Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF8129

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
01-05-2003
Datum publicatie
01-05-2003
Zaaknummer
82677 - KG ZA 03-124
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE MAASTRICHT

Zaaknummer : 82677 / KG ZA 03-124

Datum uitspraak: 1 mei 2003

VONNIS IN HET KORT GEDING VAN:

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RML ZUIDELIJKE MEDIAGROEP B.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Maastricht,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 8 april 2003,

procureur: mr. J.J.H.S. Thomassen,

tegen:

1. De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[B. ] HOLDING MAASTRICHT B.V.,

gevestigd en kantoor houdende te Maastricht,

2. [De heer B. ],

wonende te Maastricht,

gedaagden,

procureur: mr. R.H.J.G. Borger.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Eiseres (hierna: RML) heeft gedaagden (hierna in enkelvoud: [Gedaagde]) gedagvaard in kort geding.

1.2 Ten dienende dage, 17 april 2003, heeft RML haar stellingen aan de hand van pleitaantekeningen nader doen toelichten, zulks onder verwijzing naar een set op voorhand ingezonden producties.

1.3 [Gedaagde] heeft verweer gevoerd, daarbij eveneens gebruikmakend van een pleitnota. Ook zij heeft verwezen naar een aantal op voorhand ingezonden producties.

1.4 Nadat partijen op elkaars stellingen hadden gereageerd heeft de voorzieningenrechter het geding voor enige tijd geschorst.

1.5 Na de hervatting heeft RML haar eis verminderd.

1.6 Ten slotte hebben partijen om vonnis gevraagd. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Op 8 maart 1999 is RML opgericht. Oprichters / bestuurders waren [Gedaagde] (gedaagde sub 1) en [B. ] Holding Maastricht B.V. (directeur van de laatste vennootschap is de heer H.M. [B. ]). RML hield zich bezig met het verzorgen van radio-uitzendingen in brede zin, zulks onder de namen "Radio Limburg" en "Radio Maastricht".

2.2 Op 9 juni 2000 heeft [Gedaagde] (gedaagde sub 2) het woord- en beeldmerk "Radio Maastricht" en het beeldmerk "Radio Limburg" gedeponeerd bij het Benelux Merkenbureau.

2.3 In de loop van 2002 zijn verhoudingen tussen de bestuurders van RML (lees: de heren [Gedaagde] en [B. ]) ernstig verstoord geraakt.

2.4 De uitkomst van een op 20 januari 2003 tussen partijen gevoerd kort geding is geweest, kort gezegd, dat [B. ] met RML zou voortgaan en [Gedaagde] zou uittreden. Meer in het bijzonder behelsen de tussen partijen gemaakte afspraken dat

- [B. ] Holding Maastricht B.V. de aandelen van [Gedaagde] (gedaagde sub 2) zou kopen en geleverd krijgen tegen een prijs van €

180.000,-,

- RML aan [Gedaagde] (gedaagde sub 2) nog een managementfee van € 40.000,- zou betalen, en,

- [Gedaagde] (gedaagde sub 1) per direct al zijn functies binnen RML zou neerleggen.

Dit deel van de overeenkomst is inmiddels uitgevoerd en daarover bestaat ook geen discussie.

2.5 Van belang is voorts dat in de overeenkomst de volgende passage is opgenomen:

"Zowel [Gedaagde] in persoon als [Gedaagde] Holding verplicht zich om tot 1 januari 2004 op geen enkele wijze werkzaamheden te verrichten voor, of betrokken te zullen zijn bij enige regionale radio welke in de provincie Nederlands Limburg kan worden ontvangen."

2.6 Op 20 februari 2003 heeft [Gedaagde] een (op 2 december 2002) bij het commissariaat voor de media aangevraagde zendvergunning verkregen.

2.7 Voorts heeft [Gedaagde] bij de minister van economische zaken een aanvraag voor toewijzing van etherfrequenties in Nederlands Limburg ingediend (e.e.a. op de voet van art. 3.3 lid 1 Telecommunicatiewet en art. 16 Frequentiebesluit). Ook RML heeft een dergelijke aanvraag ingediend. Mogelijk hebben nog anderen een aanvraag ingediend.

2.8 Wie de frequenties krijgt toegewezen zal beslist worden aan de hand van een "vergelijkende toets". De vergunning wordt uiterlijk 1 juni 2003 verleend, moet binnen 12 maanden in gebruik worden genomen en geldt tot 1 september 2011.

