Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF8516

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-05-2003
Datum publicatie
03-07-2003
Zaaknummer
AWB 02/1331 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verweerder aan eiser bericht dat hij -eiser– niet in aanmerking komt voor een uitkering uit hoofde van het Uitkeringsreglement Maror-gelden, omdat zijn vader niet in Nederland woonachtig was tijdens de periode van de Tweede Wereldoorlog en eiser derhalve niet voldoet aan de eisen die gesteld worden aan een plaatsvervanger zoals geformuleerd in het Uitkeringsreglement.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 02 / 1331 BESLU

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

en

Het bestuur van de Stichting Maror-gelden Overheid, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 27 augustus 2002.

Kenmerk: Maror/FvM/201/bg/364.

Behandeling ter zitting: 11 april 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 27 augustus 2002 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser tegen zijn –verweerders– besluit van 19 februari 2002 ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij schrijven van 1 september 2002 bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 27 augustus 2002.

Namens verweerder is bij schrijven van 11 oktober 2002 een verweerschrift ingediend. Dat verweerschrift en de zijdens verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eiser gezonden.

De in de loop van het geding over en weer door partijen ingezonden stukken zijn –eveneens– in kopie aan de betreffende tegenpartij gezonden.

De inhoud van de gedingstukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 april 2003, alwaar eiser in persoon is verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. S. Verhage, advocate te Den Haag. Voorts was zijdens verweerder aanwezig: dhr. F. van Manen, secretaris van de, aan de zijde van verweerder ingestelde, bezwarencommissie.

II. OVERWEGINGEN.

Voorgeschiedenis:

Op verzoek van de Nederlandse regering is vanaf 1997 door vijf onafhankelijke commissies onderzoek gedaan naar de zogenaamde ‘Tegoeden Tweede Wereldoorlog’. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen van deze commissies kwamen aan het begin van 2000 beschikbaar. Een van de hoofdaanbevelingen vormde een oproep aan de regering om een bedrag ter beschikking te stellen ten behoeve van de Joodse Gemeenschap.

De regering heeft op vorenbedoelde conclusies en hoofdaanbevelingen gereageerd en een bedrag beschikbaar gesteld dat bedoeld is om finaal recht te doen aan de kritiek op de bejegening van de betrokken vervolgingsslachtoffers in het rechtsherstel en de gevolgen die dat heeft gehad voor hun verder bestaan.

Het door de regering ter beschikking gestelde bedrag bedraagt –in totaal– 350 miljoen gulden, welk bedrag is bestemd voor uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen en voor individuele uitkeringen.

De verdeling van de individuele uitkeringen is voorbereid door een werkgroep. Een commissie uit die werkgroep heeft de uitgangspunten geschetst voor voornoemde verdeling en die van de projectgelden.

Ten behoeve van het beheer en de verdeling van de door de regering beschikbaar gestelde gelden is de Stichting Maror-gelden Overheid opgericht. Het bestuur van die stichting (verweerder) heeft de regels voor de bepaling van aanspraken op een individuele uitkering neergelegd in het ‘Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Maror-gelden Overheid’ (hierna te noemen: het Uitkeringsreglement).

De Stichting Maror-gelden Overheid wordt bij de coördinatie en verwerking van aanvragen voor een individuele uitkering bijgestaan door het Bureau Maror-gelden.

Het, voor deze zaak relevante, wettelijk kader:

Artikel 3, tweede lid, van het Uitkeringsreglement bepaalt dat een aanvrager die stelt plaatsvervanger te zijn recht heeft op een (deel)unit indien hij/zij ten tijde van de indiening van de aanvraag nog in leven is en voldoet aan de criteria genoemd in artikel 1 sub h en naar het oordeel van het bestuur van de Stichting voldoende aannemelijk maakt dat de persoon van wie hij/zij stelt plaatsvervanger te zijn voldoet aan de criteria genoemd in artikel 2.

