Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF9086

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-05-2003
Datum publicatie
22-05-2003
Zaaknummer
AWB 03 / 652 BESLU VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 03 / 652 BESLU VV

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

1) [verzoekster] VOF, gevestigd te Kerkrade,

2) [verzoeker], wonende te Kerkrade, verzoekers,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Kerkrade, gevestigd te Kerkrade, verweerder.

Datum bestreden besluit: 7 mei 2003.

Kenmerk: 031600383.

Behandeling ter zitting: 14 mei 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 7 mei 2003 is namens verweerder besloten dat wordt overgegaan tot het tijdelijk afsluiten van een aantal straten en tot een tijdelijke opheffing van een parkeerverbod aan de Zuidwestzijde van de [A]straat in verband met de voorjaarskermis te Kerkrade-Centrum in de periode dinsdag 13 mei 2003 tot en met woensdag 21 mei 2003.

Tegen dit besluit is op 8 mei 2003 een bezwaarschrift ingediend bij verweerder.

Bij schrijven van 11 mei 2003 is tevens de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht terzake van het besluit van 7 mei 2003 een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, te treffen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan verzoekers gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank op 14 mei 2003, alwaar [verzoeker] in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegen-woordigen door de heren W.E.J.G.M. van der Voort en P.J. Koekkoek, ambtenaren van verweerders gemeente.

II. OVERWEGINGEN.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

Ter zitting is van de zijde van verweerder aangevoerd dat verzoekers geen belanghebbende zijn in de zin van de Awb, nu zij door het bestreden besluit niet rechtstreeks in hun belang worden getroffen.

De voorzieningenrechter ziet geen beletselen verzoeker sub 2 in zijn verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Uit het verhandelde ter zitting is de voorzieningenrechter namelijk gebleken dat verzoeker sub 2 woonachtig is in de [B]straat, zijnde een straat die door het onderhavige bestreden besluit kan worden afgesloten. Nu verzoeker sub 2 woont (en werkt) in de directe omgeving van het onderwerp van het besluit, is hij rechtstreeks in zijn belangen getroffen. Of verzoekster sub 1, de vennootschap onder firma, voldoende belang heeft, kan in het kader van deze voorziening in het midden blijven. Ook het feit dat verzoekers eigenlijk opkomen tegen het afsluiten van de [C]straat, is van geen invloed op het belanghebbende-begrip.

Voorts acht de voorzieningenrechter ook de onverwijlde spoed in genoegzame mate aangetoond.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoekers een bepaald spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat zij zonder enig nadeel een beslissing op bezwaar kunnen afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit in een eventuele hoofdzaak zou kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

Verzoekster sub 1, waarvan verzoeker sub 2 vennoot is, exploiteert een ijzerhandel en slotenwinkel op [adres] te Kerkrade. Verzoekster sub 1 is tevens een serviceverlenend bedrijf, hetgeen wil zeggen dat haar werknemers (waaronder verzoeker sub 2) met de auto naar klanten moet gaan.

Verweerders gemeente organiseert ieder jaar een voorjaarskermis. In het jaar 2000 heeft verweerder besloten over te gaan tot een opwaardering van de kermis in Kerkrade-Centrum, welke opwaardering bestaat uit uitbreiding van het aantal kermisdagen alsmede een uitbreiding van het aantal terreinen waarop de kermis wordt gehouden. Zo zijn - verspreid over de stad - als kermisterreinen aangewezen de Markt, het Old Hickoryplein, een gedeelte van de [B]straat, het parkeerterrein tussen de St. Lambertuskerk en de Hamboskliniek, alsook het voorterrein behorende tot het [naam inrichting] aan de [C]straat en een gedeelte van de [C]straat zelf.

Verweerder heeft vervolgens het thans bestreden besluit genomen, zoals vermeld in rubriek I. Daarbij heeft verweerder het volgende aangegeven:

"dat de verwachting is, dat deze kermis veel meer bezoekers trekt dan in de afgelopen jaren, terwijl door de uitbreiding van het aantal kermisterreinen de bezoekersstromen naar en van de diverse terreinen eveneens zullen toenemen;

dat het daarom wenselijk is dat gedurende bepaalde dagen en tijden een aantal straten tijdelijk wordt afgesloten voor alle verkeer behalve voetgangers om zodoende de veiligheid van de voetgangers te waarborgen;

dat het tevens noodzakelijk is om in de [A]straat over te gaan tot het laten parkeren van voertuigen half op de rijbaan en half op het trottoir c.q. berm;"

Dit verkeersbesluit is gepubliceerd in "de Zuid-Limburger" van 7 mei 2003. Daarbij is aangegeven dat binnen zes weken na de datum van deze bekendmaking een bezwaarschrift tegen dit besluit kan worden ingediend.

