Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF8428

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-05-2003
Datum publicatie
12-05-2003
Zaaknummer
72040 / HA ZA 02-76
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis : 7 mei 2003

Zaaknummer : 72040 / HA ZA 02-76

De rechtbank te Maastricht, meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[De heer H. ],

wonende te Roermond,

appellant,

procureur mr. L.J.M. Stikkelbroeck;

tegen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid NETHERLANDS CAR BV,

gevestigd te Born, gemeente Sittard-Geleen,

geïntimeerde sub 1,

procureur mr. I.I.J. Slangen;

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ADECCO AUTOMOTIVE BV,

gevestigd te Born, gemeente Sittard-Geleen,

geïntimeerde sub 2,

procureur mr. E.J.J.M. Kneepkens.

1. Het verloop van de procedure in eerste aanleg

Voor het verloop van de procedure in eerste aanleg verwijst de rechtbank naar het vonnis van de kantonrechter te Sittard van 26 september 2001, gewezen onder zaak/rolnummer 85714 CV EXPL 01-154 tussen appellant, verder te noemen "[H.]", als eiser en geïntimeerden, verder respectievelijk te noemen "Nedcar" en "Adecco", als gedaagden. Genoemd vonnis is in kopie aan deze uitspraak gehecht.

2. Het verloop van de procedure in hoger beroep

[Appellant] is bij dagvaarding van 20 december 2001, derhalve tijdig, in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis bij deze rechtbank. [Appellant] heeft vervolgens, onder overlegging van de processtukken van de eerste aanleg, een memorie van grieven genomen.

Vervolgens heeft Nedcar, onder overlegging van producties en het procesdossier van de eerste aanleg, een memorie van antwoord genomen, waarna ook Adecco, na zuivering van het tegen haar verleende verstek, onder overlegging van producties en het procesdossier van de eerste aanleg, een memorie van antwoord heeft genomen.

Ten slotte hebben geïntimeerden vonnis op het rechtbankdossier gevraagd. De uitspraak van dat vonnis is nader bepaald op heden.

3. Het geschil, de grieven en de vorderingen in appèl

3.1

Het gaat in de onderhavige zaak om het volgende.

Van 1 juli 1996 tot 1 juli 2000 heeft [Appellant] montagewerkzaamheden bij Nedcar verricht. Tot en met 30 juni 1997 verrichtte hij die werkzaamheden op basis van een uitzendovereenkomst via uitzendbureau Interzend B.V.

Vanaf 1 juli 1997 verrichte [Appellant] die werkzaamheden op grond van de door hem op die datum met Adecco gesloten overeenkomst, onder meer inhoudende:

"De ondergetekenden:

1. … Adecco …

nader te noemen de werkgever

en:

2. … [Appellant] …

nader te noemen de werknemer

verklaren te zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1

De werknemer treedt met ingang van 1 juli 1997 bij de werkgever in dienst als taakgroepmedewerker ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden in het kader van het projectnummer 8004 van Netherlands Car B.V., hierna aangeduid als "opdrachtgever".

Werknemer wordt tewerkgesteld te Born, op de afdeling Montage... …

Artikel 2

Deze arbeidsovereenkomst wordt aangegaan voor de duur van de detacheringsovereenkomst tussen werkgever en opdrachtgever. Deze arbeidsovereenkomst eindigt van rechtswege zodra de detacheringsovereenkomst door opdrachtgever is beëindigd en heeft een minimale looptijd tot en met 1 juli 1998, gedurende welke termijn beëindiging van werkgeverszijde niet mogelijk is. De detacheringsovereenkomst tussen werkgever en opdrachtgever wordt als beëindigd beschouwd zodra werkgever, na het verstrijken van bovengenoemde minimale termijn, hiervan mededeling ontvangt van opdrachtgever. Werkgever zal hiervan mededeling doen aan werknemer met inachtneming van een aanzegtermijn van vier weken.

Onverminderd de looptijd van de detacheringsovereenkomst, zal deze arbeidsovereenkomst in ieder geval van rechtswege beëindigd zijn per 1 juli 2000... …

Bij brief van 24 december 1998 heeft Adecco [Appellant] laten weten:

"Op 1 januari 1999 treedt de Wet Flexibiliteit en Zekerheid in werking. De invoering van deze wet heeft gevolgen voor uw arbeidsovereenkomst met Adecco... …

Aangezien u in dit jaar reeds meer dan 1000 uren voor ons heeft gewerkt, zijn wij, volgens de overgangsregeling behorende bij de nieuwe CAO voor uitzendkrachten, verplicht om deze overeenkomst op 30 juni 1999 van rechtswege ... … te beëindigen, …

...Om deze voor u nadelige gevolgen te ondervangen, hebben wij uw arbeidsovereenkomst aangepast.

