Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF9065

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-05-2003
Datum publicatie
22-05-2003
Zaaknummer
69199 - HA ZA 01-923
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 21 mei 2003

Zaaknummer : 69199 / HA ZA 01-923

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

de naamloze vennootschap DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING NV,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

procureur mr. J.J.M. Goumans;

tegen:

[De heer / Mevrouw S. ],

wonende te Heerlen,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,,

procureur mr. F.G.H.J. Niemarkt.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, hierna te noemen "Delta Lloyd", heeft bij naar de dagvaarding verwijzende conclusie van eis gesteld en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding.

Gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna te noemen "[Partij S. ]", heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord in conventie en geconcludeerd voor eis in reconventie.

Delta Lloyd heeft daarop geantwoord in reconventie, zulks onder overlegging van één productie.

Op de voet van artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) is een comparitie na antwoord gelast, welke op 18 februari 2002 heeft plaatsgevonden. Bij akte van 16 mei 2002 zijn door [Partij S. ] stukken overgelegd ten behoeve van de voortzetting van de comparitie, welke heeft plaatsgevonden op 25 november 2002. Van het verhandelde ter comparitie van 18 februari 2002 en ter comparitie van 25 november 2002 zijn processen-verbaal opgemaakt, die zich bij de stukken bevinden.

Ter rolle van 12 december 2002 heeft Delta Lloyd, onder overlegging van producties, een akte houdende vermeerdering van eis in conventie genomen, waarna [Partij S. ] - eveneens ter rolle van 12 december 2002 - een akte uitlating na vermeerdering van eis in conventie heeft genomen.

Ten slotte heeft de rechtbank ambtshalve vonnis bepaald op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

In conventie en in reconventie:

Tussen partijen staat vast, dat op 13 maart 1998 [Partij S. ] op de Beersdalweg te Heerlen ter hoogte van het viaduct N281 met een personenauto, Opel Record, kenteken [XX-XX-XX], (hierna te noemen: "de auto") een aanrijding heeft gehad met een andere personenauto (Honda Civic, kenteken [YY-YY-YY]).

Delta Lloyd heeft voorts - zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang - het volgende gesteld.

[Partij S. ] is met de hem in eigendom toebehorende auto achter op de stilstaande Honda gereden.

De Honda liep door die aanrijding schade op en de bestuurder daarvan ernstig letsel, te weten nek- en rugklachten.

Door de aanrijding is schade ontstaan ten bedrage van, na vermeerdering van eis, tenminste € 10.533,75 (fl. 15.297,97 = € 6.941,92 + € 3.591,83).

Er is nog geen sprake van een medische eindtoestand zodat de door de bestuurder van de Honda geleden schade nog niet definitief kan worden vastgesteld.

[Partij S. ] had op het moment van de aanrijding verzuimd een verzekering af te sluiten voor de Opel Record, ondanks zijn wettelijke verplichting daartoe.

Zij (Delta Lloyd) liep krachtens de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) nog het zgn. na-risico voor de auto en was als gevolg daarvan gehouden de benadeelde schadeloos te stellen.

Zodoende heeft zij op grond van de WAM benadeelde tot een bedrag van € 10.533,75 schadeloos gesteld.

Zij is ex artikel 15 WAM gerechtigd het door haar aan benadeelde uitgekeerde schade-bedrag op [Partij S. ] te verhalen nu de schade niet door de met haar gesloten verzekering was gedekt.

Ondanks aanmaningen, waarbij [Partij S. ] de wettelijke rente is aangezegd met ingang van 3 oktober 2000, is [Partij S. ] met betaling in gebreke gebleven.

Zij heeft haar vordering ter incasso in handen gesteld van haar gemachtigde.

De kosten van de werkzaamheden van haar gemachtigde ter hoogte van € 976,77 komen op grond van artikel 6:96, lid 2 sub c, Burgerlijk Wetboek (BW) voor rekening van [Partij S. ].

Delta Lloyd heeft op grond van het vorenstaande in conventie gevorderd bij vonnis, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [Partij S. ] te veroordelen om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

- een bedrag van € 11.510,52,

- de wettelijke rente over € 6.941,92 vanaf 4 oktober 2000 tot aan de dag der algehele voldoening;

het een en ander met veroordeling van [Partij S. ] in de kosten van de procedure.

De vordering wordt door [Partij S. ] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord in conventie.

[Partij S. ] heeft voorts - zakelijk weergegeven en voor zover ten deze van belang - het volgende gesteld.

De auto behoorde ten tijde van de aanrijding niet aan hem in eigendom toe, maar aan de familie [S.].

Hij zou de auto voor de eigenaar technisch in orde maken en vervolgens verkopen: een koper was reeds gevonden in de persoon van een zekere [B.S. ].

Die koper zou de auto afnemen op het moment dat die technisch in orde was: de auto zou op zaterdag 14 maart 1998 worden afgenomen.

Omdat de eigenaar zo spoedig mogelijk in het bezit van een vrijwaringsbewijs wilde komen werd besloten om het kenteken van de auto voor de duur van een aantal dagen op zijn ([Partij S. ]'s) naam te zetten, hetgeen is gebeurd.

Op 13 maart 1998 vond de aanrijding plaats, op dat moment stond het kenteken van de auto pas enkele dagen op zijn naam.

Hij had de auto niet verzekerd omdat hij er van uit ging dat - conform de afspraak met de eigenaar - de eigenaar de auto verzekerd zou houden totdat de auto daadwerkelijk verkocht en geleverd was.

Hij realiseerde zich niet dat de auto wellicht niet verzekerd zou zijn.

