Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF9767

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-06-2003
Datum publicatie
17-12-2003
Zaaknummer
AWB 01/988 CSV Z
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afsluitend verzoeken wij de rechtbank te beslissen, dat het besluit verzuimregistratie over 1996 tot en met 1999 ten onrechte is genomen en dit besluit te vernietigen. Tevens verzoeken wij de rechtbank de hieruit voortvloeiende nota's afrekening SV correctie 1996 t/m 1999 te beschouwen als zijnde ten onrechte opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 01/988 CSV Z

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiser] te [woonplaats], eiser,

en

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen -GAK Amsterdam Afdeling ARA/pbz-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 19 juni 2001.

Kenmerk: ARA 021-128.403.41-01-01P.385.677/692.55.

Behandeling ter zitting: 13 mei 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 19 juni 2001 heeft verweerder een namens eiser ingediend bezwaarschrift van 2 februari 2001, dat zich richtte tegen de correctienota's over de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 ongegrond verklaard en een bezwaarschrift van 31 januari 2001, dat zich richtte tegen de verzuimregistratie gegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is namens eiser bij brief van 27 juli 2001 beroep ingesteld.

Bij brief van 6 september 2001 heeft eiser de gronden van zijn beroep doen aanvullen.

Daarbij is het volgende gevorderd:

"Afsluitend verzoeken wij de rechtbank te beslissen, dat het besluit verzuimregistratie over 1996 tot en met 1999 ten onrechte is genomen en dit besluit te vernietigen. Tevens verzoeken wij de rechtbank de hieruit voortvloeiende nota's afrekening SV correctie 1996 t/m 1999 te beschouwen als zijnde ten onrechte opgelegd."

Bij brief van 3 oktober 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn op 9 oktober 2001 in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Bij brief van 5 mei 2003 heeft de gemachtigde van eiser de rechtbank nog een nadere reactie toegezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 13 mei 2003, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde de heer J.G.M. Linssen, werkzaam bij M&H Adviseurs te Stein. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. P.T. van Arnhem.

II. OVERWEGINGEN.

Per 1 januari 2002 zijn in werking getreden de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wsuwi) en de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (IWsuwi), Stb. 2001/682. Op grond van artikel 9, eerste lid, van laatstgenoemde wet gaan de publiekrechtelijke rechten en verplichtingen van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) en de uitvoeringsinstellingen per die datum over op het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Het tweede lid van voormeld artikel bepaalt dat een door het Lisv genomen besluit geldt als een besluit van het UWV. Ingevolge de artikelen 11 en 12 van diezelfde wet treedt het UWV in de onderhavige procedure als verwerende partij in de plaats van (het bestuur van) het Lisv respectievelijk de uitvoeringsinstellingen.

In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan: de Raad van Bestuur van het UWV.

Eiser oefent sinds 31 mei 1978 onder zijn eigen naam een transportbedrijf uit, aanvankelijk als eenmanszaak, tegenwoordig samen met zijn zoon, die overigens wél in dienstbetrekking tot hem staat. Eiser beschikt daartoe over twee vrachtwagens. Met één ervan verzorgt eisers zoon het transport van goederen over de openbare weg. Met de ander neemt eiser zelf het intern transport op de fabrieksterreinen van de papierfabriek [opdrachtgever] (voorheen: […]) te [plaats] en [plaats] (België) voor zijn rekening. Eiser verricht deze werkzaamheden voor [opdrachtgever], zoals hij zelf ter zitting heeft verklaard al gedurende 14 jaren. Een schriftelijke vastlegging van tussen [opdrachtgever] en eiser geldende afspraken heeft evenwel nimmer plaatsgevonden. De directe aanwijzingen en richtlijnen voor het werk ontving eiser altijd op het fabrieksterrein van een van de medewerkers van [opdrachtgever].