2.9 Volgens RML komt de handelwijze van [Gedaagde] als omschreven onder 2.7 in strijd met de op 20 januari 2003 gesloten overeenkomst in het kader waarvan partijen elkaar finaal hebben gekweten en levert zij (dus) wanprestatie dan wel onrechtmatig handelen op. Voorts is, naar wordt verstaan, het depot van het merk Radio Limburg nietig en is de weigering dat merk aan RML af te staan onrechtmatig.

2.10 Op grond hiervan heeft RML, na vermindering van eis, gevorderd bij vonnis, voor zover de wet toelaat uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde(n) te gebieden om de bij de commissie vergelijkende toets EZ ingediende aanvraag voor toewijzing van etherfrequenties voor een in Limburg te ontvangen radiozender onherroepelijk in te trekken binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis, zulks onder gelijktijdige toezending aan RML van de brief houdende intrekking van de aanvraag, althans om gedaagde(n) te verbieden om die aanvraag langer dan twee dagen te handhaven na betekening aan gedaagde(n) van het te wijzen vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000.000,- per overtreding en € 25.000,- per dag of dagdeel dat de overtreding voortduurt, alsmede om gedaagde(n) te gebieden om (lees:) het beeldmerk Radio Limburg binnen acht dagen na betekening van het te wijzen vonnis te doen registreren ten name van RML Zuidelijke Mediagroep, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- per overtreding en € 1.000,- per dag of dagdeel dat gedaagde(n) daarmede in verzuim is/zijn, zulks met veroordeling van gedaagde(n) in de kosten van dit geding.

2.11 [Gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling

3.1 Een voldoende spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de zaak.

3.2 Waar het betreft de voorziening [Gedaagde] ertoe te nopen haar aanvraag om een ether-frequentie in te trekken komt het aan op uitleg van het hiervoor onder 2.5 weergegeven concurrentiebeding, onderdeel uitmakende van de ter zitting van de voorzieningenrechter op 20 januari 2003 door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst.

3.3 Naar de voorzieningenrechter ambtshalve bekend is, hebben partijen destijds beoogd de grenzen van het verbod voor [Gedaagde] om concurrerende activiteiten te ontwikkelen, ruim te trekken. Dat oogmerk is tot uitdrukking gebracht in de woorden "of betrokken te zullen zijn bij". Met RML is de voorzieningenrechter van oordeel dat [Gedaagde] zich aldus heeft verplicht zich tot 1 januari 2004 van de regionale radiomarkt weg te houden.

3.4 In dat licht is de wijze waarop [Gedaagde] thans tracht in die markt voet aan de grond te krijgen - zij probeert een ook door RML felbegeerde etherfrequentie in de wacht te slepen om vanaf (de expiratiedatum van het concurrentieverbod:) 1 januari 2004 daadwerkelijk met radio-uitzendingen "in de lucht" te zijn - onmiskenbaar concurrerend jegens RML. De kans voor RML om die frequentie te bemachtigen wordt door die handelwijze immers verkleind.

3.5 De omstandigheid dat de gewilde vergunning een geldigheidsduur heeft van ruim acht jaren en het gevolg van voormelde uitleg (dus) is dat [Gedaagde] voor lange(re) tijd dreigt te worden uitgeschakeld waar het op het starten van een eigen radiozender aankomt, kan niet tot een andere uitkomst leiden. Wellicht vormt zulks reden om op basis van een wilsgebrek aan de vaststellingsovereenkomst te tornen, maar die weg heeft [Gedaagde] niet verkozen.

3.6 Tot slot heeft [Gedaagde] er nog aandacht voor gevraagd dat vermoedelijk nog derden een gooi doen naar de te vergeven etherfrequentie zodat de kans "klein" is dat RML haar bemachtigt. Nu door RML zelf wordt gesteld dat zij "tenonder" gaat mocht de frequentie aan haar neus voorbijgaan, valt te verwachten dat zij niet in staat zal zijn de schade van [Gedaagde] te vergoeden als deze in de bodemprocedure alsnog in het gelijk wordt gesteld. Hierin schuilt volgens [Gedaagde] een aanmerkelijk restitutierisico.

3.7 Voor zover [Gedaagde] RML hier in eigen zwaard wil laten lopen wordt die poging vruchteloos ondernomen. Vooreerst is dat het geval omdat [Gedaagde] bij de inschatting die zij maakt van de succeskansen voor RML op toewijzing van de frequentie, wel erg apodictisch tewerk gaat. Dat die kans klein zou zijn omdat er (een of meer) kapers op de kust zouden zijn lijkt een slag in de lucht. Dit klemt te meer als men daarbij betrekt het vermoeden van RML dat er überhaupt geen andere kandidaten zijn.

