Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF8514

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-04-2003
Datum publicatie
17-06-2003
Zaaknummer
AWB 02/1814 WRO Z
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning, vrijstelling bestemmingsplanvoorschriften.

Art. 20.1.a.1° Bro 1985: woongebouw. Dat in pand buiten de functie wonen nog andere functies zijn voorzien, kan niet afdoen aan de kwalificatie van pand als woongebouw.

Zie ook AF5722 en AF6284

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 02/1814 WRO Z

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A en 11 anderen, te B, eisers,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Stein, gevestigd te Stein, verweerder.

Datum bestreden besluit: 5 november 2002.

Kenmerk: Afdeling BZ/AJZ.

Behandeling ter zitting: 22 april 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 5 november 2002, toegezonden bij brief van 12 november 2002, heeft verweerder de namens eisers op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende bezwaarschriften van 7 augustus 2002 en 14 augustus 2002 tegen een door verweerder genomen besluit van 2 juli 2002 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan de familie C vrijstelling verleend van het bepaalde in de voorschriften behorende bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Urmond” en tevens vergunning verleend voor het verbouwen van het pand, gelegen aan de [..]straat […] 11 te B, tot pension en het verbouwen van het woonhuis in dit pand alsmede voor het vestigen van een tattoo- en piercingshop in voornoemd pand.

Tegen het besluit van 5 november 2002 is namens eisers bij brief van 3 december 2002 (ontvangen 4 december 2002) beroep ingesteld.

Met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Awb heeft de rechtbank mw. C (hierna te noemen vergunninghoudster) in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid zij gebruik heeft gemaakt. Bij brief van 31 januari 2003 heeft vergunninghoudster op het ingestelde beroep gereageerd.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eisers en aan vergunninghoudster gezonden.

De inhoud van deze stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Gelet op de samenhang tussen de onderhavige zaak en de zaak met procedurenummer 02/1926 heeft de rechtbank op grond van artikel 8:14 van de Awb besloten om deze zaken gevoegd te behandelen.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 22 april 2003, alwaar de heer A in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. H.G.M.F. Rothkranz, advocaat te Maastricht. Mr. Rothkranz is tevens als gemachtigde van de overige eisers ter zitting verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. M.J.S. van Helden en mr. M.H.J. Thomas.

Vergunninghoudster is in persoon ter zitting verschenen.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken weer gesplitst.

II. OVERWEGINGEN.

II.1. Vergunninghoudster heeft op 1 oktober 2001 bij verweerder een aanvraag ingediend voor een bouwvergunning voor het verbouwen van het pand, gelegen op het perceel kadastraal bekend gemeente Urmond, sectie […], nr. […], plaatselijk bekend […]straat […] te B. De bouwaanvraag voorziet in de verbouwing van de begane grond van voornoemd pand tot pension en in een verbouwing van het op de bovenverdieping van het pand gelegen woonhuis.

Bij brief van 31 oktober 2001 heeft verweerder de ontvangst van de aanvraag om bouwvergunning bevestigd en meegedeeld, dat slechts medewerking wordt verleend aan de voor het bouwplan benodigde vrijstelling van de voorschriften van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, indien het bouwplan op een tweetal punten wordt aangepast. Deze punten betreffen enerzijds het realiseren van een fietsenberging voor de gasten van het pension aan de voorzijde van het pand en anderzijds het aangeven in het bouwplan, waar de tattoo- en piercingshop, die in het pand is gevestigd, zich bevindt, zodat de vrijstelling van de bestemmingsplanvoorschriften, die voor deze shop is vereist, in de onderhavige bouwaanvraag kan “meelopen”.

Naar aanleiding van voornoemde brief van verweerder heeft vergunninghoudster het bouwplan in de door verweerder aangegeven zin aangepast.

Het voornemen om vrijstelling te verlenen ten behoeve van het bouwplan is bekend gemaakt in het huis-aan-huis blad “de Schakel” en het bouwplan heeft vervolgens overeenkomstig artikel 19a, vierde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) met ingang van 14 november 2001 gedurende vier weken ter inzage gelegen.

Naar aanleiding hiervan zijn door een aantal personen zienswijzen met betrekking tot het voornemen tot het verlenen van vrijstelling ingediend, waaronder bij brief van 27 november 2001 zienswijzen namens de heer A en bij brief van gelijke datum zienswijzen door de fam. X, […]straat […].