Daar [opdrachtgever] geen verplichte fabriekssluitingen kent, schakelt eiser tijdens zijn eigen vakanties – het gaat dan om maximaal acht à tien dagen per jaar – het bedrijf [vervanger] te [plaats] (hierna: [vervanger]) in. Daartoe wordt door eiser ruimschoots tevoren met [vervanger], die naar eiser heeft verklaard een goede vriend van hem is, contact gezocht, waarna [vervanger] zich gedurende de vakanties van eiser, bij [opdrachtgever] vervoegt om daar het werk van eiser over te nemen. [vervanger] maakt daarbij gebruik van de vrachtauto van eiser. Net als tussen [opdrachtgever] en eiser vindt ook tussen eiser en [vervanger] geen schriftelijke vastlegging plaats van afspraken. Er wordt mondeling een uurvergoeding overeengekomen en voor het overige weet [vervanger] wat er van hem verwacht wordt. [opdrachtgever] is wel altijd ervan op de hoogte als [vervanger] het werk van eiser overneemt en heeft daar op zich ook geen problemen mee, zolang het werk maar naar behoren wordt gedaan.

Blijkens het zich onder de gedingstukken bevindende looncontrole-rapport van de bij verweerder werkzame looninspecteur W. Didriëns, gedagtekend 2 oktober 2000, heeft naar aanleiding van de bevindingen tijdens een onderzoek bij [vervanger], een gerichte controle plaatsgevonden (onder meer) met betrekking tot de vraag of de werkzaamheden van [vervanger] voor eiser gedurende de jaren 1996 tot en met 1999 door eiser als verzekeringsplichtige arbeid is verantwoord.

Bij brief van 13 oktober 2000 heeft verweerder eiser ervan op de hoogte gebracht dat uit vorenbedoeld onderzoek is gebleken dat de werkzaamheden van [vervanger] in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1999 door eiser ten onrechte niet zijn aangemerkt als verzekeringsplichtige arbeid in de zin van de sociale werknemersverzekeringswetten, waardoor, evenzeer ten onrechte, te weinig premies zijn afgedragen. Voor het door [vervanger] in die periode genoten loon en de daardoor ten onrechte niet ingehouden premies heeft verweerder, bij diezelfde brief, eiser het ambtshalve opleggen van correctienota's in het vooruitzicht gesteld. In dat kader heeft verweerder tevens meegedeeld dat ter zake de bevindingen van de looninspecteur geen sprake is van opzet en/of grove schuld, zodat, bij gebreke van een eerder voor registratie in aanmerking komend verzuim, thans registratie achterwege wordt gelaten evenals het opleggen van een boete.

Bij brief van 21 december 2000 heeft verweerder, op het punt van de motivering van het besluit uitdrukkelijk verwijzend naar vermelde brief van 13 oktober 2000, eiser in kennis gesteld van het standpunt dat vanwege het onjuist en/of onvolledig doen van loonopgaven door eiser, thans, en inzoverre afwijkend van de bewoordingen van vermelde brief van 13 oktober, wordt overgegaan tot registratie van een administratief verzuim over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 december 1999. Voorts heeft verweerder over de hier in geding zijnde periode, eiser een viertal correctienota's, gedagtekend 25 december 2000, opgelegd.

Namens eiser is bij brief van 31 januari 2001 tegen het besluit strekkende tot verzuimregistratie bezwaar gemaakt bij verweerder. Bij brief van 2 februari 2001 is voorts, onder verwijzing naar het bezwaarschrift van 31 januari 2001, bezwaar gemaakt tegen de correctienota's.

Ofschoon eiser en haar gemachtigde in de gelegenheid zijn gesteld om op het bezwaar te worden gehoord, is daarvan door hen afgezien. Vervolgens heeft verweerder, bij het bestreden besluit van 19 juni 2001, het bezwaarschrift van eiser dat zich richtte tegen de correctienota's ongegrond verklaard en het bezwaarschrift dat zich richtte tegen de verzuimregistratie als opgenomen in de brief van 21 december 2000, welke brief inzoverre niet langer wordt gehandhaafd, gegrond verklaard.

Verweerder heeft zijn besluit, voor zover daarbij de ambtshalve opgelegde correctienota's in stand zijn gelaten, doen steunen op het standpunt, dat in het geval van [vervanger] sprake is (geweest) van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met eiser in de zin van artikel 3 van de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW) en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke dienstbetrekking een verzekeringsplicht voor die sociale werknemersverzekeringswetten meebrengt.

Met betrekking tot de registratie van het verzuim, heeft verweerder overwogen dat artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, Trb. 1878/177 (IVBPR) dwingt tot een toetsing aan het per 1 januari 2001 in werking getreden Boetebesluit werkgevers Coördinatiewet Sociale Verzekering van 29 mei 2000, Stb.2000, 247, alsmede het Besluit toepassing bestuurlijke boeten Coördinatiewet Sociale Verzekering van 1 november 2000, Stb.2000, 221, en zodanige toetsing, anders dan onder vigeur van de voor 1 januari 2001 geldende regels, geen registratie van het verzuim rechtvaardigt.