De eigenaar heeft ook pas een week na het ongeval de verzekering daadwerkelijk opgezegd, omdat deze er van uit ging nog steeds eigenaar van de auto te zijn.

Hij heeft aanvankelijk aan betalingsverzoeken van Delta Lloyd voldaan, omdat hij aanvankelijk in de veronderstelling was dat Delta Lloyd met recht de schade op hem trachtte te verhalen.

Delta Lloyd baseerde zich bij het verhaal op hem expliciet op artikel 15 WAM.

Dit artikel stelt echter buiten twijfel dat geen verhaal kan plaatsvinden indien de aansprakelijke persoon, niet zijnde de verzekeringnemer, te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering gedekt was.

De bewijslast ten aanzien van die goede trouw ligt - gelet op de tekst van dat artikel - bij Delta Lloyd, die het bewijs moet leveren ten aanzien van het ontbreken van de goede trouw bij hem.

Gelet op het vorenstaande is hij van oordeel dat er voor de door hem geleverde prestatie (de door hem gedane betalingen) geen rechtsgrond bestond.

Er is dus sprake van één of meer onverschuldigde betalingen ex artikel 6: 203 BW.

Hij heeft in totaal reeds een bedrag van € 6.176,97 aan Delta Lloyd betaald.

Op grond van het vorenstaande dient Delta Lloyd veroordeeld te worden tot terugbetaling aan hem van al hetgeen hij reeds ter zake van de onderhavige aanrijding aan Delta Lloyd heeft betaald.

[Partij S. ] heeft op grond van het vorenstaande in reconventie gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Delta Lloyd te veroordelen om aan hem tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

- een bedrag van € 6.176,97,

- de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 13 december 2001, althans vanaf de dag der uitspraak, tot aan de dag der algehele voldoening;

het een en ander met veroordeling van Delta Lloyd in de kosten van de procedure.

De vordering wordt door Delta Lloyd weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord in reconventie.

3. Beoordeling

In conventie en in reconventie:

De discussie tussen partijen spitst zich - zowel in conventie als in reconventie - feitelijk toe op de vraag of [Partij S. ] te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid door een verzekering was gedekt.

[Partij S. ] heeft gesteld dat de bewijslast op dit punt op Delta Lloyd rust, gelet op de bewoordingen van artikel 15 WAM ("tenzij hij niet te goeder trouw mocht aannemen..…").

De rechtbank deelt die mening echter niet, gelet op de navolgende punten:

- [Partij S. ] heeft erkend dat het kenteken van de auto op zijn naam stond ten tijde van de aanrijding;

- Uit de door Delta Lloyd -als productie 1 bij conclusie van antwoord in reconventie- overgelegde kopie van een op 21 februari 1998 door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) afgegeven vrijwaringsbewijs blijkt dat voor de auto met kenteken [XX-XX-XX] op 21 februari 1998 een nieuw deel II is afgegeven;

- Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft Delta Lloyd onweersproken gesteld dat blijkens een bericht van de RDW het kenteken van de auto reeds op 21 februari 1998 ten name van [Partij S. ] was gesteld, en dat [Partij S. ] met ingang van 21 februari 1998 t/m 23 mei 1998 als eigenaar van het voertuig geregistreerd stond bij de RDW;

- Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft Delta Lloyd eveneens onweersproken gesteld dat de verzekeringsovereenkomst bij Delta Lloyd met ingang van 22 februari 1998 door de verzekerde van Delta Lloyd was geschorst;

Gelet op het hiervoor vermelde moet het er vooralsnog voor worden gehouden dat [Partij S. ] ten tijde van de aanrijding de bezitter van de auto was en - in elk geval - de kentekenhouder daarvan was. Gelet op het bepaalde in artikel 2, lid 1, WAM zijn de bezitter en degene aan wie het kenteken voor een motorrijtuig is opgegeven verplicht voor dat motorrijtuig een verzekering te sluiten en in stand te houden in de in dat artikel en lid genoemde gevallen. Op [Partij S. ] rustte derhalve de plicht voor de auto een verzekering te sluiten.

Op grond van de hiervoor vermelde omstandigheden rust naar het oordeel van de rechtbank op [Partij S. ] de bewijslast dat hij te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid nog door de verzekering bij Delta Lloyd was gedekt.

De rechtbank zal [Partij S. ] - gelet zijn bewijsaanbod - tot dat bewijs toelaten.

In afwachting van de bewijslevering houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

3. De uitspraak

De rechtbank:

In conventie en in reconventie:

laat [Partij S. ] toe om door alle middelen rechtens, allereerst door middel van getuigen, te bewijzen dat hij te goeder trouw mocht aannemen dat zijn aansprakelijkheid ten aanzien van de auto met het kenteken [XX-XX-XX] op 13 maart 1998 nog door de verzekering bij Delta Lloyd was gedekt;

bepaalt dat het getuigenverhoor zal worden gehouden in het gerechtsgebouw te Maastricht aan het St. Annadal 1 op een datum en tijdstip als door de rechtbank zal worden bepaald, nadat [Partij S. ] bij akte heeft opgegeven of getuigen zullen worden voorgebracht, in dat geval onder opgave van het aantal en - zo mogelijk - de personalia van de getuigen;

verwijst de zaak naar de rol van 25 juni 2003 met peremptoirstelling voor akte houdende opgave getuigen aan de zijde van [Partij S. ], alsmede voor akte houdende verhinderdata in de eerste vier maanden vanaf de datum van opgave aan de zijde van beide partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan;

Dit vonnis is gewezen door mr. Huinen, coördinerend vice-president, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

PZ