Verweerder heeft de gemachtigde van de heer A en de fam. X bij brieven van 14 juni 2002 meegedeeld, dat de ingediende zienswijzen geen reden opleveren om de vrijstelling niet te verlenen.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 2 juli 2002 (bekend gemaakt op 4 juli 2002) aan vergunninghoudster onder gelijktijdige verlening van vrijstelling van de desbetreffende voorschriften van het bestemmingsplan bouwvergunning voor het bouwplan verleend.

Bij brieven van 7 augustus 2002 (ontvangen 8 augustus 2002) en 14 augustus 2002 (ontvangen 14 augustus 2002) zijn namens eisers bezwaren tegen dit besluit ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft op 14 oktober 2002 een hoorzitting plaatsgevonden door de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van de gemeente Stein, een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb (hierna te noemen de commissie). Deze commissie heeft verweerder geadviseerd de bezwaren ongegrond te verklaren.

Overeenkomstig het advies van de commissie heeft verweerder bij het bestreden besluit de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Voor de motivering van zijn besluit heeft verweerder verwezen naar het advies van de commissie.

Bij schrijven van 3 december 2002 is namens eisers beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en bij brief van 27 februari 2003 heeft de gemachtigde van eisers zich tot de voorzieningenrechter van de rechtbank gewend met het verzoek ter zake van het bestreden besluit een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, te treffen.

Bij uitspraak van 10 maart 2003 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

In het thans voorliggende beroepschrift zijn namens eisers – zakelijk weergegeven - de navolgende gronden aangevoerd:

- Betwist wordt voorshands of van de vrijstellingsmogelijkheid, die artikel 20, eerste lid, sub e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (Bro) biedt, gebruik kan worden gemaakt, nu dit artikelonderdeel slechts ziet op “gebruik” en in casu aanzienlijke verbouwingen plaatsvinden aan de achterzijde van het pand ten behoeve van het pension. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de president van de rechtbank Groningen van 26 april 2001 (Bouwrecht 2001/1032).

- Betwijfeld wordt of, nu sprake is van een gebouw waar naast wonen ook een tattooshop en een pension mogelijk worden gemaakt, er nog wel sprake is van een woongebouw als bedoeld in artikel 20, eerste lid, sub a, onder 1°, van het Bro.

- De verleende vrijstelling biedt de mogelijkheid voor extra verkeersaantrekkende werking en gelet op de parkeerproblematiek ter plaatse, die door verweerder wordt erkend, had - gezien artikel 2.5.30 (Model)Bouwverordening - een motivering of vrijstelling niet mogen ontbreken.

- De verkeerssituatie ter plaatse is onveilig.

- Het is niet onaannemelijk, dat ook café-achtige activiteiten zullen worden ontplooid, zeker in verband met het pension. Wordt daarbij nog de mogelijkheid van andere bedrijfsactiviteiten meegenomen, dan zijn ter plaatse vijf verschillende planologische functies op het perceel mogelijk, hetgeen volgens eisers een planologische verslechtering en geen verbetering is. In dit verband wordt opgemerkt, dat met betrekking tot het gebruik van de functies pension en tattooshop geen eisen zijn opgelegd.

- Een van de eisers, de familie X, ondervindt geluidsoverlast als gevolg van het geplande terras naast de slaapkamers, de tegen de scheidingsmuren aangelegde trap, en de ingang voor gasten en de fietsenstalling naast hun woonkamer. Ook de privacy van de familie X wordt aangetast door het terras.

- De familie X vreest een verzwaring van de bestaande erfdienstbaarheid, te weten het recht van overpad. Betwist wordt, dat niet een voorwaarde met betrekking tot het gebruik van dat pad kan worden opgenomen. Privaatrechtelijke aspecten, althans de overlast als gevolg van intensivering van de erfdienstbaarheid, dienen meegewogen te worden bij het al dan niet verlenen van de vrijstelling.

II.2. In dit geding zal de rechtbank, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, hebben te beoordelen of verweerder het bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft genomen. Daarbij ligt met name de vraag voor of verweerder met juistheid heeft geoordeeld, dat de verleende vrijstelling van het bepaalde in de voorschriften bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan en de verleende bouwvergunning in stand kunnen blijven.

Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

In artikel 44 van de Woningwet, zoals deze wet luidde ten tijde van het bestreden besluit, is – zakelijk weergegeven – bepaald, dat een bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd, indien:

a. het bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan de bij of krachtens het Bouwbesluit gegeven voorschriften;

b. het bouwwerk niet voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening;

c. het bouwwerk in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen;

d. het bouwwerk naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet voldoet aan redelijke eisen van welstand, of

e. voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze is geweigerd.

Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bestemmingsplan verlenen in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

In artikel 20, eerste lid, sub a, onder 1° van het Bro is bepaald, dat voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking komt een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft. Ingevolge artikel 20, eerste lid, sub e, van het Bro komt eveneens voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking, een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500 m².

Tussen partijen staat vast, dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan.

Het perceel waarop het bouwplan betrekking heeft, is gelegen binnen het bestemmingsplan “Urmond”, dat is vastgesteld bij raadsbesluit van 28 augustus 1975 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten van Limburg bij besluit van 28 juni 1976. Op de gronden van het perceel rusten de bestemmingen “Verkeersdoeleinden”, “Bebouwingsklasse E-II” en “Bedrijfsterrein bij winkels, kantoren en bedrijven”.

In 1978 is voor de begane grondlaag van het pand op dit perceel vrijstelling ingevolge het toenmalige artikel 19 van de WRO verleend ten behoeve van de bouw van toiletten en het veranderen van het woonhuis in cafépand, welke vrijstelling nimmer is ingetrokken.

Het onderhavige bouwplan voorziet allereerst in een verbouwing van de begane grondlaag van het pand tot pension en het gebruik van een ruimte op de begane grond voor een aan huis gebonden beroep, in casu een tattoo- en piercingshop. De verbouwing van de begane grondlaag vindt plaats binnen de bestaande contouren van het pand. Het gebruik van de begane grond als pension en als tattoo- en piercingshop is echter niet in overeenstemming met het ingevolge de geldende bestemmingen “Bebouwingsklasse E-II” en “Bedrijfsterrein bij winkels, kantoren en bedrijven” toegestane gebruik, noch met het gebruik van het woonhuis als cafépand, welk gebruik ingevolge de in 1978 verleende vrijstelling is toegestaan.

Teneinde bouwvergunning voor de verbouwing van de begane grondlaag tot pension te kunnen verlenen heeft verweerder bij besluit van 2 juli 2002 voor het gebruik als pension met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, jo. artikel 20, eerste lid, sub e, van het Bro vrijstelling verleend van de voorschriften van het bestemmingsplan. Tevens heeft verweerder bij voornoemd besluit op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO, jo. artikel 20, eerste lid, sub e, van het Bro vrijstelling verleend voor het gebruik van een ruimte op de begane grond als tattoo- en piercingshop.

Het bouwplan bestaat naast de verbouwing van de begane grondlaag ook uit een verbouwing van de woning op de eerste verdieping en een uitbreiding van deze woning tot een bouwdiepte van 12,00 m. Aangezien door deze verbouwing het op grond van de voorschriften bij het bestemmingsplan geldende bouwvlak van 10,00 m wordt overschreden, heeft verweerder – om het verlenen van bouwvergunning voor deze verbouwing mogelijk te maken – op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO, jo artikel 20, eerste lid, sub a, onder 1°, van het Bro vrijstelling verleend van deze voorschriften van het bestemmingsplan.

II.3.1.Ten aanzien van de grief van eisers, dat in casu van de vrijstellingsmogelijkheden van artikel 20, eerste lid, sub a, onder 1°, en sub e, van het Bro geen gebruik kan worden gemaakt voor het verlenen van bouwvergunning voor de verbouwingen, waarin het bouwplan voorziet, overweegt de rechtbank het volgende.

Anders dan eisers is de rechtbank van oordeel, dat in casu sprake is van een woongebouw als bedoeld in artikel 20, eerste lid, sub a, onder 1°, van het Bro. Op het voorste gedeelte van het pand aan de […]straat […] te B, rust de bestemming “Bebouwingsklasse E-II”, welke bestemming inhoudt, dat ter plaatse uitsluitend eengezinswoningen, in twee bouwlagen, zijn toegestaan. Bij het besluit van 2 juli 2002 is slechts voor het gebruik van de begane grondlaag vrijstelling verleend van de voorschriften van het bestemmingsplan. Dit betekent, dat het gebruiksvoorschrift van het bestemmingsplan voor de bovenverdieping van het pand nog steeds onverkort geldt. Niet betwist wordt, dat de bovenverdieping ook daadwerkelijk als woning in gebruik is. Het feit dat in het pand buiten de functie wonen nog andere functies zijn voorzien, kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan de kwalificatie van het pand als woongebouw. Nu het bouwplan voorziet in de verbouwing en uitbreiding van de woning op de bovenverdieping van het pand en hierdoor het aantal woningen niet wordt verminderd of vermeerderd, komt verweerder volgens de rechtbank in beginsel de bevoegdheid toe om voor deze verbouwing vrijstelling te verlenen op grond van artikel 20, eerste lid, sub a, onder 1°, van het Bro.

