grond van artikel 9, eerste lid, van laatstgenoemde wet gaan de publiekrechtelijke rechten en verplichtingen van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) en de uitvoeringsinstellingen per die datum over op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het tweede lid van voormeld artikel bepaalt dat een door het Lisv genomen besluit geldt als een besluit van het UWV. Ingevolge de artikelen 11 en 12 van diezelfde wet treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de onderhavige procedure als verwerende partij in de plaats van (het bestuur van) het Lisv respectievelijk de uitvoeringsinstellingen.

In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan: Uitvoeringsinstituut werknemers- verzekeringen (UWV).

Betrokkene is een 55-jarige man die als bouwkundig tekenaar werkzaam is bij [eiseres] BV. Hij is jarenlang directeur van het bedrijf geweest. Per 10 juli 2000 heeft betrokkene zich ziekgemeld.

De verzekeringsarts E. Janssens heeft op 1 juni 2001 op basis van eigen onderzoek van betrokkene met betrekking tot de medische beoordeling per einde wachttijd van de WAO, aangegeven welke medische beperkingen betrokkene zou ondervinden bij het verrichten van zijn werkzaamheden. De verzekeringsarts is van mening dat betrokkene op basis van zijn aandoeningen weliswaar beperkingen ondervindt maar hiermee niet ongeschikt voor zijn eigen werk te beschouwen is. Betrokkene heeft inmiddels zijn werkzaamheden ook weer voor halve dagen hervat.

Bij besluit van 8 juni 2001 is aan betrokkene meegedeeld dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd op 8 juli 2001 wordt vastgesteld op minder dan 15%.

Eiseres en betrokkene dienen naar aanleiding van bovengenoemd besluit op respectievelijk 16 juli 2001 en 18 juli 2001 een bezwaarschrift in. In de bezwaarschriften wordt aangevoerd dat betrokkene meer beperkt is dan verweerder aanneemt. Betrokkene kan niet in staat worden geacht zijn eigen werk te verrichten. Tot slot vraagt gemachtigde van betrokkene zich af of in het kader van de zorgvuldigheid wel voldoende informatie is ingewonnen bij de behandelend sector.

Betrokkene heeft zich binnen vier weken na einde wachttijd, op 13 juli 2001 opnieuw ziekgemeld. Hij had zijn werk voor halve dagen hervat.

Op 15 augustus 2001 wordt betrokkene opnieuw gezien op het spreekuur van de bovengenoemde verzekeringsarts, terwijl daarnaast een dossierstudie heeft plaatsvonden. Deze arts blijft bij zijn eerdere conclusie dat betrokkene geschikt moet worden geacht voor zijn eigen werk.

Bij besluit van 28 augustus 2001 is aan betrokkene meegedeeld dat de nieuwe ziekmelding niet heeft geleid tot een toekenning van een uitkering. Betrokkene wordt onverminderd voor minder dan 15% arbeidsongeschikt bevonden.

Op 17 september 2001 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 28 augustus 2001. Eiseres heeft daarbij naar de inhoud van het bezwaarschrift van 16 juli 2001 verwezen. Gemachtigde van betrokkene heeft vervolgens op 3 oktober 2001 een bezwaarschrift ingediend, gemachtigde is van mening dat verweerder onvoldoende medische informatie heeft ingewonnen. Voorts heeft gemachtigde van betrokkene zich afgevraagd op grond waarvan de verzekeringsarts betrokkene in staat heeft geacht werkzaamheden te verrichten.

Eiseres en betrokkene worden in de gelegenheid gesteld om op 17 oktober 2002 op de bezwaarschriften te worden gehoord. De gemachtigde van betrokkene, betrokkene en een vertegenwoordiger van eiseres hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt. Van het horen is een verslag opgemaakt, dat zich bij de gedingstukken bevindt.