Ingevolge artikel 1, onder h, van het Uitkeringsreglement wordt onder ‘plaatsvervanger(s)’ verstaan: de nog in leven zijnde weduwe of weduwnaar en kinderen van die belanghebbende, die is overleden voordat hij/zij een aanvraag heeft ingediend, voorzover de weduwe of weduwnaar en/of de kinderen zelf geen belanghebbende in de zin van artikel 2 van dit reglement zijn.

In artikel 1, onder i, van het Uitkeringsreglement is bepaald dat onder ‘kinderen’ wordt verstaan: degenen die volgens de Nederlandse wetgeving als kinderen worden aangemerkt, alsmede pleegkinderen als omschreven in artikel 24, tweede lid, letter a, van de Successiewet.

In artikel 1, onder k, van het Uitkeringsreglement wordt het begrip ‘unit’ gedefinieerd als een uitkering ten laste van het uitdelingsvermogen individuele uitkeringen, waarvan de hoogte wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van het Uitkeringsreglement. De hoogte van een unit is, blijkens laatstgenoemd artikel, onder andere afhankelijk van het aantal aanvragen en de hoogte van het uitdelingsvermogen individuele uitkeringen.

Een ‘deelunit’ is, blijkens artikel 1, onder l, van het Uitkeringsreglement het evenredige gedeelte van een unit waarop een plaatsvervanger die een unit met (een) andere plaatsvervanger(s) dient te delen, recht heeft.

Artikel 2 van het Uitkeringsreglement bepaalt dat als ‘belanghebbenden’ in de zin van het Uitkeringsreglement worden beschouwd:

a) de natuurlijke personen, geboren vóór 8 mei 1945 uit tenminste één Joodse ouder en twee Joodse grootouders aan de kant van de betreffende ouder, alsmede

b) de natuurlijke personen, geboren vóór 8 mei 1945, die wegens hun Joods-zijn in of vanuit Nederland zijn vervolgd dan wel beroofd,

voorzover deze onder a) en b) bedoelde personen gedurende de periode van de Tweede Wereldoorlog enige tijd woonplaats binnen het Koninkrijk in Nederland hadden en op 8 mei 1945 nog in leven waren.

Onder ‘de periode van de Tweede Wereldoorlog’ wordt blijkens artikel 1, onder j, van het Uitkeringsreglement verstaan: de periode van 10 mei 1940 tot 8 mei 1945.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Uitkeringsreglement kunnen belanghebbenden respectievelijk hun plaatsvervangers bij het Bureau Maror-gelden middels een daartoe opgesteld aanvraagformulier een aanvraag indienen voor een (deel)unit.

Artikel 6 van het Uitkeringsreglement bevat een hardheidsclausule, inhoudende dat verweerder in bijzondere gevallen tegemoet kan komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich naar zijn oordeel bij toepassing van deze regeling mochten voordoen.

Feiten en omstandigheden in deze zaak:

Eiser heeft bij het Bureau Maror-gelden een aanvraagformulier als genoemd in artikel 7, eerste lid, van het Uitkeringsreglement ingediend. Blijkens dat formulier treedt eiser op als plaatsvervanger van zijn vader.

Bij besluit van 19 februari 2002 heeft verweerder aan eiser bericht dat hij -eiser– niet in aanmerking komt voor een uitkering uit hoofde van het Uitkeringsreglement, omdat zijn vader niet in Nederland woonachtig was tijdens de periode van de Tweede Wereldoorlog en eiser derhalve niet voldoet aan de eisen die gesteld worden aan een plaatsvervanger zoals geformuleerd in het Uitkeringsreglement.

Aangezien eiser zich met dat besluit niet heeft kunnen verenigen, heeft hij daar bij schrijven van 26 februari 2002 –tijdig– bij verweerder een bezwaarschrift tegen ingediend.

Bij het thans bestreden besluit van 27 augustus 2002, verzonden op 29 augustus 2002, heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft zich met dat besluit evenmin kunnen verenigen, weshalve hij er bij schrijven van 1 september 2002 –tijdig– bij deze rechtbank beroep tegen heeft ingesteld.