Namens eisers is verder aangevoerd, dat in artikel 20, eerste lid, van het Bro onderscheid wordt gemaakt tussen bouwen en gebruik en dat nu artikel 20, eerste lid, sub e, van het Bro slechts ziet op gebruik, van deze vrijstellingsmogelijkheid geen gebruik kan worden gemaakt voor het verlenen van een bouwvergunning voor het verbouwen van de begane grond van het pand tot pension.

De rechtbank is van oordeel, dat de tekst van artikel 20, eerste lid, sub e, van het Bro niet tot een zo beperkte uitleg van het artikelonderdeel dwingt, dat op grond van dit artikelonderdeel slechts vrijstelling ten behoeve van een met een bestemmingsplanvoorschrift strijdig gebruik van een opstal kan worden verleend, en niet tevens kan worden toegepast – indien deze wijziging van het gebruik een verbouwing van de opstal met zich brengt – om een bouwvergunning te kunnen verlenen.

In het onderhavige geval bestaat de strijdigheid met het bestemmingsplan uitsluitend uit de omstandigheid, dat het gebruik ten behoeve waarvan wordt verbouwd, in strijd is met het gebruik, dat ingevolge de geldende bestemmingen “Bebouwingsklasse E-II” en “Bedrijfsterrein bij winkels, kantoren en bedrijven” en de in 1978 verleende vrijstelling is toegestaan. Noch gesteld, noch gebleken is, dat de verbouwing van de begane grondlaag van het pand tot pension niet voldoet aan de bebouwingsvoorschriften, die met betrekking tot deze bestemmingen in de voorschriften bij het bestemmingsplan zijn gegeven.

Nu het gebruik als pension niet leidt tot een wijziging in het aantal woningen en het gebruik minder omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500 m², komt verweerder in beginsel de bevoegdheid toe om voor het gebruik van de begane grondlaag van het pand als pension op grond van artikel 19, derde lid, van de WRO, jo. artikel 20, eerste lid, sub e, van het Bro vrijstelling te verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank valt niet in te zien, dat indien een vrijstelling voor het gebruik als pension in beginsel mogelijk is, deze vrijstellingsbevoegdheid niet meer bestaat en hiervan geen gebruik kan worden gemaakt in het kader van een aanvraag om bouwvergunning voor een verbouwing, die het gebruik van het pand als pension met zich brengt en welke verbouwing voor het overige voldoet aan de voorschriften van het bestemmingsplan. De ruimtelijke uitstraling wordt in het onderhavige geval immers geheel bepaald door het gewijzigde gebruik en niet door de verbouwing van de begane grondlaag. De rechtbank is dan ook van oordeel dat, nu aan de in artikel 20, eerste lid, sub e, van het Bro genoemde voorwaarden wordt voldaan, verweerder in beginsel ook in het kader van de bouwvergunningsprocedure voor de verbouwing van de begane grondlaag tot pension de bevoegdheid toekomt voor het gebruik als pension vrijstelling te verlenen op grond van artikel 20, eerste lid, sub e, van het Bro.

II.3.2. Verweerder heeft bij het besluit van 2 juli 2002 van de vrijstellingsbevoegdheden van artikel 19, derde lid, van de WRO, jo. artikel 20, eerste lid, sub a, onder 1°, en sub e van het Bro gebruik gemaakt. Verweerder heeft met name hiertoe besloten, aangezien het onderhavige particulier initiatief tot exploitatie van een pension past binnen het gemeentelijk beleid om recreatieve voorzieningen en met name dagrecreatie te bevorderen. Verweerder heeft dan ook dit belang zwaarder laten wegen dan de bezwaren die door omwonenden tegen het bouwplan zijn ingebracht. Aangezien verweerder bij deze belangenafweging beleidsvrijheid toekomt, dient de rechterlijke toetsing van deze belangenafweging terughoudend te zijn.

