Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF8505

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
13-05-2003
Zaaknummer
82722 - KG ZA 03-126
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE MAASTRICHT

Zaaknummer : 82722 / KG ZA 03-126

Datum uitspraak: 7 mei 2003

VONNIS IN HET KORT GEDING VAN:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [S.] B.V.,

statutair gevestigd te Delft, kantoor houden[B.],

2. [Mevrouw S. ],

wonende te Bodegraven,

eiseressen bij exploot van dagvaarding van 13 maart 2003,

procureur: mr. E.J.J.M. Kneepkens,

advocaat: mr. E. van der Kolk te Roosendaal;

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid MPM HOLDING B.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Maastricht,

gedaagde,

advocaat: mr. A.J.H. Wijers te Oosterhout.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Eiseressen (hierna samen als "[S.] c.s." of separaat als "[S.] B.V." en "[S.-B.]"

aangeduid) hebben gedaagde (hierna: "MPM") gedagvaard in kort geding.

1.2 Ten dienende dage, 23 april 2003, hebben [S.] c.s. hun stellingen aan de hand van pleitaantekeningen nader doen toelichten, zulks onder verwijzing naar de op voorhand ingezonden producties.

1.3 MPM heeft verweer gevoerd, daarbij eveneens gebruikmakend van een pleitnota. Ook MPM heeft verwezen naar een aantal op voorhand ingezonden producties.

1.4 Partijen hebben vervolgens op elkaars stellingen gereageerd.

1.5 Ten slotte hebben partijen om vonnis gevraagd. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Tussen [S.] B.V. en haar directeur T. [S.] enerzijds en MPM en haar directeur M.P.M. [M.] (hierna: "[M.]") anderzijds is voor deze rechtbank een bodemprocedure aanhangig geweest. Die zaak (58279 / HA ZA 00-716) is beslecht bij eindvonnis van 30 mei 2002.

2.2 Aanleiding voor het geschil vormde een op 11 december 1998 gesloten overeenkomst waarbij [S.] B.V. de door haar gehouden aandelen in de vennootschap Kojaks B.V. - een onderneming die handelde in "natuurzuivere en homeopathische producten" (omschrijving ontleend aan de jaarstukken 1999) - aan MPM verkocht en (enige tijd later) leverde voor de prijs van fl. 310.988,-. Onderdeel van de afspraken was voorts dat een vordering ad fl. 289.012,- van T. [S.] op Kojaks B.V. tegen de nominale waarde aan MPM werd overgedragen.

2.3 Het door MPM te betalen bedrag van in totaal fl. 600.000,- zou deels in contanten worden voldaan, is deels omgezet in een renteloze en voor een ander deel in een rentedragende lening. Voor een deel van die verplichtingen heeft [M.] zich persoonlijk borg gesteld.

2.4 In de voor deze rechtbank gevoerde bodemprocedure - waarvan partijen, buiten het vonnis, de processtukken niet hebben overgelegd zodat de voorzieningenrechter daarvan geen kennis heeft genomen nemen - hebben [S.] B.V. en T. [S.] (in conventie) betoogd dat zij uit voormelden hoofde nog fl. 457.807,29 c.a. van MPM en [M.] te vorderen hadden.

2.5 MPM en [M.] hebben dit met een beroep op wanprestatie en dwaling bestreden. Na de transactie zou een groot aantal onregelmatigheden aan het licht zijn gekomen. Ook zouden garantieverplichtingen niet zijn nagekomen. In werkelijkheid zou MPM een in een deplorabele toestand verkerende onderneming in de maag zijn gesplitst. Op 12 juli 2000 is Kojaks B.V. in staat van faillissement verklaard. Dit alles heeft MPM ertoe gebracht in reconventie aanspraak te maken op een bedrag groot fl. 804.500,- ter zake van schade / aanpassing koopprijs.

2.6 In de (aan)loop naar/van de procedure hebben [S.] B.V. en MPM over en weer conservatoire verhaalsbeslagen gelegd.

2.7 Bij vonnis van 30 mei 2002 heeft de rechtbank de vordering van [S.] B.V. en T. [S.] grotendeels toegewezen en de vordering van MPM geheel afgewezen. MPM en [M.] hebben tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. De zaak staat thans voor antwoord aan de zijde van [S.] B.V. en T. [S.].

2.8 In bedoeld vonnis van de rechtbank heeft MPM aanleiding gezien de door haar gelegde conservatoire derdenbeslagen op 30 juli 2002 op te heffen. Tegenover de opheffing van de door [S.] B.V. gelegde beslagen heeft MPM op 26 augustus 2002 een bankgarantie ten bedrage van € 275.000,- doen stellen.

2.9 Op 4 december 2002 is T. [S.] overleden. [S.-B.] - partij in dit geding - is zijn echtgenote en erfgenaam.

2.10 Na daartoe van de voorzieningenrechter te 's-Gravenhage verkregen verlof heeft MPM op 25 resp. 26 februari 2003 opnieuw conservatoire beslagen doen leggen en wel op

- het woonhuis met erf en schuur, staande en gelegen te [adres], eigendom van (de erfgena(a)m(en) van) T. [S.],

- de door [S.] B.V. gehouden aandelen in Rozemarijn Kruiderijen B.V., statutair gevestigd te Delft en kantoor houdende te Bodegraven,

- de door (de erfgena(a)m(en) van) T. [S.] gehouden aandelen in [S.] B.V..