Met terugwerkende kracht, vanaf datum in dienst, dient uw arbeidsovereenkomst met Adecco ... … als volgt gelezen te worden.

Onderstaande vervangt artikel 2 uit uw arbeidsovereenkomst.

Werknemer treedt op 01/7/97 voor bepaalde tijd in dienst van Werkgever, zodat deze overeenkomst van rechtswege eindigt op 01/7/00, zonder dat voorafgaande opzegging is vereist.

De overige bepalingen uit uw arbeidsovereenkomst met Adecco ...… blijven onverminderd van kracht.

Mocht u het met de inhoud van deze brief niet eens zijn, dan verzoek ik u binnen 2 weken contact op te nemen met uw contactpersoon ...…

Bij brief van 22 juni 2000 heeft Adecco [Appellant] bericht dat zijn arbeidsovereenkomst met Adecco 1 juli 2000 van rechtswege eindigt.

Na die datum kon [Appellant] niet meer bij Nedcar terecht.

3.2

[Appellant] heeft op grond van het vorenstaande Nedcar en Adecco voor de kantonrechter te Sittard gedagvaard en gevorderd - kort gezegd -:

1. te verklaren voor recht dat de opzegging, althans de beëindiging van de arbeidsovereenkomst per 1 juli 2000 nietig is;

2. te verklaren voor recht dat [Appellant] in dienst is van Nedcar, althans Adecco;

3. Nedcar te veroordelen om aan [Appellant] salaris te betalen van f. 3.439,- bruto per vier weken, te vermeerderen met de vaste ploegentoeslag canform de CAO Metaalindustrie, de wettelijke verhoging en de wettelijke rente, althans Adecco te veroordelen [Appellant] op en na 1 juli 2000 in de functie van monteur bij Nedcar tewerk te stellen, op straffe van een dwangsom van f. 200,- per dag, onder doorbetaling van dat salaris, en vermeerderingen;

4. gedaagden te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten, begroot op f. 2.000,- excl. BTW;

5. gedaagden te veroordelen in de proceskosten

De kantonrechter heeft de vordering van [Appellant] afgewezen.

3.3

[Appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is zijn daartegen bij deze rechtbank in appèl gekomen.

Hij heeft de navolgende grieven aangevoerd:

Grief 1:

Ten onrechte overweegt de kantonrechter dat er geen sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [Appellant] en Nedcar en dat Nedcar niet gehouden is [Appellant] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of anderszins aan te bieden.

Grief 2:

Ten onrechte overweegt de kantonrechter dat [Appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat Nedcar jegens hem onrechtmatig gehandeld heeft.

Grief 3:

Ten onrechte heeft de kantonrechter de overeenkomst tussen [Appellant] en Adecco als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd beschouwd, die ingegaan is op 1 juli 1997 en die uiterlijk 1 juli 2001 (de rechtbank verstaat dat de kantonrechter hier "2000" heeft bedoeld) van rechtswege eindigt.

Grief 4:

Ten onrechte overweegt de kantonrechter dat door de brief van 24 december 1998 van Adecco aan [Appellant] geen wijziging in de arbeidsovereenkomst d.d. 1 juli 1997 is opgetreden.

Grief 5:

Ten onrechte oordeelt de kantonrechter dat op grond van art. XIX van de overgangsregelingen van de Wet Flexibiliteit en Zekerheid de arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan voor 1 januari 1999 volgens het oude recht behandeld moeten worden.

Grief 6:

Ten onrechte overweegt de kantonrechter dat de CAO voor Uitzendkrachten niet van toepassing is en indien deze CAO van toepassing zou zijn, op grond van de overgangsbepalingen van de CAO de lopende overeenkomsten volgens het oude recht afgehandeld moeten worden.

Grief 7:

Ten onrechte heeft de kantonrechter de vorderingen die [Appellant] tegen Adecco ingesteld heeft verworpen.

De grieven zijn door [Appellant] afzonderlijk toegelicht.

Voor de betwisting van de grieven wordt verwezen naar de respectieve memories van antwoord.

In appèl heeft [Appellant] gevorderd hetgeen in eerste aanleg bij de kantonrechter was gevorderd, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten.

4. De beoordeling

4.1

De voorgestelde grieven leggen het geschil tussen partijen in zijn volle omvang aan de rechtbank ter beoordeling voor en de rechtbank zal die grieven daarom gezamenlijk bespreken.

4.2

Evenals de kantonrechter is de rechtbank van oordeel dat tussen [Appellant] en Nedcar geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan.

De rechtbank stelt daarbij voorop dat het stelsel van de wet, waarin als arbeidsovereenkomst wordt gedefinieerd de overeenkomst waarbij de werknemer zich verbindt in dienst van de werkgever tegen loon arbeid te verrichten, het onmogelijk maakt om voor één pakket werkzaamheden, door een werknemer via een uitzendbureau bij een derde verricht, meer dan één arbeidsovereenkomst aanwezig te achten.

