Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF8430

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
12-05-2003
Zaaknummer
74476 - HA ZA 02-406
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 7 mei 2003

Zaaknummer : 74476 / HA ZA 02-406

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[De heer J. ],

wonende te Valkenburg,

eiser na verwijzing,

procureur: mr Ch.F.M.P. Spreksel;

tegen:

[De heer H. ], h.o.d.n. The Read Shop Kerkrade,

wonende, althans zaakdoende te Kerkrade,

gedaagde na verwijzing,

procureur: mr J.F.E. Kikken.

1. Het verloop van de procedure

Eiser na verwijzing, [De heer J. ], heeft gedaagde na verwijzing, [De heer H. ] gedagvaard voor de kantonrechter te Heerlen. [Gedaagde na verwijzing] heeft een incidentele conclusie tot exceptie van onbevoegdheid, tevens houdende conclusie van antwoord genomen. Hij heeft daarbij producties overgelegd.

[Eiser na verwijzing] heeft daarop geantwoord in het incident.

Bij tussenvonnis van 7 februari 2001 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen bepaald, welke heeft plaatsgevonden op 8 maart 2001. Proces-verbaal van die comparitie bevindt zich bij de stukken. Vervolgens heeft de kantonrechter zich bij vonnis van 13 maart 2002 onbevoegd verklaard om van de vordering van [Eiser na verwijzing] kennis te nemen en heeft hij de zaak verwezen naar deze rechtbank.

[Eiser na verwijzing] heeft [Gedaagde na verwijzing] vervolgens bij exploot opgeroepen om voor deze rechtbank ter terechtzitting te verschijnen, waarna zich voor [Gedaagde na verwijzing] een procureur heeft gesteld.

Op de voet van artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) is door deze rechtbank een comparitie na antwoord gelast. Bij brief van 19 juni 2002 zijn door [Eiser na verwijzing] stukken overgelegd ten behoeve van de comparitie. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

[Gedaagde na verwijzing] is tot 1 mei 1999 in loondienst van [Eiser na verwijzing] werkzaam geweest in diens winkel "The Readshop" gevestigd aan [adres]. Bij overeenkomst van 16 april 1999 heeft [Gedaagde na verwijzing] de bedrijfsuitrusting en handelsvoorraad van [Eiser na verwijzing] gekocht per 10 mei 1999. Op 10 mei 1999 heeft [Gedaagde na verwijzing] zich overeenkomstig de bedoeling van partijen in dat pand gevestigd teneinde daar zijn bedrijf uit te gaan oefenen. Vervolgens is [Gedaagde na verwijzing], naar zijn zeggen nadat hem door [Eiser na verwijzing] te kennen was gegeven dat de verhuurder van het pand, VastNed Retail N.V., hierna te noemen "VastNed", niet akkoord ging met indeplaatsstelling van [Gedaagde na verwijzing], op zoek gegaan naar andere bedrijfsruimte en heeft zich per 4 juli 1999 elders gevestigd.

Op 30 juni 1999 heeft [Eiser na verwijzing] een door VastNed ondertekende akte indeplaatsstelling aan [Gedaagde na verwijzing] gezonden met het verzoek die akte te ondertekenen en aan VastNed te verzenden. [Gedaagde na verwijzing] heeft daarop aan VastNed medegedeeld dat van een indeplaatsstelling geen sprake zal zijn.

VastNed heeft daarop [Eiser na verwijzing] in rechte betrokken, in welke procedure onder meer betaling van de huurpenningen over de maanden mei tot en met december 1999, vermeerderd met de wettelijke rente en incassokosten, werd gevorderd.

Bij vonnis van 14 november 2001 heeft de kantonrechter [Eiser na verwijzing] in die procedure onder meer veroordeeld tot betaling van

f. 32.808,31,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2000 tot aan de dag der algehele voldoening, f. 428,20 terzake van wettelijke rente tot (naar de rechtbank begrijpt:) 1 januari 2000, en f. 4.921,25 terzake van buitengerechtelijke incassokosten. Daarbij is [Eiser na verwijzing] veroordeeld in de proceskosten ad f. 3.270,75.

[Eiser na verwijzing] heeft gevorderd [Gedaagde na verwijzing] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te veroordelen om aan [Eiser na verwijzing] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

1. vanwege onverschuldigde betaling de somma van f. 202,97, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 1999, althans de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

2. een bedrag ad f. 2.831,80, te vermeerderen met de wettelijke rente over f. 211,50 vanaf 27 juni 1999, over f. 653,25 vanaf 2 juli 1999, over f. 1.191,22 vanaf 1 juli 1999, over f. 346,37 vanaf 28 juni 1999, over f. 201,14 vanaf 8 juli 1999, over een bedrag ad f. 228,32 vanaf 13 juli 1999, althans te vermeerderen met de wettelijke rente over f. 2.831,80, alles tot aan de dag der algehele voldoening;

3. een bedrag ad f. 815,02, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 1999, althans de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;

4. een bedrag ad f. 1.762,50 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

5. een bedrag ad f. 40.157,76, vermeerderd met de wettelijke rente over f. 32.808,31 vanaf 1 januari 2000, althans de dag der dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening, althans het bedrag waarvoor [Eiser na verwijzing] in de procedure tegen Vast Ned Retail B.V. bekend bij het Kantongerecht Heerlen onder rolnummer 67322/ cv expl. 99-387 wordt veroordeeld.