Eiser heeft zich met het opleggen van de correctienota's over de hier van belang zijnde jaren niet kunnen verenigen. In beroep is daartoe het bestaan van een als privaatrechtelijke dienstbetrekking te kwalificeren arbeidsverhouding tussen eiser en [vervanger], en dan in het bijzonder het bestaan van een gezagsverhouding, bestreden.

In dit geding dient de rechtbank mitsdien te oordelen over de vraag die partijen op de eerste plaats verdeeld houdt, te weten of [vervanger] ten tijde als hier van belang tot eiser in een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de ZW, de WW en de WAO heeft gestaan en of voor hem terecht op die grond een verzekeringsplicht voor die sociale werknemersverzekeringswetten is aangenomen.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Ingevolge artikel 3 van de ZW, de WAO en de WW is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan 65 jaar, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

Artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) omschrijft de privaatrechtelijke dienstbetrekking (in het BW consequent aangeduid als de arbeidsovereenkomst), als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.

Wil er sprake zijn van arbeidsovereenkomst dan moet derhalve aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

1. de verplichting van de werknemer gedurende zekere tijd arbeid te verrichten ten dienste van de werkgever (verplichting tot persoonlijke dienstverlening);

2. de verplichting van de werkgever loon te betalen (loonbetalingsverplichting); en

3. de werknemer moet in dienst zijn van de werkgever, hij moet hem ondergeschikt zijn; noodzakelijk is derhalve een gezagsverhouding tussen degene die de arbeid opdraagt en degene die de arbeid verricht (gezagsverhouding).

De rechtbank stelt bij de beantwoording van de in dit geding centraal staande vraag naar het al dan niet bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, en de daaruit voortvloeiende verplichte verzekering voor de sociale werknemersverzekeringswetten voorop, dat de grenslijn van de verplichte verzekering, in veel concrete gevallen dikwijls moeilijk is te trekken, omdat niet expliciet een arbeidsovereenkomst als bedoeld in het BW is aangegaan en partijen, althans de aanbieder van het werk, nimmer het oogmerk hebben gehad om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. De rechtbank merkt daarbij tevens op dat blijkens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (zoals CRvB 23 oktober 1997, RSV 1998/31), het al dan niet expliciet aangaan van een arbeidsovereenkomst op zichzelf geen feit van doorslaggevende betekenis vormt, omdat uit het feitencomplex kan blijken dat de elementen gezag, persoonlijke arbeidsverrichting en de verplichting tot loonbetaling, die vereist zijn voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst, aanwezig zijn.

Ter zitting heeft eisers gemachtigde verklaard zich niet zozeer te verzetten tegen de door verweerder aanwezig geachte aspecten persoonlijk arbeid en loon, maar veeleer tegen de gezagsverhouding die tussen eiser en [vervanger] ten tijde als hier van belang zou hebben bestaan. Met verweerder, en naar de rechtbank is gebleken nu ook eiser, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval is voldaan aan de voorwaarde ter zake van de loonbetaling. De uurvergoeding die [vervanger] voor zijn werkzaamheden als vervanger van eiser ontving, kan ook bezwaarlijk anders dan een relevante tegenprestatie/ vergoeding daarvoor worden aangemerkt.

Met betrekking tot de eerste voorwaarde ter zake de persoonlijke arbeidsverrichting overweegt de rechtbank dat ook hieraan is voldaan, nu vast staat dat [vervanger] de werkzaamheden immer zelf heeft verricht en eiser daarvoor ook nooit iemand anders heeft benaderd. Dat is op zichzelf beschouwd ook niet vreemd, nu eiser en [vervanger] vrienden waren en elkaar al een groot aantal jaren kenden. Bovendien stelde eiser telkens wanneer hij met vakantie ging, zijn eigen vrachtwagen aan [vervanger] ter beschikking. Dat alles is naar het oordeel van de rechtbank een indicatie voor het belang dat eiser kennelijk hechtte aan de persoonlijke arbeidsinzet van [vervanger] en dat het hem vooral om [vervanger] te doen was. Daar komt bij dat eiser met de transportwerkzaamheden op de bedrijfsterreinen van [opdrachtgever] een wezenlijk deel van zijn omzet genereerde. Ook om die reden moest eiser ervan op aan kunnen dat de werkzaamheden bij [opdrachtgever] bij zijn afwezigheid naar behoren werden verricht. Die garantie had eiser, zoals hij zelf ter zitting heeft verklaard, wanneer [vervanger] het werk verrichtte en in principe niet bij willekeurige derden.

