Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF8513

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-05-2003
Datum publicatie
13-05-2003
Zaaknummer
82784 - KG ZA 03-130
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE MAASTRICHT

Zaaknummer : 82784 / KG ZA 03-130

Datum uitspraak: 12 mei 2003

VONNIS IN HET KORT GEDING VAN:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [M.] SALES EN LOGISTICS B.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Schinnen,

eiseres bij exploten van dagvaarding van 21 en 24 maart 2003,

procureur: mr. A.A.M. Hoogveld,

tegen:

[L.],

wonende te Capelle aan den IJssel,

gedaagde,

gemachtigde: mr. A.E. Melse te Andel.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Eiseres ([M.]) heeft gedaagde ([L.]) gedagvaard in kort geding.

1.2 Ten dienende dage, 28 april 2003, heeft [Eiseres] haar stellingen aan de hand van pleitaantekeningen nader doen toelichten, zulks onder verwijzing naar een set op voorhand ingezonden producties.

1.3 [Gedaagde] heeft verweer gevoerd, daarbij eveneens gebruikmakend van een pleitnota.

1.4 Aansluitend heeft [Gedaagde] een voorwaardelijke eis in reconventie willen instellen. De voorzieningenrechter heeft daarop aanstonds beslist dat [Gedaagde], die zich door een gemachtigde, maar niet door een procureur heeft doen vertegenwoordigen, de bevoegdheid daartoe mist. De vordering die [Gedaagde] heeft willen instellen zal daarom buiten beschouwing worden gelaten.

1.5 Nadat partijen op elkaars stellingen hadden gereageerd heeft de voorzieningenrechter het geding voor enige tijd geschorst.

1.6 Na de hervatting hebben partijen om vonnis gevraagd. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 [Eiseres] exploiteert in Schinnen een bierbrouwerij onder de naam "Alfa Bierbrouwerij".

2.2 [Gedaagde] is op 22 januari 2001 bij [Eiseres] in dienst getreden, aanvankelijk krachtens arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in de functie van vertegenwoordiger / winkelaccountmanager, en vervolgens (volgens [Gedaagde]: per 1 juli 2001, volgens [Eiseres]: per 1 februari 2002) in de functie van "fieldmanager", met omzetting van de arbeidsovereenkomst naar onbepaalde tijd.

2.3 Aldus werd [Gedaagde] verantwoordelijk voor (onder meer) de uitvoering van "acties" op de winkelvloer ("tappenplannen" e.d.), de analyse van de omzet en verkoopgegevens en verbetering van de concurrentiepositie van [Eiseres]. In zijn functie gaf [Gedaagde] leiding aan een team van zeven vertegenwoordigers.

2.4 In zijn arbeidsovereenkomst is een geheimhoudingsbeding opgenomen:

"De werknemer is verplicht, zowel tijdens- als na beëindiging van de arbeidsovereenkomst, tot volstrekte geheimhouding, omtrent alle bedrijfsaangelegenheden, in de ruimste zin des woords, welke hem, op welke wijze dan ook, te zijner kennis zijn gekomen. Voor elke mededeling aan derden, direct of indirect, op welke wijze dan ook gedaan, inzake gegevens over de werkgever, wordt een direct opeisbare boete verbeurd ten bedrage van € 5.000,-. Ook is het werknemer niet toegestaan enige activiteiten voor andere organisaties te verrichten. Alleen indien [Eiseres] Bierbrouwerij hiervoor schriftelijk toestemming verleent."

en een non-concurrentiebeding:

"Het is de werknemer verboden om binnen een tijdvak van 1 jaar na beëindiging van de dienstbetrekking in of voor een bedrijf, gelijk, gelijkwaardig of aanverwant aan dat van de werkgever op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet, of daarin een aandeel van welke aard ook te hebben. Bij overtreding van dit verbod verbeurt de werknemer ten behoeve van [Eiseres] Bierbrouwerij B.V. een dadelijk opeisbare boete van € 1.000,- voor elke dag, dat hij in overtreding is."