In beroep heeft eiser aangevoerd dat het Uitkeringsreglement Joodse Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland zijn beroofd discrimineert, omdat alleen die Joodse Nederlanders die ten tijde van die oorlog ook daadwerkelijk in Nederland woonplaats hadden voor een uitkering op basis van dat reglement in aanmerking komen. Wie voor het uitbreken van de oorlog al met het oog op het Nazi-gevaar naar het buitenland was uitgeweken wordt immers, zo heeft eiser gesteld, ongelijk behandeld ten opzichte van degenen die dat bijvoorbeeld op de dag van de invasie of later deden.

Ter concretisering van het bovenstaande heeft eiser ter zitting gesteld dat het Uitkeringsreglement erop is gericht om Joodse Nederlanders of hun nazaten die tijdens de Tweede Wereldoorlog in Nederland zijn gebleven en de Nederlandse regering zouden kunnen verwijten niet of onvoldoende zorg te hebben gedragen voor hun rechtsherstel, te compenseren en dat Joodse Nederlanders die toen niet in Nederland verbleven maar die wel erfenissen zijn misgelopen als gevolg van die oorlog, dat verwijt in gelijke mate kunnen maken.

Voorts heeft eiser aangevoerd dat vertegenwoordigers van de Stichting Maror-gelden Overheid hem te kennen hebben gegeven dat er zijdens hem sprake is van onbillijkheid van overwegende aard en dat hem dus wel een geslaagd beroep op de hardheidsclausule toekomt.

Tot slot heeft eiser in beroep aangevoerd dat het hem volstrekt onduidelijk is waarom de morele aansprakelijkheid roof en herstel, waarvoor ‘Maror’ staat, niet ook zou gelden in het geval van zijn vader voor wat betreft diens in de oorlog ontstane vorderingen ten aanzien van de erfenis van diens moeder of althans de vorderingen ter vergoeding van het van haar geroofde, waarvan door eisers vader na de oorlog echter geen bewijsstukken meer zijn aangetroffen.

De beoordeling:

In dit geding staat de vraag centraal of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten om eisers aanvraag om een individuele uitkering op grond van het Uitkeringsreglement af te wijzen.

Het Uitkeringsreglement (en het in verband daarmee ten behoeve van de Joodse Gemeenschap ter beschikking gestelde bedrag van –in totaal– 350 miljoen gulden) is tot stand gekomen op basis van de brief van de Nederlandse regering van 21 maart 2000 (TK 25 839, 13). Het Uitkeringsreglement ontbeert daardoor een wettelijke basis en heeft mitsdien te gelden als concretisering van het beleidsvoornemen van de regering om te komen tot een financiële regeling voor een nader aangeduide groep uit de Joodse Gemeenschap die tijdens de Tweede Wereldoorlog aan vervolging is blootgesteld. Voorop staat dat de regering hierbij in beginsel een grote mate van vrijheid toekomt. Dit betekent dat de rechtbank staat voor een marginale toetsing van het bestreden besluit. De vraag ligt derhalve voor of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten om met onverkorte toepassing van het Uitkeringsreglement aan eiser een uitkering op basis van dit reglement te weigeren.

De rechtbank stelt hiertoe allereerst vast dat verweerder met het vaststellen van de in het Uitkeringsreglement opgenomen criteria niet is getreden buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. Daartoe neemt de rechtbank, met name waar het gaat om het in dit geding meest in het oog springende geschilpunt, namelijk het antwoord op de vraag of eisers vader voldoet aan het in artikel 2 van het Uitkeringsreglement opgenomen vereiste dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog woonplaats in Nederland heeft gehad, het navolgende in aanmerking.

Het Uitkeringsreglement is bedoeld voor diegenen die zelf zijn vervolgd en/of beroofd in of vanuit Nederland, de oorlog hebben overleefd en na de oorlog werden geconfronteerd met de achteraf geconstateerde gebreken in het rechtsherstel door de Nederlandse regering. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat verweerder, aan wie overigens de bevoegdheid toekomt om criteria op te stellen waaraan iemand moet voldoen wil hij/zij voor een uitkering op grond van het Uitkeringsreglement in aanmerking komen, in redelijkheid verschil heeft kunnen maken tussen Joodse Nederlanders die ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in Nederland woonplaats hadden en Joodse Nederlanders die toen elders woonplaats hadden. Eerstgenoemde groep personen wordt door de onheuse bejegening door de Nederlandse autoriteiten na de Tweede Wereldoorlog, zo komt het de rechtbank voor, immers extra getroffen.