De vraag die daarmee ter beantwoording overblijft is die naar het bestaan van een gezagsverhouding tussen eiser en [vervanger]. Eiser heeft het bestaan van enigerlei gezagsverhouding tussen hem en [vervanger] krachtig betwist, alleen al vanwege het feit dat van een direct toezicht of het geven van aanwijzingen door eiser geen sprake is en hooguit kan worden gezegd dat enige controle achteraf bestaat. Met verweerder is de rechtbank evenwel van oordeel dat voor het aannemen van werkgeversgezag voldoende is indien, in voorkomend geval, de mogelijkheid bestaat tot het geven van aanwijzingen dan wel het uitoefenen van controle/ toezicht, waar dan tegenover staat de gehoudenheid van de ander om daaraan gevolg te geven en zich daaraan te onderwerpen. Niet persé noodzakelijk is dat opdrachten en aanwijzingen ook daadwerkelijk worden gegeven en het is dan ook goed voorstelbaar dat werkzaamheden in een grote mate van vrijheid kunnen worden uitgeoefend, zonder dat het uitoefenen van gezag zich op enigerlei wijze doet gevoelen.

Met verweerder is de rechtbank verder van oordeel dat de omstandigheden van het onderhavige geval de conclusie kunnen wettigen dat sprake was van werkgeversgezag tussen eiser en [vervanger], telkens als laatstgenoemde voor eiser transportwerkzaamheden op het terrein van [opdrachtgever] verrichtte. De rechtbank laat daarbij zwaar wegen dat eiser een groot belang had bij een behoorlijke uitvoering van de tijdens zijn vakantie door [vervanger] te verrichten werkzaamheden, die immers het meest wezenlijke onderdeel van zijn bedrijfsvoering uitmaakten. In een commerciële markt ligt het dan voor de hand dat eiser, wilde hij niet het gevaar lopen dat [opdrachtgever] voortaan met anderen in zee zou gaan, zich vooraf zoveel mogelijk ervan vergewist dat de continuïteit en de kwaliteit van de werkzaamheden is gewaarborgd, indien hij daartoe zelf, vanwege vakantie of anderszins, niet in staat is. Dat doet tevens vermoeden dat [vervanger], toen hij eiser voor de eerste keer verving, niet geheel zonder instructies van de kant van eiser moet zijn geweest. Het mag dan zo zijn dat tegenwoordig, zoals eiser stelt, van direct toezicht op het werk van [vervanger] geen sprake (meer) is, en dat [vervanger] een grote mate van vrijheid van handelen heeft, maar dat ligt in verband met de aard en inhoud van de werkzaamheden waarvoor [vervanger] eiser verving eigenlijk ook voor de hand. Bovendien vonden de werkzaamheden van [vervanger], zonder uitzondering, plaats gedurende de perioden dat eiser met vakantie was. Bij de huidige stand van de jurisprudentie kunnen deze omstandigheden op zichzelf beschouwd echter niet tot de conclusie leiden dat reeds daarom geen sprake kan zijn van een gezagsverhouding.

