Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF7706

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-04-2003
Datum publicatie
24-04-2003
Zaaknummer
75272 - HA ZA 02-515
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 16 april 2003

Zaaknummer : 75272 / HA ZA 02-515

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap VOLA GELDLENINGEN B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

procureur mr. W.C.M. Coenen;

tegen:

[De heer H. ],

wonende te Heerlen,

gedaagde sub 1,

procureur mr. F.H.C. Aarts.

en

[Mevrouw S. ],

wonende te Heerlen,

gedaagde sub 2,

procureur mr. F.H.C. Aarts.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen Vola, heeft gedaagden, hierna te noemen [Gedaagde], gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. Op de eerstdienende dag heeft Vola bij akte nog 3 producties in het geding gebracht. [Gedaagde] heeft daarna onder het overleggen van 16 producties geantwoord.

Vervolgens heeft Vola gerepliceerd en heeft [Gedaagde] geconcludeerd voor dupliek.

Ten slotte heeft Vola vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 [Gedaagde] heeft met Vola op of omstreeks 26 augustus 1999 een overeenkomst van geldlening gesloten, in de vorm van een doorlopend krediet van maximaal fl. 38.208,- met een variabele kredietvergoeding. Bij het totstandkomen van deze overeenkomst trad De Spaar- en Kredietcentrale op als gevolmachtigde van Vola.

Het rentepercentage bedroeg ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst 8,7% op jaarbasis. Bij het afsluiten van de overeenkomst heeft [Gedaagde] een bedrag ad f 35.000,- aan krediet opgenomen en ten laste van het krediet f 3.208,- doen betalen aan verzekeringsmaatschappij Cardif. Op dezelfde datum heeft [Gedaagde] een overlijdensrisicoverzekering en een arbeidsongeschiktheidsverzekering afgesloten bij Cardif en een aandelenlease-overeenkomst gesloten met Bank Labouchere, waarvan de rechten tot zekerheid van de geldlening zijn verpand aan Vola.

Vola heeft [Gedaagde] bij brief van 28 maart 2001 gesommeerd de op dat moment achterstallige termijnen (in totaal f 698,02) te voldoen, met de mededeling dat bij niet voldoen het gehele resterende saldo direct en opeens opeisbaar zou zijn.

Bij brief van 16 juli 2001 heeft [Gedaagde] Vola laten weten de overeenkomst te vernietigen op grond van dwaling als Vola niet met terugwerkende kracht tot aan het begin van de overeenkomst een rentepercentage van 5,8% in rekening brengt en het inmiddels teveel betaalde restitueert.

Bij brief van 26 juli 2001 deelt Vola aan [Gedaagde] mee dat zij nakoming van de overeenkomst verlangt, waarop [Gedaagde] bij brief van 2 augustus 2001 de overeenkomst vernietigt.

Vola stelt [Gedaagde] bij brief van 6 september 2001 in gebreke per 20 september 2001.

2.2 Vola stelt dat [Gedaagde] niet voldoet aan zijn verplichtingen voortvloeiende uit de tussen partijen gesloten overeenkomst van geldlening en dat door ingebrekestelling van [Gedaagde] door Vola ingevolge artikel 8 van de Algemene Voorwaarden van Vola het saldo der geldlening ad € 20.717,53 direct opeisbaar is geworden.

De overeenkomst tussen partijen kan volgens Vola niet worden vernietigd op grond van dwaling, aangezien niet Vola maar de Spaar- en Kredietcentrale verantwoordelijk is voor een eventueel tekort schieten in de informatieverschaffing. De Spaar- en Kredietcentrale is als bemiddelaar opgetreden in de verhouding Vola - [Gedaagde], maar handelt op eigen naam en is geen volmachthouder van Vola. Ook is Vola niet betrokken bij de overeenkomsten van [Gedaagde] met Cardif en Bank Labouchere, en heeft het afsluiten van betreffende overeenkomsten niet als voorwaarde gesteld voor het aangaan van de overeenkomst tot geldlening tussen partijen.

Bovendien dient een eventuele dwaling van [Gedaagde] met betrekking tot het rentepercentage voor zijn rekening te blijven nu de overeenkomst op het punt van het rentepercentage duidelijk is en geen ruimte laat voor een andere interpretatie.

2.3 Vola heeft op grond van het vorenstaande gevorderd, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [Gedaagde] te veroordelen, hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan Volta tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen

- de som van € 20.717,53, vermeerderd met de overeengekomen - en afhankelijk van de ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt tot het maximum van het besluit volgens de art. 35 en 36 Wet op het consumentenkrediet aan te passen- rentevergoeding, op de dag der dagvaarding (24 mei 2002) uitmakende 0,89% per maand, te rekenen vanaf de dag der dagvaarding, over het alsdan verschuldigde bedrag,

- de kosten van dit geding, daaronder begrepen een bedrag voor de gestelde procureur en de verschuldigde B.T.W.

2.4 [Gedaagde] voert verweer hetwelk - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende inhoudt.

