Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF8432

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
12-05-2003
Zaaknummer
74994 - HA ZA 02-481
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis : 7 mei 2003

Zaaknummer : 74994 / HA ZA 02-481

De rechtbank te Maastricht, meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[De heer E. ],

wonende te Brasschaat (België),

eiser in conventie, verweerder in reconventie,

procureur mr. CH.M.E.M. Paulussen;

tegen:

[De heer F. ],

wonende te Noorbeek, gemeente Margraten,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

procureur mr. R.J.M.C. Rosbeek.

1. Het verloop van de procedure

Eiser in conventie, verweerder in reconventie, hierna te noemen "[E. ]", heeft gedaagde in conventie, eiser in reconventie, hierna te noemen "[F.]", gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en gevorderd als in die dagvaarding vermeld. Op de eerstdienende dag heeft [E. ] bij akte producties in het geding gebracht en daarbij tevens zijn eis vermeerderd, waarna hij nog een akte heeft genomen. [F.] heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord in conventie en een eis in reconventie ingesteld. [E. ] heeft daarop een conclusie van antwoord in reconventie genomen, zulks onder overlegging van producties.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Omdat het de rechtbank met het oog op artikel 19 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk voorkwam, heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld een akte te nemen na deze comparitie.

Vervolgens heeft [F.] een akte na comparitie genomen, zulks onder overlegging van producties, waarna [E. ] een antwoordakte na comparitie heeft genomen, zulks onder vermindering van zijn eis.

Door [E. ] zijn beslagstukken overgelegd.

[E. ] heeft om een pleidooi verzocht en partijen hebben op de daarvoor bestemde dag hun standpunten nog eens bij pleitzitting naar voren gebracht.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

In conventie:

2.1 Op 15 oktober 2000 is [F.] bij IQ Glass n.v., gevestigd te Sint-Niklaas (België), in dienst getreden in de functie van glastechnisch adviseur. Op 6 oktober 2000 was [F.] reeds door de afgevaardigd bestuurder van IQ Glass gemachtigd om IQ Glass te vertegenwoordigen bij de aankoop en het afsluiten van contracten namens IQ Glass. [F.] heeft op 13 juni 2001 namens IQ Glass een overeenkomst gesloten met [E. ] terzake de levering van verwarmde ruiten ten behoeve van een nieuw te bouwen woning van [E. ] te Brasschaat (België). De overeenkomst is door [F.] (i.o.) ondertekend. In verband daarmee heeft [E. ] op 19 juni 2001 aan IQ Glass de eerste deelfactuur ten bedrage van € 48.100,70 betaald en op 1 november 2001 de tweede deelfactuur ten bedrage van € 12.025,18.

2.2 De levering van de ruiten heeft echter niet plaatsgevonden, noch is het aannemelijk dat de ruiten alsnog zullen worden geleverd, omdat IQ Glass omstreeks 14 maart 2002 in staat van faillissement is verklaard en de boedel geen verhaal lijkt te bieden. De arbeidsovereenkomst tussen IQ Glass en [F.] is op 31 januari 2002 geëindigd

2.3 [E. ] stelt dat [F.] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door namens IQ Glass een overeenkomst met hem te sluiten terwijl [F.] wist, dan wel behoorde te weten dat IQ Glass niet kon leveren, omdat zij in financiële problemen verkeerde, dan wel niet wilde leveren. Bovendien heeft [F.] volgens [E. ] het vermogen van IQ Glass aan de boedel onttrokken, zodat geen verhaalsmogelijkheden meer aanwezig zijn.

2.4 [E. ] heeft op grond van het vorenstaande, na aanvankelijke vermeerdering en vervolgens vermindering van zijn eis, gevorderd dat [F.] bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen:

- een bedrag van € 48.100,70, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 juni 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede met de incassokosten;

- een bedrag van € 680,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede met de incassokosten;

het een en ander met veroordeling van [F.] in de kosten van de procedure, die van het gelegde beslag daaronder begrepen.

2.5 De vordering wordt door [F.] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de con-clusie van antwoord in conventie, het proces-verbaal van de comparitie na antwoord, de akte na de comparitie na antwoord en het proces-verbaal van het pleidooi.

In reconventie:

2.6 Tot zekerheid van de mogelijke veroordeling tot betaling in conventie heeft [E. ] onder andere conservatoir beslag gelegd op het aan [F.] in eigendom toebehorende pand te Noorbeek, gemeente Margraten, aan het [adres].

2.7 [F.] stelt dat uit het in conventie door [E. ] gestelde blijkt dat [E. ] geen vorderingsrecht heeft op hem, zodat de beslaglegging als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

2.8 [F.] heeft op grond van het vorenstaande gevorderd dat de rechtbank [E. ] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt om het gelegde beslag binnen vijf dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis te doen opheffen, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- voor elke dag dat de opheffing van het beslag na genoemd tijdstip uitblijft, het een en ander met veroordeling van [E. ] in de kosten van de procedure, die van het gelegde beslag daaronder begrepen.