2.11 [S.] c.s. leggen aan de door hen gevorderde opheffing van de beslagen ten grondslag dat de rechtbank alhier in de bodemprocedure de vorderingen, ter verzekering waarvan (ook) deze beslagen zijn gelegd, integraal heeft afgewezen, en dat die vorderingen dus als summierlijk ondeugdelijk van de hand moeten worden gewezen. [S.] c.s. vorderen op die grond, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

op te heffen de op 25 en 26 februari 2003 ten verzoeke van MPM en ten laste van [S.] c.s. gelegde conservatoire beslagen op de aandelen van [S.] B.V. in Rozemarijn Kruiderijen B.V., op de aandelen van T. [S.] in [S.] B.V. en het onroerend zaaksbeslag op het huis met erf en schuur, staande en gelegen te [adres], plaatselijk bekend gemeente [B.] en kadastraal bekend gemeente [B.], sectie [X.], nummer [YYYY], groot 1 are en 65 ca, en MPM te veroordelen in de kosten van deze procedure en deze kostenveroordeling eveneens uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

2.12 MPM heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling

3.1 Een voldoende spoedeisend belang volgt reeds uit de aard van de zaak.

3.2 De kern van het geschil is de vraag of, in de woorden van artikel 705 Rv, summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering waarvoor MPM op 25 en 26 februari 2003 conservatoire beslagen heeft doen leggen.

3.3 MPM heeft terzake betoogd dat haar vordering door de rechtbank weliswaar is afgewezen, maar dat haar huidige raadsman en zij de vordering in appèl veel uitgebreider hebben gemotiveerd en onderbouwd - de memorie van grieven telt 23 pagina's en 52 producties - en dat het vonnis van de rechtbank reeds om die reden niet als argument kan dienen voor de ondeugdelijkheid van de vordering, zoals geformuleerd in de memorie van grieven, waarvoor beslag is gelegd. In dit verband heeft MPM nog aangevoerd dat de rechtbank de onderbouwing door MPM van haar stellingen "volstrekt onvoldoende" heeft geoordeeld.

3.4 Bij de beoordeling van het verweer van MPM tegen de gevorderde opheffing moet tot uitgangspunt worden genomen dat de voorzieningenrechter gehouden is zijn oordeel af te stemmen op dat van de bodemrechter als die over de partijen verdeeld houdende kwestie reeds een oordeel heeft geveld. Op die regel kan een uitzondering worden aanvaard indien dat vonnis op een klaarblijkelijke misslag berust die van dien aard is dat deze zou moeten leiden tot een andersluidende beslissing in hoger beroep, of indien sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan tot diezelfde conclusie kan worden gekomen.

3.5 Dat het vonnis van de rechtbank op een kennelijke misslag zou berusten, is gesteld noch gebleken. Evenmin is sprake van nieuwe feiten of omstandigheden als hiervoor bedoeld. Als zodanig heeft in ieder geval niet te gelden de omstandigheid dat MPM in appèl, zoals zij stelt, haar vordering opnieuw heeft opgezet en van een degelijkere en uitvoerigere onderbouwing heeft voorzien, en evenmin de omstandigheid dat MPM het aan T. [S.] gemaakte verwijt nu (wederom?) zoekt in diens wetenschap omtrent de slechte situatie van Kojaks B.V. ten tijde van de verkoop. Voor zover MPM deze gestelde wetenschap in eerste aanleg niet aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, betekent dat nog niet dat het hier een om een novum gaat, laat staan dat aannemelijk is dat daardoor het oordeel in appèl anders zou uitvallen. Zoals ook MPM nadrukkelijk heeft onderkend, is in dit kort geding geen plaats is voor een prognose van de slagingskansen van haar appél.

3.6 Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door MPM ingeroepen recht en dat de beslagen dienen te worden opgeheven. De voorzieningenrechter betrekt bij dit oordeel mede de omstandigheid dat MPM heeft verklaard niet in staat te zijn zekerheid te stellen voor de mogelijk uit de beslagen voortvloeiende schade en, naar [S.] c.s. gemotiveerd hebben aangegeven, geen verhaal biedt voor de door [S.] c.s. gestelde schade aan hun effectenportefeuilles (volgens [S.] c.s. ruim € 180.000,-) geleden als gevolg van de eerder door MPM gelegde - en door haar reeds opgeheven - beslagen onder ING en Rabobank. Een belangenafweging dient mede gelet daarop in het voordeel van [S.] c.s. uit te vallen.

3.7 Slotsom is dat de vordering tot opheffing van de beslagen zal worden toegewezen. Anders dan gevorderd zal de voorzieningenrechter dit vonnis echter niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Niet aannemelijk is geworden dat de opheffing voor [S.] c.s. dermate urgent is - [S.] c.s. hebben niet concreet aangegeven reeds thans schade lijden of over de beslagen aandelen en onroerende zaak te willen beschikken - dat hun belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad zwaarder moet wegen dan het belang van MPM, in geval zij zou besluiten in appèl te gaan van het onderhavige vonnis, bij opschorting van de werking van de opheffing.

3.8 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal MPM worden verwezen in de kosten.

4. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht;

RECHT DOENDE in kort geding:

Heft op de op 25 en 26 februari 2003 ten verzoeke van MPM en ten laste van [S.] c.s. gelegde conservatoire beslagen op de aandelen van [S.] B.V. in Rozemarijn Kruiderijen B.V., op de aandelen van T. [S.] in [S.] B.V. en het onroerend zaaksbeslag op het huis met erf en schuur, staande en gelegen te [adres], plaatselijk bekend gemeente [B.] en kadastraal bekend gemeente [B.], sectie [X.], nummer [YYYY], groot 1 are en 65 ca;

Veroordeelt MPM in de kosten van dit geding, aan de zijde van [S.] c.s. gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op een bedrag van € 989,16, waarvan € 205,- wegens verschuldigd vast recht, € 703,- voor salaris procureur en € 81,16 aan explootkosten;

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. P.E. de Kort, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 mei 2003 in het bijzijn van de griffier.

RQ