Tevens is gevorderd [Gedaagde na verwijzing] te veroordelen in de kosten van de procedure.

[Eiser na verwijzing] heeft daartoe - kort samengevat - het volgende aangevoerd:

ad 1. die vordering vloeit voort uit teveel betaald salaris; [Gedaagde na verwijzing] heeft verschuldigdheid ervan erkend;

ad 2. dat is een vordering terzake door [Eiser na verwijzing] voor [Gedaagde na verwijzing] gekochte schoolspullen, welk bedrag door [Gedaagde na verwijzing] is erkend, doch onbetaald gelaten;

ad 3. dat betreft een vordering van reeds betaalde VVV-bijdrage, Winkeliersverenigingbijdrage, Beveiligingsabonnement, en de gemeentelijke OZB;

ad 4. de gevorderde buitengerechtelijk incassokosten is [Eiser na verwijzing] verschuldigd geraakt doordat hij zich genoodzaakt heeft gezien de vordering ter incasso uit handen te geven;

ad 5. gevorderd wordt schadevergoeding als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten van [Gedaagde na verwijzing] jegens [Eiser na verwijzing]; immers [Gedaagde na verwijzing] heeft in strijd met eerdere afspraken de indeplaatsstellingsovereenkomst niet willen ondertekenen en aldus bewerkstelligd dat de verhuurster geen akte indeplaatsstelling heeft verleend.

De vordering wordt door [Gedaagde na verwijzing] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord en de processen-verbaal van comparitie.

3. De beoordeling

3.1

[Gedaagde na verwijzing] erkent de ad 1. (uit hoofde van teveel betaald salaris) en ad 2. (voor de aanschaf van schoolspullen) gevorderde bedragen aan [Eiser na verwijzing] verschuldigd te zijn, doch beroept zich op verrekening van die bedragen met de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het feit dat hij zijn bedrijfsactiviteiten gedwongen heeft moeten verplaatsen door het onrechtmatig handelen van [Eiser na verwijzing]. [Gedaagde na verwijzing] verwijst daarbij naar de aansprakelijkstelling die zijn raadsman op 15 juli 1999 aan [Eiser na verwijzing] heeft gestuurd.

De rechtbank overweegt dat zij de ad 1 en ad 2 gevorderde hoofdsommen overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:136 BW zal toewijzen nu de gegrondheid van het verweer van [Gedaagde na verwijzing] niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en die vorderingen overigens voor toewijzing vatbaar zijn.

3.2

Met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente over die bedragen, merkt de rechtbank op dat die zal worden toegewezen conform gevorderd omdat de rechtbank met [Eiser na verwijzing] van oordeel is dat de in de facturen opgenomen vervaldata als fatale termijnen hebben te gelden, en niet betwist is dat met betrekking tot het ad 1. gevorderde bedrag eveneens een termijn voor nakoming als gesteld is gegeven.

3.3

De vordering ad 3. is volgens [Eiser na verwijzing] opeisbaar uit hoofde van de overeenkomst d.d. 16 april 1999. [Gedaagde na verwijzing] verweert zich daartegen door te verwijzen naar artikel 6 van die overeenkomst, waarin is bepaald dat [Gedaagde na verwijzing] geen schulden aan derden van [Eiser na verwijzing] overneemt.

Nu [Eiser na verwijzing] daar niets tegen in heeft gebracht en ook niet heeft aangegeven op welk artikel van de overeenkomst hij zijn vordering baseert, zal de rechtbank die vordering als voldoende weersproken afwijzen.

3.4

Met betrekking tot de vordering ad 5. verweert [Gedaagde na verwijzing] zich als volgt. Hij zou de huurverplichtingen eerst overnemen wanneer de verhuurder uitdrukkelijk akkoord zou zijn met overname door hem van het huurcontract. Aangezien dhr. [O.] van de Readshop volgens [Gedaagde na verwijzing] op 15 juni 1999 heeft gebeld met de mededeling dat hij in opdracht van [Eiser na verwijzing] moest zeggen dat de verhuurder niet met overname akkoord ging, was hij vrij om uit te zien naar andere bedrijfsruimte.

Ter comparitie is van de zijde van [Eiser na verwijzing] aangevoerd dat [O.], als die al gebeld zou hebben, niet namens [Eiser na verwijzing] verklaard zou hebben. Gezien die - door [Gedaagde na verwijzing] niet weersproken - betwisting van volmachtverlening terzake de bewuste mededeling aan [O.], doet niet terzake of [O.] daadwerkelijk heeft medegedeeld dat de verhuurder niet met overname akkoord gaan. Een mogelijke uitlating in die zin kan niet aan [Eiser na verwijzing] worden toegerekend. De rechtbank verwerpt derhalve dit verweer van [Gedaagde na verwijzing].