Derhalve kan in situaties als de onderhavige geen sprake zijn van een arbeidsovereenkomst met het bedrijf waar de werkzaamheden worden verricht, wanneer vast staat dat een arbeidsovereenkomst tussen de werknemer en de uitlener tot stand is gekomen.

In casu leiden de volgende omstandigheden de rechtbank tot het oordeel dat [Appellant] een arbeidsovereenkomst met Adecco heeft gesloten:

- in de onder 3.1 aangehaalde overeenkomst tussen [Appellant] en Adecco, wordt ondubbelzinnig over een arbeidsovereenkomst gesproken;

- op Adecco rustte de verplichting tot loonbetaling en tot inhouding en afdracht van sociale verzekeringspremies en loonbelasting;

- Adecco droeg ook, zoals in eerste aanleg als niet weersproken is komen vast te staan, het risico van wanbetaling door Nedcar;

- de verantwoordelijkheid voor administratieve zaken en eventuele disciplinaire maatregelen lag bij Adecco;

- het ontbreken van een contractuele relatie tussen [Appellant] en Nedcar.

Terecht heeft de kantonrechter overwogen dat het feit dat Adecco een deel van haar werkgeversgezag delegeerde aan opdrachtgever Nedcar en in feite nauwelijks zeggenschap had over de concrete arbeidsomstandigheden en het functioneren van [Appellant], Nedcar niet tot werkgever maakte.

Ook [Appellant]' stelling dat het Nedcar was die bepaalde dat hij via Interzend of Adecco bij haar kon komen werken, en dat die constructie feitelijk niet in overeenstemming was met de feitelijke aard van de verhouding tussen Nedcar en [Appellant], maakt dat niet anders. Feit is immers dat [Appellant] blijkens zijn ondertekening van de overeenkomst met Adecco de gekozen constructie geaccepteerd heeft.

4.3

Nu [Appellant] nimmer bij Nedcar in dienst is geweest, is in casu geen sprake van een draaideurconstructie en kon [Appellant] jegens Nedcar geen aanspraak maken op een vast dienstverband. De vraag of [Appellant] aanspraak kon maken op continuering van verschillende arbeidscontracten van bepaalde duur, speelt derhalve in ieder geval niet in de relatie [Appellant] - Nedcar. Op grond van het voorgaande kan het niet aanbieden van een vast dienstverband door Nedcar dus niet onrechtmatig geoordeeld worden.

De gestelde niet nakoming van de Arbeidsvoorzieningswet 1990 door Adecco doet daar niet aan af. Voorzover al sprake zou kunnen zijn van doorwerking in de relatie inlener - uitzendkracht van het niet naleven van de in die wet aan de uitlener gegeven vergunningsvoorschriften betreffende het ter beschikking stellen van arbeidskrachten, is de rechtbank immers, zoals hierna onder 4.5 wordt overwogen, van oordeel dat Adecco de regels uit die wet niet heeft overtreden.

4.4

De stelling van [Appellant] dat Nedcar hem heeft beloofd dat hij na een eerste periode via een uitzendbureau en een tweede periode via een detacheringsbedrijf in vaste dienst van Nedcar zou komen, is door Nedcar gemotiveerd betwist. Daar [Appellant] zijn stelling feitelijk niet nader heeft onderbouwd en slechts een in algemene bewoordingen geformuleerd bewijsaanbod heeft gedaan dat de rechtbank onvoldoende gespecificeerd acht om hem op dit punt tot het bewijs toe te laten, zal de rechtbank deze stelling passeren.

4.5

Ten aanzien van de gestelde overtreding van de Arbeidsvoorzieningswet 1990 overweegt de rechtbank als volgt.

Tussen partijen bestaat consensus over het feit dat ondanks het in die wet gegeven verbod iemand langer dan 6 maanden aan dezelfde inlener ter beschikking te stellen, uitzendtermijnen tot 12 maanden door het Centraal Bestuur van de Arbeidsvoorziening werden gedoogd.

Aangezien die bepaling van de Arbeidsvoorzieningswet 1990 per 1 juli 1998 is vervangen door de directe werking hebbende Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (WAADI), waarin geen maximale uitzendtermijn meer is opgenomen, heeft de overtreding geen juridische relevantie: een periode van 12 maanden werd immers gedoogd terwijl [Appellant] bij de inwerkingtreding van de WAADI niet langer dat 12 maanden in dienst was.

Het feit dat bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst tussen Adecco en [Appellant] de mogelijkheid werd opengehouden voor een tewerkstellingsperiode van drie jaar maakt dat niet anders. De rechtbank merkt in dit kader nog op dat de onzekerheden die de ten tijde van de Arbeidsvoorzieningswet 1990 gangbare uitzendovereenkomsten in zich droegen, grotendeels werden ondervangen door het feit dat [Appellant] een arbeidsovereenkomst met Adecco had afgesloten.