2.9 De vordering wordt door [E. ] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de con-clu-sie van antwoord in reconventie, het proces-verbaal van de comparitie na antwoord, de akte na de comparitie na antwoord en het proces-verbaal van het pleidooi.

3. De beoordeling

In conventie:

3.1 Nu partijen er kennelijk impliciet vanuit gaan dat op het onderhavige geschil Nederlands recht van toepassing is, en zij beide uitsluitend een beroep doen op diverse expliciet aangeduide bepalingen van Nederlands (materieel) burgerlijk recht, zal de rechtbank op de onderhavige zaak Nederlands recht toepassen.

3.2 [F.] heeft ten eerste het - door hem als exceptief verweer aangeduid - verweer gevoerd dat [E. ] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, nu hij daarbij geen belang heeft als bedoeld in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (verder te noemen: BW), omdat hij niet degene is die de schade heeft geleden. Volgens [F.] zijn de bestelde ramen immers niet aan [E. ] in privé gefactureerd, maar aan een niet-Belgische rechtspersoon, hetgeen volgens [F.] impliceert dat ook een ander dan [E. ] die facturen heeft voldaan en uit dien hoofde de door [E. ] opgevoerde schade heeft geleden.

3.3 Dat verweer moet echter worden verworpen. Vaststaat dat de overeenkomst tot levering van het glas door [E. ] in privé is gesloten met IQ Glass en dat ook, anders dan [F.] stelt, is gefactureerd aan [E. ]. Zo al juist zou zijn dat de koopprijs niet is betaald door [E. ] zelf maar door een niet-Belgische vennootschap, dan neemt zulks niet weg dat [E. ] als contractspartij voldoende belang heeft bij de onderhavige vordering.

3.4 Alhoewel [E. ] ten pleidooie niet meer heeft gesteld dat [F.] als statutair bestuurder is opgetreden, maar wel als feitelijk bestuurder, zal de rechtbank ingaan op [E. ]s stelling dat [F.] als statutair bestuurder is opgetreden. [E. ] heeft gesteld dat [F.] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door als statutair bestuurder een overeenkomst te sluiten met [E. ] terwijl [F.] wist, dan wel behoorde te weten, dat IQ Glass het glas niet kon leveren, dan wel niet wilde leveren.

3.5 De op deze grondslag gebaseerde vordering moet reeds worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat [E. ] inderdaad statutair bestuurder van IQ Glass was. Uit de door [F.] bij conclusie van antwoord in conventie overgelegde statuten blijkt immers niet dat [F.] statutair bestuurder was van IQ Glass. [E. ] heeft zijn stelling dat [F.] statutair bestuurder van IQ Glass ook niet feitelijk onderbouwd en concreet te bewijzen aangeboden, hetgeen op zijn weg had gelegen.

3.6 Subsidiair heeft [E. ] gesteld dat [F.] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, omdat hij als feitelijk bestuurder van IQ Glass bij het aangaan van de overeenkomst met [E. ] wist dat IQ Glass niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en dat het bedrijf geen verhaal zou bieden.

3.7 Bij de beantwoording van de vraag of [F.] is opgetreden als ware hij bestuurder is naar het oordeel van de rechtbank wezenlijk of [F.] handelingen heeft verricht die kenmerkend en wezenlijk zijn voor het besturen van de vennootschap. Daartoe behoort in beginsel niet het handelen van [F.] in verband met het namens IQ Glass aangaan van overeenkomsten tot verkoop van glas in individuele gevallen. Het verkopen van glas is de kernactiviteit van IQ Glass en kan niet worden beschouwd als het besturen van een onderneming. Tussen partijen is niet in geschil dat [F.] een daartoe strekkende machtiging van IQ Glass heeft ontvangen.

3.8 Dat [F.] is opgetreden als feitelijk bestuurder van IQ Glass wordt door [E. ] allereerst onderbouwd met de stelling dat [F.] alle besprekingen met [E. ] voerde over de mogelijkheden op het gebied van glasverwarming en meerdere malen bij [E. ] op bezoek is geweest en zich tijdens de besprekingen met [E. ] telkens heeft gepresenteerd als een van de bestuurders van IQ Glass. [F.] wist precies wat hij kon aanbieden en tegen welke prijs, zonder dat hij een en ander kort moest sluiten met andere bestuurders van IQ Glass.