Voorts acht de rechtbank in verband met het bestaan van een gezagsverhouding van belang dat indien [vervanger] eenmaal had toegezegd dat hij de werkzaamheden van eiser zou overnemen, het hem niet vrij stond om, zonder voor consequenties van de zijde van eiser te hoeven vrezen, te komen en te gaan wanneer het hem goed docht. Het belang dat eiser heeft om bij [opdrachtgever] het interne transport te kunnen (blijven) verrichten, is daarvoor veel te groot. Dat neemt overigens niet weg – en is evenmin op voorhand onverenigbaar met het bestaan van werkgeversgezag met eiser – dat [vervanger] tijdens zijn werkzaamheden ook instructies van de kant van [opdrachtgever] zal hebben ontvangen. Ten slotte acht de rechtbank nog van belang dat [vervanger] in zekere zin van eiser afhankelijk was. [vervanger] zelf beschikte immers enkel over een landrover en was voor het verrichten van de werkzaamheden bij [opdrachtgever] aangewezen op de vrachtwagen van eiser, waarover eiser bij zijn afwezigheid [vervanger] de beschikking liet. Daaraan doet niet af dat de omzet van [vervanger] uit deze werkzaamheden geen hoger percentage dan 1 à 2 % van de totale omzet van [vervanger] vertegenwoordigde en van een afhankelijkheidsrelatie in economisch opzicht dus niet echt sprake was. Met betrekking tot de in dit verband aangevoerde stelling van eiser dat [vervanger] door de Belastingdienst als zelfstandige wordt aangemerkt en uit dien hoofde in het bezit is van een zgn. VAR-WUO verklaring, overweegt de rechtbank dat aan de omstandigheid dat een betrokkene als zelfstandige werkzaam is, niet behoeft uit te sluiten dat daarnaast werkzaamheden in privaatrechtelijke dienstbetrekking worden verricht. Voor de juistheid van deze stelling vindt de rechtbank overigens steun in vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, laatstelijk Centrale Raad van Beroep 12 december 2002, RSV 2003/ 26.

Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat tussen eiser en [vervanger], telkens wanneer laatstgenoemde eiser tijdens diens afwezigheid verving, een (mondelinge) overeenkomst tot stand is gekomen waarin alle aan het bestaan van een arbeidsovereenkomst in de zin van het BW kenmerkende elementen, in meerdere of mindere mate zijn terug te vinden. Verweerder heeft dan ook niet ten onrechte geoordeeld dat ten tijde als hier van belang een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen eiser en [vervanger] heeft bestaan, die een verplichte verzekering voor de sociale werknemersverzekeringswetten meebracht, waarvoor door eiser ten onrechte geen premies ingevolge die wetten zijn afgedragen. Al wat door eiser in dit verband overigens nog ter sprake is gebracht, kan de rechtbank niet tot een andere gevolgtrekking brengen.

Waar in dit geding de hoogte van het door [vervanger] genoten loon tussen partijen niet tot een punt van geschil is gemaakt, ziet de rechtbank niet in dat verweerder daar bij het opleggen van de correctienota's over de in geding zijnde jaren 1996, 1997, 1998 en 1999 niet van had mogen uitgaan. Nu de rechtbank ook overigens niet is gebleken dat het bestreden besluit, voor zover daarbij de correctienota's in stand zijn gelaten en het daartegen ingestelde bezwaar ongegrond is verklaard, in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, moet het beroep van eiser in zoverre voor ongegrond worden gehouden.

Eiser heeft blijkens het namens hem ingediend aanvullend beroepschrift tevens gevorderd te bepalen dat het besluit strekkende tot registratie van een verzuim over de hier van belang zijnde periode ten onrechte is genomen. De rechtbank verstaat dat verzoek aldus, dat eiser het bestreden besluit (ook) vernietigd wenst te zien voor zover daarbij door verweerder is beslist het bezwaarschrift van eiser dat zich richt tegen de verzuimregistratie als opgenomen in meervermelde brief van 21 december 2000, gegrond te verklaren. Nu uit het bestreden besluit ondubbelzinnig blijkt dat verweerder de verzuimregistratie als aangekondigd in de bewuste brief van 21 december 2000 niet langer handhaaft, staat daarmee naar het oordeel van de rechtbank tevens vast dat aan de bezwaren van eiser, voor zover die zich daartegen richtten, volledig is tegemoet gekomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser bovendien bevestigd tegen de bestreden beslissing, voor zover daarbij de bezwaren tegen de verzuimregistratie gegrond zijn verklaard, geen bezwaren (meer) te hebben. Van een geschil tussen partijen is in zoverre dan ook geen sprake meer en voor de rechtbank is in het kader van de Awb dan geen rol meer weggelegd.

Van enig ander in rechte te honoreren (processueel) belang is de rechtbank niet gebleken, zodat het beroep van eiser, gericht tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij is beslist het bezwaarschrift tegen de verzuimregistratie gegrond te verklaren, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij is beslist het bezwaar gericht tegen de verzuimregistratie als opgenomen in de beslissing van

21 december 2000, gegrond te verklaren;

2. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.L.G. Geisel in tegenwoordigheid van mr. C. Schrammen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2003 door mr. Geisel voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Schrammen w.g. Geisel

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 4 juni 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.