[Gedaagde na verwijzing]' stelling dat (nog) geen huurovereenkomst bestond, is, gelet op voornoemd verweer, het vaststaande feit dat het de bedoeling van partijen was dat [Gedaagde na verwijzing] de bedrijfsruimte aan [adres] zou betrekken, en daar ook daadwerkelijk van 10 mei 1999 tot 4 juli 1999 gebruik van heeft gemaakt, en VastNeds bereidheid medewerking aan indeplaatsstelling door [Gedaagde na verwijzing] te verlenen, te weinig onderbouwd om [Eiser na verwijzing]s stelling dat [Gedaagde na verwijzing] vanwege de gemaakte afspraken de indeplaatsstellingsovereenkomst moest ondertekenen, te ontkrachten.

[Gedaagde na verwijzing]' stelling dat hij door [Eiser na verwijzing] voor de door hem gestelde gevorderde schadevergoeding tengevolge van achterstallige huurpenningen in gebreke gesteld had moeten worden, miskent het bepaalde artikel 6:83 sub b BW - inhoudende dat het verzuim zonder ingebrekestelling intreedt wanneer de verbintenis strekt tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 74 lid 1 en de verbintenis niet terstond wordt nagekomen -. De rechtbank verwerpt derhalve dat verweer.

Nu vast staat dat [Eiser na verwijzing] de huurpenningen van mei 1999 tot en met december 1999 aan VastNed heeft betaald, terwijl die gelet op de verplichting van [Gedaagde na verwijzing] om mee te werken aan indeplaatsstelling van hem als huurder, eigenlijk voor rekening van [Gedaagde na verwijzing] hadden horen te komen, zal de rechtbank conform [Eiser na verwijzing]s vordering die huurpenningen, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten, als zijnde onweersproken schadebedragen toewijzen.

Wel weersproken zijn de proceskosten waarin [Eiser na verwijzing] is veroordeeld in zijn procedure tegen VastNed. Nu [Eiser na verwijzing] niet weersproken heeft [Gedaagde na verwijzing]' stelling dat een procedure tegen VastNed kansloos was en door [Eiser na verwijzing] dus niet gevoerd had moeten worden, zal de rechtbank de vordering voorzover op de proceskostenveroordeling betrekking hebbend afwijzen.

Mede gelet op het dictum van het door [Eiser na verwijzing] overgelegde vonnis van de kantonrechter te Heerlen in de zaak van VastNed tegen [Eiser na verwijzing], zal de rechtbank op grond van het voorgaande [Gedaagde na verwijzing] veroordelen tot betaling van f. 32.808,31, (€ 14.887,76) vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2000, f. 428,20 (€ 194,31) en f. 4.921,25 (€ 2.233,17).

3.5

Met betrekking tot de ad 4. gevorderde buitengerechtelijke incassokosten overweegt de rechtbank dat nu [Gedaagde na verwijzing] gemotiveerd betwist heeft dat andere kosten zijn gemaakt dan die waarvoor de in de artikelen 56 en 57 Rv (oud) bedoelde kosten een vergoeding plegen in te houden, en [Eiser na verwijzing] zijn stellingen naar aanleiding van dat verweer niet nader geadstrueerd heeft, terwijl uit de overgelegde stukken niet is gebleken van verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een - niet-aanvaard - schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier, de rechtbank de gevorderde incassokosten zal afwijzen.

3.6

De kantonrechter heeft een beslissing over de proceskosten in het incident aangehouden. De rechtbank overweegt dienaangaande dat, nu [Gedaagde na verwijzing] het incident blijkens het vonnis van de kantonrechter d.d. 13 maart 2002 terecht heeft opgeworpen, [Eiser na verwijzing] in de proceskosten van [Gedaagde na verwijzing] in het incident gemaakt, veroordeeld zal worden.

Met betrekking tot de proceskosten in de hoofdzaak overweegt de rechtbank dat [Gedaagde na verwijzing], als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld worden de proceskosten van [Eiser na verwijzing] te dragen.

4. De rechtbank :

veroordeelt [Gedaagde na verwijzing] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [Eiser na verwijzing] te betalen:

1. een bedrag van € 92,10, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 1999 tot de dag der algehele voldoening;

2. een bedrag van € 1.285,01, vermeerderd met de wettelijke rente over € 95,97 vanaf 27 juni 1999, over € 296,43 vanaf 2 juli 1999, over € 540,55 vanaf 1 juli 1999, over € 157,18 vanaf 28 juni 1999, over € 91,27 vanaf 8 juli, over € 103,61 vanaf 13 juli 1999, tot aan de dag der algehele voldoening;

3. een bedrag van € 17.315,24 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2000 over € 14.887,76;

veroordeelt [Gedaagde na verwijzing] tot betaling van de proceskosten in de hoofdzaak van [Eiser na verwijzing] tot op heden begroot op € 41,43 aan dagvaardingskosten, € 193,- aan vastrecht, en € 780,- voor salaris procureur;

veroordeelt [Eiser na verwijzing] tot betaling van de proceskosten in het incident van [Gedaagde na verwijzing] tot op heden begroot op € 585,- voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. De Kerpel-van de Poel, rechter, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.