De rechtbank zal voorts beoordelen of de vader van eiser voldoet aan het in artikel 2 van het Uitkeringsreglement opgenomen ‘woonplaatscriterium’.

De rechtbank stelt vast dat eisers vader op […] 1903 te C is geboren en dat hij op 8 mei 1945 nog in leven was. Blijkens het bezwaarschrift van eiser was diens vader reeds voor de oorlog gevlucht voor het Nazi-gevaar. De vader van eiser had ten tijde van de Tweede Wereldoorlog (van 10 mei 1940 tot 8 mei 1945) dan ook geen woonplaats binnen het Koninkrijk in Nederland. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat eisers vader niet voldoet aan de in artikel 2 van het Uitkeringsreglement opgenomen voorwaarde dat hij gedurende de periode van de Tweede Wereldoorlog enige tijd woonplaats moet hebben gehad binnen het Koninkrijk in Nederland. Eisers vader kan mitsdien niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 2 van het Uitkeringsreglement. Het feit dat zijn vader, zoals eiser heeft gesteld, tijdens de Tweede Wereldoorlog geruime tijd in Nederland is geweest als doortrekkend Nederlands militair, doet hier niets aan af. In de toelichting op artikel 2 van het Uitkeringsreglement, welke toelichting door de rechtbank wordt onderschreven, is immers expliciet bepaald dat de voorwaarde van woonplaats in Nederland te hebben gehad een zekere permanentie veronderstelt: men moet zich in Nederland hebben gevestigd. Kortstondig verblijf, bijvoorbeeld op doortocht, geeft blijkens die toelichting geen aanspraak op een individuele uitkering op grond van het Uitkeringsreglement.

Gelet op het vorenoverwogene, is de rechtbank van oordeel dat de vader van eiser niet kan worden beschouwd als belanghebbende in de zin van artikel 2 van het Uitkeringsreglement. Als plaatsvervanger van zijn vader heeft eiser, op basis van artikel 3, tweede lid, van voornoemd reglement, dan ook geen recht op een individuele uitkering op grond van het Uitkeringsreglement.

Voorzover eiser met zijn hierboven als laatste weergegeven grief bedoelt te stellen dat zijn vader als plaatsvervanger van diens moeder recht heeft op een individuele uitkering op grond van het Uitkeringsreglement, overweegt de rechtbank dat de moeder van eisers vader niet is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 2 van het Uitkeringsreglement, omdat zij in 1943 en dus vóór 8 mei 1945 is overleden. Bovendien kan eisers vader niet aangemerkt worden als zijn moeders plaatsvervanger in de zin van artikel 1, onder h, van het Uitkeringsreglement, omdat hij –eisers vader– momenteel niet meer in leven is.

Voorzover eiser met voornoemde grief bedoelt te stellen dat híj is aan te merken als plaatsvervanger van de moeder van zijn vader, overweegt de rechtbank dat deze stelling evenmin kan slagen, nu eiser geen kind in de zin van artikel 1, onder h, van het Uitkeringsreglement van zijn grootmoeder is.

Ter staving van zijn beroep op de in artikel 6 van het Uitkeringsreglement neergelegde hardheidsclausule heeft eiser ter zitting aangevoerd dat zijn vader, ook al voldoet hij niet aan het in artikel 2 van het Uitkeringsreglement opgenomen ‘woonplaatscriterium’, wel degelijk bezittingen in Nederland heeft verloren. Die bezittingen betreffen, aldus eiser, zijn vaders deel in de nalatenschap van zijn –eisers vaders– in 1943 in het concentratiekamp […] om het leven gebrachte moeder. Eiser heeft gesteld dat zijn vader na afloop van de Tweede Wereldoorlog actief in Nederland heeft gezocht naar restanten van de bezittingen van zijn ouders, waarbij hij nog het nodige (tafelzilver en servetten met de initialen van zijn ouders) heeft teruggevonden, maar zaken als bankrekeningen, schilderijen, juwelen en de pianovleugel van zijn moeder bleken niet meer te achterhalen. Tijdens vorenbedoelde zoektocht is zijn vader, zo stelt eiser, eveneens geconfronteerd met een gebrekkig rechtsherstel door de Nederlandse autoriteiten.