3.9 Dat is echter onvoldoende om te kunnen oordelen dat [F.] is opgetreden als feitelijk bestuurder. Dat hij besprekingen heeft gevoerd op het gebied van glasverwarming is immers geen bestuurshandeling, maar hangt samen met de taak van [F.] om namens IQ Glass glas te verkopen. De stelling dat [F.] zich bij bezoeken aan [E. ] zou hebben gepresenteerd als bestuurder van IQ Glass is onvoldoende onderbouwd. [E. ] heeft immers niet gesteld waaruit die presentatie heeft bestaan. Bij gebreke aan voldoende onderbouwing van deze stelling komt de rechtbank niet toe aan het terzake gedane bewijsaanbod. Ook het feit dat [F.] precies wist wat hij kon aanbieden en tegen welke prijs, zonder dat hij een en ander kort moest sluiten met andere bestuurders van IQ Glass, is niet relevant. Ook dat is niet te beschouwen als een bestuurshandeling, maar hangt samen met de uitoefening van zijn taak, die bestond in het verkopen van glas. Bovendien is het ook niet ongebruikelijk, en veeleer wezenlijk dat een vertegenwoordiger van een onderneming in het kader van de uitoefening van zijn taak over dergelijke wetenschap beschikt, zodat hij onderbouwde aanbiedingen namens IQ Glass kan doen.

3.10 Ook het feit dat [F.] diverse offertes, het concept-contract en een aanvulling daarop heeft verzorgd, voortdurend contacten heeft onderhouden met [E. ], [E. ] heeft gefactureerd en een aanbieding met betrekking tot verlenging van betalingstermijnen heeft voldaan, is niet relevant. Dit zijn alle evenmin handelingen die impliceren dat [F.] (volledige) zeggenschap over IQ Glass had en dat hij een intensieve bemoeienis had met de bedrijfsvoering daarvan, doch activiteiten direct verband houdend met zijn functie als verkoper.

3.11 [F.] heeft voorts gesteld dat hij alle stukken op zijn naam i/o op zijn naam liet ondertekenen. Volgens [E. ] volgt daaruit dat [F.] wel degelijk als bestuurder van IQ Glass is opgetreden, omdat in de statuten van IQ Glass staat dat zij in en buiten rechte vertegenwoordigd moet worden door twee bestuurders. Door alle stukken telkens i/o te laten ondertekenen door een van de bestuurders ([G. ]) naast diens eigen handtekening, wordt volgens [E. ] bevestigd dat [F.] als feitelijk bestuurder optrad. De rechtbank kan [E. ] daarin niet volgen. Relevant is of de verrichte handeling is te beschouwen als het zich intensief met de bedrijfsvoering bezighouden en het hebben van de (volledige) zeggenschap over een rechtspersoon. Het ondertekenen van de diverse stukken is slechts geschied in het kader van de verkoop van glas in een individueel geval.

3.12 Op grond van het vorenoverwogene oordeelt de rechtbank dat [F.] niet kan worden beschouwd als feitelijk bestuurder, zodat de vordering gebaseerd op deze grondslag moet worden afgewezen. Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende.

3.13 [E. ] heeft nog gesteld dat [F.] inzicht had in de financieel slechte positie, reeds blijkende uit het feit dat hij voor [E. ] een garantstelling geregeld heeft van een van de bestuurders van IQ Glass voor de terugbetaling van

fl. 25.000,--, waarom [E. ] niet had gevraagd. Daargelaten dat die garantstelling volgens [F.] het gevolg is van het feit dat de bestuurder [H.] van IQ Glass daartoe is overgegaan nadat hem daarom werd verzocht door een Belgische advocaat van [E. ], volgt daaruit niet dat [F.] bij het aangaan van de ten processe bedoelde overeenkomst wist, althans redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat IQ Glass niet in staat zou zijn die overeenkomst na te komen en geen verhaal zou bieden voor de ten gevolge van de wanprestatie te lijden schade.

3.14 Ook het feit dat [F.] in een brief van 24 oktober 2001 aan [E. ] aangeeft hoe de aanbetalingen worden gebruikt is en dat hij kort voor het faillissement van IQ Glass ontslag heeft genomen om vervolgens direct in dienst te treden bij het concurrerende Glass Consult bvba, dat precies dezelfde diensten levert en dat wordt bestuurd door een van de ex-bestuurders van IQ Glass, is onvoldoende om dat te kunnen concluderen.

3.15 Nu de vordering op grond van het vorenstaande reeds moet worden afgewezen, behoeven de overige verweren van [F.] geen bespreking meer.

3.16 Al het vorenstaande brengt met zich dat de vordering moet worden afgewezen en dat [E. ] als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure moet dragen.

In reconventie:

3.17 Nu de vordering in conventie wordt afgewezen, moet het beslag dat ter verzekering van die vordering is gelegd als onrechtmatig worden aangemerkt en derhalve worden opgeheven.

3.18 Dat brengt met zich dat de vordering moet worden toegewezen en dat [E. ] als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure moet dragen.

4. De uitspraak

De rechtbank:

In conventie:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [E. ] in de kosten van de procedure aan de zijde van [F.] gevallen en tot op heden begroot op:

vast recht € 870,00

salaris procureur 3.469,50

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie:

heft op de op de onroerende zaken van [F.] gelegde beslagen;

veroordeelt [E. ] in de kosten van de procedure aan de zijde van [F.] gevallen en tot op heden begroot op:

salaris procureur 390,00

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. De Kerpel-van de Poel en Hoekstra, rechters, en Goessen, rechter-plaatsvervanger, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MT