3.8 Bovendien is dit een argument dat evengoed contrair kan worden gebruikt. Als de kans klein is op toewijzing van de frequentie, dan valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien waarom dat niet ook voor [Gedaagde] zou gelden. Dat brengt aanstonds mee dat haar mogelijkheden om voor schadevergoeding op de deur van RML te kloppen gering zijn, zelfs al zou in een bodemprocedure blijken dat haar aanvraag langs de weg van dit kort geding ten onrechte is geëcarteerd.

3.9 Aldus ligt de betreffende voorziening in de primaire variant voor toewijzing gereed op de wijze als in het dictum te bepalen. Er zijn geen termen een dwangsom per overtreding op te leggen. De per dag te verbeuren dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd.

3.10 Inzet van het geding is voorts, kort gezegd, overdracht aan RML van het ten name van [Gedaagde] gedeponeerde beeldmerk van Radio Limburg. Redengevend daarvoor moet zijn dat [Gedaagde] (gedaagde sub 2) als directeur van RML dat merk, op kosten van RML, in juni 2000 bij het Benelux Merkenbureau heeft gedeponeerd en het depot op eigen naam dus als te kwader trouw verricht, nietig is. Voorts brengt de op 20 januari 2003 overeengekomen finale kwijting mee dat [Gedaagde] van dat beeldmerk geen gebruik meer mag maken.

3.11 Bij beoordeling hiervan moet voorop worden gesteld dat men als deposant, zo brengt het stelsel van de Benelux Merkenwet (BMW) mee, in beginsel uitsluitend rechthebbende op het geregistreerde merk is geworden. Op die regel wordt een uitzondering aanvaard als het depot te kwader trouw is verricht: het is dan nietig (art. 4 lid 6 BMW) en de deposant is nimmer rechthebbende op het merk geweest. RML probeert de handelwijze van [Gedaagde] onder die uitzondering te scharen.

3.12 Waar het gaat om de vraag of er sprake is van kwade trouw bij de deposant vertrekt de wetgever echter van een ander uitgangspunt dan RML. Zijn insteek is de problematiek van de wetenschap bij de deposant van het "voorgebruik" door degene die zich op de kwade trouw beroept. Hieromtrent is door RML niets aangevoerd. De feiten waarop zij wèl hamert - [Gedaagde] bekleedde ten tijde van het depot een directiefunctie bij RML en het depot is door RML bekostigd - kunnen in dat licht geen rol van betekenis spelen.

3.13 Ook kunnen die door RML aangevoerde omstandigheden voorshands niet tot het oordeel leiden dat de weigering van [Gedaagde] om bedoeld beeldmerk aan RML af te staan een onrechtmatige daad van [Gedaagde] oplevert. Daarvoor is (beduidend) meer inzicht in het feitelijk substraat nodig dan RML heeft verschaft.

3.14 Anders dan RML ingang wil doen vinden kan ten slotte evenmin worden aanvaard dat de op 20 januari 2003 overeengekomen finale kwijting meebrengt dat [Gedaagde] van het beeldmerk geen gebruik meer mag maken. Zou dit element inderdaad onder de vaststellingsovereenkomst als afgekaart moeten worden beschouwd dan is het RML die daarop afdingt. Zij vraagt immers [Gedaagde] om afstand te doen van het te zijnen name geregistreerde merk en niet andersom.

3.15 Kortom: de voorziening die tot overdracht van het beeldmerk Radio Limburg strekt moet worden afgewezen.

3.16 Nu partijen ieder op enkele punten in het ongelijk zijn gesteld zullen de kosten van het geding worden gecompenseerd.

4. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht;

RECHT DOENDE in kort geding:

Gebiedt gedaagden om binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis de bij de commissie vergelijkende toets EZ ingediende aanvraag voor toewijzing van etherfrequenties voor een in Limburg te ontvangen radiozender onherroepelijk in te trekken, zulks onder gelijktijdige toezending aan RML van de brief houdende intrekking van de aanvraag, een en ander op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag of dagdeel dat gedaagden hiermee in gebreke blijven, de dwangsommen maximerend tot € 150.000,-;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Compenseert de kosten van het geding des dat iedere partij de eigen kosten draagt;

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. A.M. Adelmeijer, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in het bijzijn van de griffier.

RQ