[Gedaagde] stelt dat de overeenkomst tot geldlening met Vola door hem buiten rechte is vernietigd op grond van dwaling en betwist deswege de rechtsgrond voor de vordering van Vola; in plaats van de door Vola gestelde vordering uit overeenkomst betreft dit een vordering uit onverschuldigde betaling. Ook de hoogte van het rentepercentage wordt door [Gedaagde] betwist en hij stelt aan Vola verschuldigd te zijn f 38.208,- vermeerderd met een vast rentepercentage van 5,8% rente vanaf 26 augustus 1999.

De dwaling bestaat daaruit dat de Spaar- en Kredietcentrale als bemiddelaar een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven in haar folder; in plaats van de aldaar genoemde 5,8 % rente betaalt [Gedaagde] (ten tijde van de CvA te weten 18 juli 2002) 11,1% rente en de in de folder genoemde aftrekbaarheid van de rente was ten tijde van het afsluiten van de overeenkomst niet meer van toepassing op een lening als de onderhavige.

Vola weet van- en profiteert van de door de beloften van haar tussenpersoon ontstane dwaling, hetgeen een onrechtmatige daad van Vola jegens [Gedaagde] oplevert.

3. De beoordeling

3.1 Om vast te stellen of de overeenkomst tussen partijen buitengerechtelijk is vernietigd, zoals [Gedaagde] stelt, dient de rechtbank te onderzoeken of het beroep op dwaling aan de zijde van [Gedaagde], slaagt.

3.2.1 De rechtbank begrijpt uit de door Vola als productie 1 bij dagvaarding overgelegde geldleningsovereenkomst dat [Gedaagde] van Vola f 38.208,- heeft geleend. De Spaar- en Kredietcentrale is daarbij voor Vola als gemachtigde opgetreden.

Uit hetgeen door [Gedaagde] is gesteld leidt de rechtbank af dat De Spaar- & Kredietcentrale [Gedaagde] heeft voorgespiegeld dat hij rentevoordeel en fiscaal voordeel kon halen indien hij dit geleende geld op een bepaalde wijze zou investeren. Inmiddels is gebleken, aldus [Gedaagde], dat hij hierbij heeft gedwaald. Deze dwaling betreft echter niet de geldleenovereenkomst [Gedaagde]-Vola doch slechts de rechtsverhouding [Gedaagde] enerzijds en De Spaar- & Kredietcentrale en/of Cardiff en/of de Bank Labouchere anderzijds. Een eventuele vernietiging van die rechtsverhouding op grond van dwaling heeft in beginsel geen invloed op de leenovereenkomst [Gedaagde]-Vola.

3.2.2 Voorzover [Gedaagde] heeft willen stellen dat de adviezen van De Spaar- & Kredietcentrale terzake de wijze van besteding van het bij Vola geleende geld onderdeel uitmaken van de geldleningsovereenkomst dan wel dat die adviezen aan Vola dienen te worden toegerekend, is die stelling onvoldoende onderbouwd. Terzake is immers niet meer gesteld of gebleken dan dat De Spaar- & Kredietcentrale als gevolmachtigde van Vola is opgetreden bij de geldleningsovereenkomst waartegenover Vola onweersproken heeft gesteld dat De Spaar- & Kredietcentrale een onafhankelijke en op eigen naam handelende tussenpersoon is. Aldus stelt Vola kennelijk dat zij alleen betrokken is bij de geldleningsovereenkomst en geen enkele invloed heeft gehad op de reden waarom het geld werd geleend noch op de wijze waarop het door [Gedaagde] van haar, Vola, geleende geld vervolgens is besteed. Die stelling is niet dan wel onvoldoende gemotiveerd door [Gedaagde] betwist. Het beroep op vernietiging faalt dus.

3.3 [Gedaagde] stelt dat Vola onrechtmatig jegens hem handelt aangezien Vola weet van de beloften van de Spaar- en Kredietcentrale aan consumenten en profiteerde van de daardoor ontstane dwaling. Nu dit verweer eerst bij conclusie van dupliek -en deswege tardief- is aangevoerd, zal het door de rechtbank worden gepasseerd.

3.4 Nu de vordering voor het overige niet is weersproken zal deze worden toegewezen.

3.5 [Gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure moet dragen.

4. De uitspraak

De rechtbank:

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Vola te betalen een bedrag van € 20.717,53 vermeerderd met de contractuele -en afhankelijk van de ontwikkelingen op de geld- en kapitaalmarkt tot het maximum van het besluit volgens de art. 35 en 36 Wet op het Consumentenkrediet aan te passen- rente (op de dag van de dagvaarding uitmakende 0,89% per maand) te rekenen vanaf de dag der dagvaarding (24 mei 2002) tot de dag der algehele voldoening, over het alsdan verschuldigde bedrag;

veroordeelt gedaagden in de kosten van dit geding aan de zijde van Vola gerezen, tot op heden begroot op € 83,52 aan kosten dagvaarding, € 395,- aan vast recht en € 998,- voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sijmonsma, rechter, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

RvdV