2.5 Bij brief van 25 november 2002 heeft [Gedaagde] zijn dienstbetrekking bij [Eiseres] opgezegd tegen 1 januari 2003.

2.6 Op 1 januari 2003 is [Gedaagde] in dienst getreden bij een der vennootschappen van het Heineken-concern, te weten (zoals ter zitting is bekend gemaakt) Heineken Nederland Beheer B.V. te Zoeterwoude. [Gedaagde] bekleedt bij Heineken de functie van "field sales vertegenwoordiger in opleiding". Hij is tewerkgesteld in de provincie Limburg.

2.7 Stellende dat [Gedaagde] aldus voormeld geheimhoudings- en non-concurrentiebeding overtreedt heeft [Eiseres], na daartoe vruchteloos te hebben gesommeerd, gevorderd bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut:

[Gedaagde] te gebieden:

I. om aan [Eiseres], binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, schriftelijk te verklaren bij welke der vennootschappen van het Heineken-concern [Gedaagde] sinds 1 januari 2003 werkzaam is, op verbeurte van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [Gedaagde] nalatig blijft aan het te dezen te geven gebod te voldoen;

[Gedaagde] te veroordelen:

II. a) zich te onthouden van werkzaamheden zoals beschreven in het in nr. 6 van de dagvaarding opgenomen

non-concurrentiebeding, op verbeurte van de overeengekomen boete van € 1.000,- voor iedere dag dat [Gedaagde] met

deze verplichting in overtreding is;

b) zich te onthouden van het doen van mededelingen aan derden, direct of indirect, op welke wijze dan ook gedaan, inzake

gegevens over [Eiseres], zoals beschreven in het in nr. 6 van de dagvaarding opgenomen geheimhoudingsbeding, op

verbeurte van een boete van € 5.000,- per overtreding;

III. tot voldoening aan [Eiseres] van de volgende reeds verbeurde boetes:

a) ter zake de schending van de geheimhoudingsplicht het bedrag ter hoogte van € 5.000,-;

b) ter zake de schending van het non-concurrentiebeding van 1 januari 2003 tot 14 april 2003 het bedrag ter hoogte van €

104.000,- (104 dagen x € 1.000,-) te vermeerderen met € 1.000,- voor iedere dag na 14 april 2003;

IV. in de kosten van dit geding.

2.8 [Gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling

3.1 Een voldoende spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.

3.2 Nu [Gedaagde] ter zitting heeft verklaard in loondienst te zijn bij Heineken Nederland Beheer B.V. heeft [Eiseres] geen belang meer bij haar vordering onder I, zodat zij daarin niet kan worden ontvangen.

3.3 In deze zaak ligt de vraag voor of de omstandigheid dat [Gedaagde] met ingang van 1 januari 2003 in de genoemde functie voor Heineken werkzaam is, tot overtreding van het met zijn voormalige werkgever [Eiseres] overeengekomen non-concurrentiebeding leidt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze vraag niet anders dan bevestigend kan worden beantwoord.

3.4 [Eiseres] en Heineken zijn beide bierbrouwers. Uiteraard zijn zij ook concurrenten. Anders dan [Gedaagde] ingang wil doen vinden kan reeds in dat licht niet volgehouden worden dat Heineken niet kan worden aangemerkt als een aan [Eiseres] "aanverwant" bedrijf waarop het non-concurrentiebeding het oog heeft, en waarvoor [Gedaagde] een jaar lang niet mag werken. Zulks klemt uiteraard te meer nu [Gedaagde], zoals hij ter zitting heeft erkend, voor Heineken in Limburg, de bakermat van [Eiseres], aan de slag is.

3.5 De werkzaamheden van [Gedaagde] vallen aldus onder het bereik van het non-concurrentiebeding. Het uitvoerige debat van partijen over de vraag wat [Gedaagde] werkzaamheden bij Heineken nu precies behelsen kan daarom blijven rusten.

3.6 Bij die stand van zaken ligt de vordering onder II a) voor toewijzing gereed op de wijze als in het dictum te bepalen, met dien verstande dat bepaald zal worden dat het verbod om in strijd te handelen met het non-concurrentiebeding, gelet op haar geldigheidsduur van een jaar, op 1 januari 2004 komt te vervallen.