Naar aanleiding van de gehouden hoorzitting heeft de bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij op 19 december 2001 ten aanzien van betrokkene gerapporteerd dat hij geen aanleiding ziet voor een urenreductie. Daarnaast is de bezwaarverzekeringsarts van mening dat in het kader van beoordeling een medisch arbeidskundig onderzoek had moeten plaatsvinden. Aangezien dit niet is gebeurd, adviseert de bezwaarverzekeringsarts een terugverwijzing naar het primaire traject.

Bij het thans bestreden besluit van 16 januari 2002 heeft verweerder besloten dat gelet op het vermelde in de heroverweging en de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts de beslissing van 8 juni 2001 en 28 augustus 2001 niet gehandhaafd kunnen worden omdat de aan genoemde beslissingen ten grondslag liggende onderzoeken niet volledig zijn geweest.

In het daartegen gerichte beroep is namens eiseres aangevoerd - kort gezegd - dat naar de mening van eiseres er onvoldoende rekening is gehouden met de ernst van de lichamelijke klachten, dienovereenkomstig dient de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene hieraan te worden aangepast.

Nadat op 18 februari 2002 door de verzekeringsarts E.J.J. Janssens een onderzoek was verricht en een belastbaarheidspatroon was opgesteld, en tussen deze verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige M. Giesen overleg had plaatsgehad, is door de arbeidsdeskundige een aantal functies geduid waarbij sprake kan zijn van een verlies aan verdienvermogen.

Gelet echter op het feit dat betrokkene geschikt wordt geacht voor zijn eigen functie van bouwkundig tekenaar dient betrokkene volgens de arbeidsdeskundige te worden beschouwd voor minder dan 15% in de zin van de WAO.

Bij besluit van 25 maart 2002 heeft verweerder per 8 juli 2001 de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene vastgesteld op minder dan 15%.

In aansluiting daarop heeft verweerder bij besluit van 26 maart 2002 per 9 juli 2001 de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 15% in de zin van de WAO.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte kan worden gehandhaafd. Centraal staat de vraag of betrokkene op grond van zijn medische beperkingen volledig arbeidsongeschikt is, of althans in een hogere mate dan door verweerder is vastgesteld.

In artikel 7:11 van de Awb is bepaald dat, voorzover de heroverweging in bezwaar daartoe aanleiding geeft, het bestuursorgaan het bestreden besluit – in casu: de primaire besluiten van 8 juni 2001 en 28 augustus 2001 – herroept en voor zover nodig daarvoor in de plaats een nieuw besluit neemt.

Door in het besluit van 16 januari 2002 (het onderhavige bestreden besluit) niet gepaard te doen gaan met een nader, voor beroep bij de rechtbank vatbaar inhoudelijk besluit heeft verweerder gehandeld in strijd met het zojuist vermeld artikel, zodat het besluit van 16 januari 2002 voor vernietiging in aanmerking komt.

In de lijn van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 december 1997 (RSV 1998/133) beschouwt de rechtbank – anders dan verweerder van opvatting is – de besluiten van 25 en 26 maart 2002 als nadere besluiten op bezwaar. Deze latere besluiten van 25 en 26 maart 2002 houden in feite een aanvulling in van het bestreden besluit van 16 januari 2002.

De rechtbank is van oordeel dat naar analogie van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb het beroepschrift van 20 februari 2002 (en het aanvullende beroepschrift van 25 maart 2003) mede moet worden geacht te zijn gericht tegen deze nadere besluiten van 25 en 26 maart 2002, hetgeen ook uit de processuele houding van partijen blijkt.

Aldus zal de rechtbank de zojuist gestelde rechtsvraag beantwoorden.

Per 1 augustus 1993 is in werking getreden de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, Staatsblad 1993, 412 en laatstelijk gewijzigd bij wet van 19 december 1996, Staatsblad 1996, 665 (verder: Wet TBA). Bij die wet zijn onder meer wijzigingen aangebracht in het arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat is neergelegd in artikel 18 van de WAO.