II.3.3. Ten aanzien van de grief van eisers, dat de verleende vrijstelling voor het pension de mogelijkheid biedt voor extra verkeersaantrekkende werking en dat de verkeerssituatie ter plaatse onveilig is, overweegt de rechtbank het volgende.

Zoals uit de stukken blijkt, is het pension opgezet voor een specifieke doelgroep, te weten fietsers, wandelaars e.d.. Vergunninghoudster heeft in het verleden reeds leden van de “Stichting Vrienden op de Fiets” als gast in haar woning ontvangen, zodat het de rechtbank aannemelijk voorkomt, dat het pension in hoofdzaak op personen uit voornoemde doelgroep is gericht. Een substantiële toename van het aantal auto’s als gevolg van het pension ligt op voorhand – mede gelet op het aantal kamers – dan ook niet voor de hand. Hetzelfde geldt overigens – gelet op de bij het vrijstellingsverzoek gedane opgave van het aantal geplande klanten – voor de tattoo- en piercingshop.

Daarnaast is het de rechtbank gebleken – uit het verslag van een op 22 mei 2002 gehouden informatiebijeenkomst over het onderhavige bouwplan en het verslag van een vergadering van de werkgroep verkeer van 16 augustus 2002 – dat de parkeerproblematiek in de Raadhuisstraat voornamelijk wordt veroorzaakt door werknemers en bezoekers van het aan de Raadhuisstraat gelegen Gastenhof. Teneinde deze problematiek het hoofd te bieden is tijdens de vergadering van 16 augustus 2002 afgesproken, dat de inspanningen er in eerste instantie op zijn gericht om bij werknemers en bezoekers van het Gastenhof een gedragsverandering te bewerkstelligen in die zin, dat zij parkeren op het in de nabijheid gelegen St. Maartensplein. Verder heeft verweerder uit oogpunt van verkeersveiligheid inmiddels op het kruispunt Raadhuisstraat – Oude Poort – Kloosterpad markeringen aangebracht ter verduidelijking van de verkeerssituatie ter plaatse.

De rechtbank is dan ook van oordeel, dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat het pension en de tattoo- en piercingshop voor de parkeer- en verkeerssituatie ter plaatse niet zodanige gevolgen heeft, dat niet tot vrijstelling van de voorschriften van het bestemmingsplan had kunnen worden overgegaan. De rechtbank merkt in dit verband op, dat zij het standpunt van verweerder kan billijken, dat ook de Bouwverordening – gelet op de omvang van het pension en de tattoo- en piercingshop alsmede de doelgroep van het pension – niet noopt tot het treffen van parkeervoorzieningen op eigen terrein, zodat een vrijstelling op basis van deze verordening niet aan de orde is.

II.3.4. Ten aanzien van de grief van eisers dat er in casu geen sprake is van een planologische verbetering, maar verslechtering, nu het niet onaannemelijk is, dat ook café-achtige activiteiten zullen worden ontplooid, en ook andere bedrijfsactiviteiten mogelijk zijn, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank heeft in de stukken die zijn overgelegd en hetgeen door vergunninghoudster ter zitting is meegedeeld, geen aanwijzingen gevonden, waaruit kan worden afgeleid, dat de exploitatie van het pension naar verwachting tot café-achtige activiteiten zal leiden. Ook voor de ontplooiïng van andere bedrijfsmatige activiteiten bestaan geen aanknopingspunten. Gelet op het feit dat de in 1978 verleende vrijstelling nimmer is ingetrokken, en vergunninghoudster derhalve de mogelijkheid had om in plaats van een pension daadwerkelijk een café ter plaatse te exploiteren, welke mogelijkheid door het besluit van 2 juli 2002 als achterhaald kan worden beschouwd, is de rechtbank van oordeel, dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen, dat de bij het besluit van 2 juli 2002 verleende vrijstellingen voor de situatie ter plaatse – vanuit planologisch oogpunt bezien – een verbetering inhouden. Het feit dat aan het gebruik als pension en tattoo-en piercingshop geen beperkingen zijn gesteld, maakt zulks niet anders, nu gelet op de beperkte opzet van het pension en de tattoo- en piercingshop het stellen van dergelijke beperkingen niet aangewezen is.

II.3.5. Ten aanzien van de grief van eisers, dat het bouwplan voor de familie C, als naaste buren, geluidsoverlast ten gevolge heeft, alsmede aantasting van haar privacy en dat zij bevreesd is voor een verzwaring van de bestaande erfdienstbaarheid, overweegt de rechtbank het volgende.