3.7 Ook het onder III b) gevorderde komt voor toewijzing in aanmerking - waarbij ervan wordt uitgegaan dat artikel 7: 650 lid 3 BW niet op het concurrentiebeding van toepassing is - met dien verstande dat de voorzieningenrechter termen aanwezig acht om, nu [Gedaagde] ter zitting onbestreden heeft verklaard sedert zijn indiensttreding wegens opleidingsverplichtingen, op circa 35 dagen na, (nog) niet daadwerkelijk voor Heineken werkzaam te zijn geweest, in het kader van dit kort geding voorshands uit te gaan van een schending van het beding gedurende 35 dagen tot op heden, zodat een bedrag van (35 maal € 1.000,- maakt) € 35.000,- toewijsbaar is. Het deel van het petitum dat betrekking heeft op mogelijk toekomstige overtredingen ("te vermeerderen met …") wordt afgewezen omdat zulks al in de toe te wijzen voorziening onder II a) besloten ligt.

3.8 Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of [Gedaagde] het door [Eiseres] bedongen geheimhoudingsbeding heeft overtreden, zoals [Eiseres] betoogt.

3.9 Voor zover volgens [Eiseres] voor dat standpunt pleit dat [Gedaagde] door bij concurrent Heineken (ook) in een commerciële functie te gaan werken "niet anders kan" dan bedoeld beding overtreden, kan dat betoog, als berustend op een bewijs "uit het ongerijmde", uiteraard geen doel treffen.

3.10 Dat [Gedaagde] kort voor zijn vertrek bij [Eiseres] nog heeft aangedrongen in het bezit te komen van "alle getekende tappenplannen" en Heineken en/of aan haar gelieerde ondernemingen onlangs met vergelijkbare acties (tappenplannen etc.) als [Eiseres] op de winkelvloer zijn gestart, zoals [Eiseres] heeft betoogd, kan hierop, gelet ook op de betwisting van dit een en ander zijdens [Gedaagde], geen overtuigend ander licht werpen. Nader onderzoek zal moeten uitwijzen in hoeverre er sprake is van de gestelde nabootsing van acties en of daaraan ten grondslag ligt dat [Gedaagde] zijn geheimhoudingsplicht heeft geschonden. Voor een dergelijk onderzoek is in kort geding geen plaats. De vordering onder III a) dient daarom te worden afgewezen.

3.11 Dat ligt anders waar het de vordering onder II b) betreft. [Eiseres] heeft er in de gegeven omstandigheden uiteraard belang bij dat [Gedaagde] zich aan zijn geheimhoudingsplicht houdt. Een prikkel tot nakoming daarvan is op zijn plaats. De vordering ligt voor toewijzing gereed op de wijze als in het dictum te bepalen, waarbij het totaal aan te verbeuren dwangsommen aan een maximum wordt verbonden.

3.12 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt [Gedaagde] veroordeeld in de kosten van het geding.

4. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht;

RECHT DOENDE in kort geding:

I. Verklaart [Eiseres] niet-ontvankelijk in haar vordering strekkende tot het verklaren bij welke vennootschap van het Heineken-concern [Gedaagde] sedert 1 januari 2003 werkzaam is;

II. Verbiedt [Gedaagde] werkzaamheden voor Heineken te verrichten, zoals omschreven in het tussen partijen overeengekomen en onder 2.4 van dit vonnis weergegeven non-concurrentiebeding, op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat [Gedaagde] hiermee na betekening van het vonnis in gebreke is;

Bepaalt dat dit verbod op 1 januari 2004 komt te vervallen;

III. Verbiedt [Gedaagde] mededelingen aan derden te doen over [Eiseres], zoals omschreven in het tussen partijen overeengekomen en onder 2.4 van dit vonnis weergegeven geheimhoudingsbeding, op verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding na betekening van het vonnis, zulks tot een maximum van € 100.000,-;

IV. Veroordeelt [Gedaagde] aan [Eiseres] te voldoen een bedrag van € 35.000,- aan reeds verbeurde boetes ter zake de overtreding van het non-concurrentiebeding;

V. Veroordeelt [Gedaagde] in de kosten van het geding aan de zijde van [Eiseres] gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op een bedrag van € 1.764,40, waarvan € 925,- wegens verschuldigd vast recht, € 703,- voor salaris procureur en € 136,40;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. A.M. Adelmeijer, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in het bijzijn van de griffier.

RQ