In het onderhavige geval is op eiser van toepassing het arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat als gevolg van de Wet TBA per 1 augustus 1993 is komen te luiden.

Voorts is van toepassing de op 26 juli 2000 in werking getreden Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) als bedoeld in artikel 18, achtste en tiende lid, van de WAO, artikel 2, zevende en negende lid, van de Waz, en artikel 2, achtste en tiende lid, van de Wajong (Staatsblad 2000 / 307), verder te noemen het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten).

Vooropgesteld moet worden dat eerst dan sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, zoals die wet per 1 augustus 1993 is komen te luiden, indien de belanghebbende, kort gezegd, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is met algemeen geaccepteerde arbeid te verdienen wat gezonde personen met gelijke opleiding en ervaring gewoonlijk verdienen. Bedoelde personen worden in de praktijk aangeduid met het begrip "maatman" respectievelijk "maatvrouw".

Bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is in de zin van die wetgeving, en zo ja in welke mate, zijn dus in het bijzonder de volgende factoren van belang:

-of de betrokkene medische beperkingen heeft;

-of en in hoeverre betrokkene als gevolg daarvan buiten staat is met algemeen geaccepteerde arbeid een inkomen te verwerven.

Voorts dient in het oog te worden gehouden dat voorwaarde voor het recht op uitkering is dat het verlies aan verdienvermogen in vergelijking met de maatman of maatvrouw ten minste 15% bedraagt voor de WAO.

Ten aanzien van de medische en arbeidskundige component.

Uit het dossier blijkt dat betrokkene zich in staat acht om gedurende halve dagen arbeid te verrichten. Verweerder acht een urenreductie echter niet op zijn plaats. Betrokkene wordt daarnaast geschikt bevonden voor zijn eigen arbeid.

Tijdens de zitting van 14 maart 2003 blijkt dat betrokkene inmiddels een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt en er thans wel sprake is van een urenreductie. De rechtbank besluit de zaak aan te houden om inlichtingen in te winnen bij verweerder aangaande deze nieuwe ziekmeldingen.

Uit de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts mw. P. Kerbusch van 13 februari 2003 blijkt dat verweerder thans van mening is dat:

“op grond van louter de lichamelijke kwalen er geen indicatie tot een urenreductie is”

en verderop in de rapportage:

“in praktijk is gebleken dat het juist is te stellen dat belanghebbende zijn eigen werk halve dagen kan uitvoeren”.

Verweerder acht betrokkene gedeeltelijk geschikt voor het vervullen van zijn eigen werk. Ook ten tijde van de eerdere ziekmedlingen was er naar de mening van de rechtbank sprake van een situatie waar in praktijk bleek dat betrokkene slechts in staat kon worden geacht zijn eigen werk voor halve dagen uit te voeren. Aangezien uit deze recente rapportage van de verzekeringsarts op geen enkele wijze blijkt dat er sprake is van een toename van de klachten die tot de primaire ziekmelding hebben geleid, is de rechtbank van oordeel dat de beslissingen van 25 en 26 maart 2002 niet in stand kunnen blijven.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de reiskosten van eiseres wegens haar verschijning ter zitting wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en artikel 6, eerste lid, onderdeel III, van het Besluit tarieven in strafzaken door de rechtbank vastgesteld op € 9,81 zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden besluiten van 16 januari 2002, 25 maart 2002 en 26 maart 2002;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak nieuwe besluiten casu quo een nieuw besluit te nemen op de bezwaarschriften van eiseres;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,00 wordt vergoed door de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen – GAK Heerlen – ;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 9,81 wegens reiskosten, te vergoeden door de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen – GAK Heerlen – aan eiseres.

Aldus gedaan door mr. A.G.M. Jansberg in tegenwoordigheid van H. Fokke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 02 juni 2003 door mr. Jansberg voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. H. Fokke w.g. A.G.M. Jansberg

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden:

02 juni 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.