Op 8 mei 2003 is een bezwaarschrift ingediend, alsook op 11 mei 2003 een verzoek om een voorlopig voorziening aangevraagd bij de voorzieningenrechter. Verzoekers hebben in bezwaar gesteld dat door de afsluiting van de [C]straat, zijnde een vitale verkeersader van en naar het centrum, de bereikbaarheid van het centrum en een zevental parkeerplaatsen is verminderd. Verweerder heeft bovendien naar het oordeel van verzoekers de omleidingsborden niet goed geplaatst. Verzoekers stellen vervolgens dat de verminderde bereikbaarheid merkbaar is in de winkel. Daarnaast ondervinden verzoekers door de afsluiting van - met name de [C]straat - langere rijtijden van en naar hun klanten toe, hetgeen (negatief) van invloed is op het uurtarief, waarin de rijtijd is verdisconteerd. Verzoekers zijn voorts van oordeel dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door van tevoren niet in overleg te treden met de Kerkraadse ondernemersvereniging. Bovendien heeft verzoeker sub 2 zelf in het verleden meerdere malen opmerkingen gemaakt tegenover ambtenaren van verweerders gemeente over de opzet van de kermis, over alternatieve lokaties en het feit dat de [C]straat van groot belang is voor de verkeersafwikkeling van het centrum. Verzoekers stellen vervolgens vast dat er geen evaluatie heeft plaatsgevonden na de vorige kermissen en het verslag van het verkeersteam dateert uit het jaar 2002.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot het verzekeren van de veiligheid op de weg.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de WVW 1994 geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens en onderborden of aanduidingen, voorzover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer, krachtens een verkeersbesluit, indien de maatregelen leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

Ingevolge artikel 18, derde lid, van de WVW 1994 worden bij algemene maatregel van bestuur regels vastgesteld omtrent de eisen waaraan verkeersbesluiten dienen te voldoen alsmede omtrent de totstandkoming en de inwerkingtreding van die besluiten. Hieraan is in de artikelen 21 en 23 tot en met 27 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (verder te noemen: BABW) gevolg gegeven.

Ingevolge artikel 21 van het BABW vermeldt de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Daarbij wordt aangegeven welke van de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 genoemde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere dan de in artikel 2, eerste en tweede lid, van de WVW 1994 in het geding zijn, wordt voorts aangegeven op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

Ingevolge artikel 24 van het BABW worden verkeersbesluiten als in de onderhavige zaak genomen na overleg met de korpschef van het betrokken regionale politiekorps.

Krachtens artikel 12 van het BABW dient plaatsing of verwijdering van de borden die zijn opgenomen in de hoofdstukken A tot en met G van bijlage 1, behorende bij het RVV 1990, te geschieden bij verkeersbesluit.

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat het kader waarbinnen een verkeersbesluit moet worden genomen en beoordeeld, is gegeven in het hiervoor genoemde artikel 21 van het BABW in samenhang met artikel 2 van de WVW 1994. De bevoegdheid om verkeersbesluiten te nemen is er een met ruime beoordelingsmarges en het is aan het daartoe bevoegde orgaan om de belangen die bij het al dan niet nemen van een verkeersbesluit zijn betrokken tegen elkaar af te wegen. De voorzieningenrechter dient dan ook te toetsen of sprake is van een zodanige onevenwichtigheid in de afweging van de belangen, dat moet worden geoordeeld dat het college niet in redelijkheid tot het verkeersbesluit heeft kunnen komen.