Aangevoerd is, dat de geluidsoverlast, die de familie C ondervindt, veroorzaakt wordt door het naast de slaapkamers geplande terras, de tegen de scheidingsmuren aangelegde trap alsmede door de ingang voor de gasten en de fietsenstalling naast hun woonkamer.

De rechtbank merkt op, dat door het bouwplan de bestaande aansluitingen tussen het pand van de familie C en het pand […]straat […] niet gewijzigd worden. De bestaande scheidingsmuren met daartussen een spouw van 10 cm blijven gehandhaafd en ook de ruimte tussen de scheidingsmuren ter plaatse van de fietsenberging, die oploopt van 0 tot 40 cm, blijft bestaan. Het bouwplan is door verweerder getoetst aan de eisen, die het Bouwbesluit op het gebied van (geluids)isolatie stelt en voldoet volgens verweerder aan deze eisen. Het is de rechtbank niet gebleken, dat zulks niet juist zou zijn. Aangezien de trap de toegang is voor de op de bovenverdieping gelegen woning, zal deze trap alleen door vergunninghoudster en haar gezinsleden worden gebruikt. Ditzelfde geldt voor het terras op de bovenverdieping. De fietsenberging is alleen bedoeld voor de stalling van de fietsen van de gasten, die anderszins van de hoofdingang gebruik zullen maken om het pand te betreden.

De rechtbank is dan ook van oordeel, dat door het bouwplan de geluidsoverlast voor de familie C niet in zodanige mate toeneemt, dat verweerder niet in redelijkheid voor het bouwplan vrijstelling heeft kunnen verlenen van de desbetreffende bestemmingsplanvoorschriften. In dit verband merkt de rechtbank op dat haar gebleken is dat de familie C hun woning hebben betrokken op een moment, dat op de begane grond – conform de in 1978 verleende vrijstelling – een café werd geëxploiteerd. De rechtbank acht het aannemelijk dat de geluidsoverlast, die de familie C als gevolg van het onderhavige bouwplan mogelijk zal ondervinden, in elk geval kleiner zal zijn dan bij een exploitatie van het naastgelegen pand als café.

Aangevoerd is verder, dat het geplande terras ook leidt tot aantasting van de privacy van de familie C. Dit terras, dat een afmeting heeft van 3 bij 4 m, is gelegen direct achter de berging, die bij de woning op de bovenverdieping behoort. Nu het de bedoeling van vergunninghoudster is om het terras in overleg met de familie C af te schermen, wordt de privacy naar het oordeel van de rechtbank niet in die mate aangetast, dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten van zijn vrijstellingsbevoegdheid gebruik te maken.

Met betrekking tot de vrees, dat door het gebruik als pension de bestaande erfdienstbaarheid wordt verzwaard is de rechtbank van oordeel, dat nu het bouwplan middels een wijziging van de aanvraag om bouwvergunning voorziet in een aparte fietsenberging voor de gasten van het pension aan de voorkant, verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voor deze vrees onvoldoende aanleiding biedt en derhalve in redelijkheid heeft kunnen afzien van het verbinden van een voorwaarde aan de vrijstelling inzake het gebruik van de garage als ingang door de pensiongasten.

II.3.6. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank dan ook tot de conclusie, dat de door verweerder gemaakte belangenafweging de marginale toets, waartoe de rechtbank zich in deze heeft te beperken, kan doorstaan en verweerder derhalve in redelijkheid heeft kunnen besluiten om met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, jo artikel 20, eerste lid, sub a, onder 1°, en sub e, van het Bro voor het bouwplan vrijstelling te verlenen van de desbetreffende voorschriften van het bestemmingsplan “ Urmond”.

II.4. Nu voor het overige niet is gebleken, dat het bouwplan niet voldoet aan het bepaalde in artikel 44, onder a, b, d en e, van de Woningwet, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank – gelet op het dwingend bepaalde in de aanhef van artikel 44 van de Woningwet – terecht en op goede gronden bouwvergunning voor het bouwplan verleend.

Het beroep dient dan ook voor ongegrond te worden gehouden.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.A.H. Span-Henkens in tegenwoordigheid van mr. E.B.A. Ferwerda als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2003.

w.g. E. Ferwerda w.g. M. Span-Henkens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 25 april 2003

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuurs-rechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.