De rechtbank stelt voorop dat de achterliggende gedachte van het in artikel 2 van het Uitkeringsreglement opgenomen ‘woonplaatscriterium’ is dat bezittingen worden verondersteld woonplaatsgebonden te zijn. Personen die ten tijde van de Tweede Wereldoorlog in het buitenland woonachtig waren, worden verondersteld geen bezittingen te hebben verloren in Nederland en derhalve niet te zijn geconfronteerd met tekortkomingen in hun rechtsherstel door de Nederlandse autoriteiten na de Tweede Wereldoorlog.

Het mag dan wel zo zijn dat eisers vader, hoewel hij tijdens de Tweede Wereldoorlog geen woonplaats in Nederland had, toch in Nederland bezittingen heeft verloren en bij de zoektocht naar de bezittingen van zijn ouders is geconfronteerd met een gebrekkig rechtsherstel door de Nederlandse autoriteiten, doch deze omstandigheden zijn –naar het oordeel van de rechtbank– onvoldoende om in aanmerking te komen voor toepassing van de hardheidsclausule. Nu zijn vader niet voldoet aan het in artikel 2 van het Uitkeringsreglement opgenomen ‘woonplaatscriterium’, dient eiser in ieder geval aan te tonen dat zijn vader aan de overige vereisten van dat reglement, althans aan de doelstelling daarvan, voldoet. Concreet betekent dit dat eiser dient aan te tonen a) dat er sprake is geweest van beroving door de Duitsers van het vermogen vanwege het Joods-zijn van zijn vader en b) dat er sprake is geweest van gebrek aan rechtsherstel door de Nederlandse regering. De rechtbank is van oordeel dat eiser in het onderhavige geding echter niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader voldoet aan de hierboven onder a) en b) weergegeven vereisten.

Ter staving van zijn beroep op de hardheidsclausule heeft eiser verder gesteld dat drs. R.M. Naftaniel bij schrijven van 13 februari 2003 aan hem te kennen heeft gegeven dat bij het opstellen van de voorwaarden van het Uitkeringsreglement niet is gekeken naar de positie van Joodse Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog in buitenlandse krijgsdienst waren en op die wijze deelnamen aan de strijd tegen het Nazi-regime.

De door drs. Naftaniel gedane mededeling kan verweerder –naar het oordeel van de rechtbank– niet worden tegengeworpen, nu hij –drs. Naftaniel– voornoemd schrijven heeft geschreven in zijn hoedanigheid van penningmeester van het Centraal Joods Overleg en deze organisatie niet betrokken is geweest bij het opstellen van het Uitkeringsreglement.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat in dit geding niet is gebleken dat er zijdens eiser sprake is van onbillijkheden van overwegende aard. Eisers beroep op de in artikel 6 van het Uitkeringsreglement neergelegde hardheidsclausule treft dan ook geen doel.

Dat vertegenwoordigers van verweerder aan eiser te kennen hebben gegeven dat er in zijn geval wel sprake is van onbillijkheden van overwegende aard, is in deze procedure evenmin aannemelijk geworden, zodat een beroep op het vertrouwensbeginsel, voorzover eiser dat al doet, niet slaagt.

Het door eiser ingestelde beroep tegen verweerders besluit van 27 augustus 2002 is, gelet op het vorenoverwogene, ongegrond. Hetgeen eiser overigens nog naar voren heeft gebracht leidt niet tot een ander oordeel.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.L. Devoi als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2003.

w.g. J. Devoi w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 2 mei 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.