De stelling van [Appellant] dat de arbeidsovereenkomst met Adecco vanwege de overtreding van de maximale termijn als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd beschouwd moet worden, dient reeds gelet op het voorgaande gepasseerd te worden.

4.6

Ook de stelling dat de overeenkomst met Adecco als een overeenkomst voor onbepaalde tijd heeft te gelden vanwege het feit dat de einddatum niet objectief bepaalbaar was, wordt door de rechtbank verworpen. De in artikel 2 van de onder 3.1 aangehaalde arbeidsovereenkomst opgenomen zinsnede dat de overeenkomst in ieder geval van rechtswege beëindigd zal zijn per 1 juli 2000 kan de rechtbank namelijk niet anders lezen dan als de vaststelling van een objectief bepaalbare einddatum. Dat vóór die datum, na het eerste jaar, de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een aanzegtermijn van 4 weken op elk moment kon worden beëindigd, doet daaraan niet af, nu het vereiste van een objectief bepaalbare einddatum niet in zich houdt een vereiste van een enig mogelijk beëindigingsdatum.

4.7

In art. XIX, eerste lid, van de Overgangsregeling van de Wet Flexibiliteit en zekerheid (Flexwet) wordt bepaald dat een arbeidsovereenkomst die is aangegaan vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de wet (1 januari 1999) en op dat tijdstip voldoet aan de voorwaarden van art. 7:668a BW, niet van rechtswege wordt omgezet in een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Art. 7:668a BW is eerst van toepassing indien een volgende arbeidsovereenkomst is aangegaan binnen een termijn van 3 maanden. De onderhavige arbeidsovereenkomst eindigde op grond van dat overgangsrecht derhalve zoals voorzien op 1 juli 2000.

Nu er voor inwerkingtreding van de Flexwet geen rechtsregel bestond op grond waarvan Interzend en Adecco als elkaar opvolgende werkgevers moeten worden aangemerkt, verwerpt de rechtbank [Appellant]' stelling dat er sprake was van een voortgezette arbeidsovereenkomst als in lid 3 van art. XIX Overgangsregeling genoemd.

4.8

Partijen zijn het er thans over eens dat de CAO voor uitzendkrachten van toepassing is op [Appellant]. [Appellant] beroept zich ter onderbouwing van zijn standpunt dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan, tevens op art. 11 van die CAO. Terecht heeft Adecco in dat verband aangevoerd dat dat artikel ingevolge art. 7.E.9 van de CAO uitsluitend van toepassing is indien op de uitzendovereenkomst het fasensysteem - dat een nadere uitwerking van art. 7:691 lid 1 en lid 2 BW behelst - toepasselijk is. Nu niet is gesteld noch uit de overgelegde arbeidsovereenkomst of anderszins is gebleken dat partijen op basis van het - ten tijde van het sluiten van de arbeidsovereenkomst nog niet bestaande - fasensysteem hebben gecontracteerd, gaat de rechtbank ervan uit dat artikel 11 niet van toepassing is. Ook deze stelling van [Appellant] kan derhalve niet leiden tot de conclusie dat tussen [Appellant] en Adecco een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is ontstaan.

4.9

Anders dan de kantonrechter oordeelt de rechtbank dat de onder 3.1 aangehaalde brief van Adecco van 24 december 1998 wel een voorstel voor wijziging van de arbeidsovereenkomst inhield. De wijze van beëindiging vóór de einddatum van 1 juli 2000 zou namelijk veranderen. Of de wijziging al dan niet geaccepteerd is doet niet terzake nu de onderhavige arbeidsovereenkomst zowel met als zonder die wijziging, op grond van het hiervoor overwogene, gekwalificeerd moet worden als een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, uiterlijk eindigend op 1 juli 2000.

4.10

Al het vorenstaande brengt met zich dat de beslissing van de kantonrechter dient te worden bekrachtigd, voorzoveel nodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden waarop deze berusten, als hierboven aangegeven, onder verwijzing van [Appellant] als de nagenoeg geheel in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep.

5. De uitspraak

De rechtbank:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Sittard -van 26 september 2001-, tussen partijen onder rolnummer -

85714 CV EXPL 01-154 gewezen;

veroordeelt [Appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van -Nedcar gerezen tot deze uitspraak begroot op:

€ 193 aan vastrecht en € 585 voor salaris procureur;

veroordeelt [Appellant] in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van Adecco gerezen tot deze uitspraak begroot op:

€ 193 aan vastrecht en € 585 voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis voor zover het betreft de proceskostenveroordeling jegens Adecco uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Sijmonsma, vice-president, De Kerpel-van de Poel en Hoekstra, rechters, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.