Uit het bestreden besluit blijkt dat deze tijdelijke verkeersmaatregelen zijn genomen - kort samengevat - in het kader van het waarborgen van de verkeersveiligheid van de bezoekers van de kermis in en rondom de kermislokaties in het centrum van Kerkrade. Het besluit kan dan ook geacht worden te strekken tot de in artikel 2 van de WVW 1994 genoemde belangen en er is voldaan aan artikel 21 van de BABW.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet met vrucht kan worden staande gehouden dat verweerder hier, gegeven de hem toekomende ruime beoordelingsmarge, niet in redelijkheid tot het bewuste verkeersbesluit heeft kunnen komen. Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat de betrokken verkeersmaatregelen ertoe strekken dat de verkeersveiligheid ter plaatse tijdens de kermis wordt bevorderd. Gebleken is voorts dat verzoekers winkel nog steeds bereikbaar is voor hun klanten alsook de rest van het centrum van Kerkrade, waarbij zij opgemerkt dat ook voldoende parkeergelegenheid aanwezig is in het centrum van Kerkrade. Verweerder heeft zelfs het parkeerverbod in de [A]straat tijdelijk opgeheven, waardoor nog eens extra parkeergelegenheid wordt gecreëerd. Verweerder heeft bovendien voldoende maatregelen genomen om weggebruikers in het verkeer middels verkeersborden om te leiden richting centrum van de stad. Ook zijn de verkeerslichten aangepast om de doorstroming van het verkeer te vergroten. Daarnaast is de voorzieningenrechter gebleken dat de afgesloten straten toegankelijk blijven voor het bestemmingsverkeer.

Gelet op het vorenstaande, heeft verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de belangen, die met het verkeersbesluit worden gediend, kunnen laten prevaleren boven de belangen van verzoekers.

Hetgeen van de zijde van verzoekers hiertoe is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Het feit dat de verkeersdrukte op de overige toegangswegen naar het centrum tijdelijk is toegenomen, acht de voorzieningenrechter een belang van ondergeschikte aard.

Het betoog van verzoekers dat er na de vorige kermissen geen evaluatie heeft plaatsgevonden over de genomen verkeersmaatregelen en er in de besluitvorming ook geen rekening is gehouden met de door verzoekers aangevoerde kritiek tegen deze maatregelen, slaagt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet.

Ter zitting is gebleken dat er wel een evaluatie heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de vorige kermis, maar dat dit is besproken in een informele bijeenkomst waarvan geen verslag is gemaakt. Volgens verweerder is naar aanleiding van deze evaluatie de conclusie getrokken dat de getroffen verkeersmaatregelen met betrekking tot de kermis goed hebben gefunctioneerd op de omleidingsborden na. Ter zitting is de voorzieningenrechter gebleken dat de marktmeesters naar aanleiding van deze evaluatie een draaiboek hebben gemaakt waarin de omleidingsroutes nauwkeurig staan vermeld. In dit draaiboek zijn alle ervaringen uit het verleden verwerkt.

Gelet op het bepaalde in artikel 24 van het BABW en het feit dat verweerder de verkeersmaatregelen op kleine onderdelen heeft aangepast in vergelijking met voorafgaande jaren, is de voorzieningenrechter met verzoekers van oordeel dat verweerder niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing in het bestreden besluit naar het verslag van de gemeentelijke Werkgroep Verkeer van 16 mei 2002. Het had naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van verweerder gelegen om de getroffen maatregelen aan de Werkgroep Verkeer voor te leggen. Hierin kan evenwel in het onderhavige geval geen grond worden gevonden voor het treffen van een voorlopige voorziening: het bestreden besluit is immers in de praktijk zorgvuldig voorbereid middels het hiervoor genoemde draaiboek.

Voor wat betreft verzoekers grief dat niet is ingegaan op de alternatieven die zijn aangedragen door hun, merkt de voorzieningenrechter op dat deze grief ook niet kan leiden tot het door verzoekers gewenste resultaat. Het moet bepaaldelijk niet uitgesloten worden geacht dat verweerder bij zijn heroverweging van het bestreden besluit, als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb, dit motiveringsgebrek nog kan herstellen.

Gelet op het bovenstaande, ziet de voorzieningenrechter voorts aanleiding om gebruik te maken van de haar in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb gegeven bevoegdheid en verweerder te gelasten het betaalde griffierecht aan verzoekers te (doen) vergoeden.

Op grond van de artikelen 8:82 en 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- bepaalt dat aan verzoekers het door hun betaalde griffierecht ten bedrage van € 232,00 wordt vergoedt door de gemeente Kerkrade.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. D.H.J. Laeven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2003 door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. D. Laeven w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 22 mei 2003

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.