Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF7699

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-04-2003
Datum publicatie
24-04-2003
Zaaknummer
73707 /HA ZA 02-306
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2004, 17
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ART. 1370 OUD BW JUNCTO ART. 4:4 BW

Vonnis : 23 april 2003

Zaaknummer : 73707 / HA ZA 02-306.

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak [S.]eiseres],

w[S.]te [S.],

eiseres,

procureur mr. I.P. Sigmond (toevoeging),

tegen:

[gedaagde],

wonende te [E.],

gedaagde,

procureur mr. A.M.B.J. Derks-Höppener.

1. Verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen "de vrouw", heeft gedaagde, hierna te noemen "de man", gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Op de eerstdienende dag heeft de vrouw bij akte producties in het geding gebracht. De man heeft geantwoord.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Omdat het de rechtbank met het oog op artikel 19 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of met het oog op een goede instructie van de zaak noodzakelijk voorkwam, heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld te repliceren en te dupliceren.

Vervolgens heeft de vrouw gerepliceerd en heeft de man geconcludeerd voor dupliek.,

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1

Partijen zijn ex-echtelieden. Bij vonnis van 30 oktober 1975 is de echtscheiding uitgesproken. Het huwelijk en de gemeenschap van goederen is vervolgens ont-bonden door inschrijving van het echtscheidingsvonnis op 18 januari 1976 in de registers van de Burgerlijke Stand.

Uit dit huwelijk waren 2 kinderen geboren, te weten:

- [voornamen kind 1], geboren te [S.] op [geboortedatum kind 1] en

- [voornamen kind 2], geboren te [S.] op [geboortedatum kind 2].

2.2

Partijen hebben de gevolgen van de echtscheiding geregeld bij een op 30 januari 1976 ten overstaan van notaris mr. Claessens te Sittard gesloten convenant.

Artikel 5 van dit convenant luidt:

Teneinde scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap, waarin partijen met elkander zijn gehuwd, te effectueren, komen partijen het volgende overeen:

a. Aan de man zullen worden toegescheiden alle rechten en verplichtingen met betrekking tot de koopwoning aan de [adres], welke woning thans nog door beide partijen wordt bewoond; de vrouw zal elders een woning betrekken, uiterlijk twee maanden na datum van de ondertekening van dit convenant.

b. De man verplicht zich bij deze het huis aan de [adres] na zijn overlijden aan de twee kinderen [voornamen kind 1] en [voornamen kind 2] na te laten.

c. De vrouw zal worden toegescheiden de gehele inboedel, met dien verstande, dat de man het hoogst noodzakelijke zal behouden ten einde de woning behoorlijk te kunnen bewonen en de huishouding redelijk te kunnen voeren, een en ander in onderling overleg en dat de man zal worden toegescheiden de auto en de stereo-installatie en de vrouw de kleurentelevisie; een en ander genoeg aan partijen bekend, zodat een andere omschrijving achterwege kan blijven.

In artikel 7 verklaren partijen nog dat de gemeenschap van goederen, waarin zij zijn gehuwd, door bovenstaande regeling is gescheiden en gedeeld, en dat zij alle bepalingen dezer overeenkomst uitgevoerd zijnde of wordende, niets meer van elkaar te vorderen hebben.

2.3

Nadat de vrouw had vernomen dat de man de woning had vervreemd, heeft zij zich op enig moment met betrekking tot de vervreemding van de woning tot notaris mr. Schutgens te Valkenburg aan de Geul gewend.

Bij brief van 26 juli 2001 richt notaris mr. Schutgens zich namens de vrouw tot de man en stelt in die brief, onder aanhaling van artikel 5 sub b van het convenant, dat bij raadpleging van de openbare registers is gebleken dat de man de woning op 15 augustus 1980 heeft verkocht, waardoor deze hem niet meer in eigendom toebehoort en hij uit dien hoofde genoemde verplichting, behoudens terugkoop van de woning, niet meer kan nakomen.

De notaris schrijft in die brief verder: ' Een en ander neemt niet weg dat de strek-king van de verplichting, het niet afrekenen van een eventuele meerwaarde tussen de scheidende partijen onder voorwaarde dat deze zal toevallen aan de ge-zamenlijke kinderen, nog steeds mogelijk is, aangezien u een nieuwe woning hebt aangekocht, waarbij bedoelde meerwaarde is herbelegd.

Naar verluidt bent u inmiddels opnieuw gehuwd en zijn er uit dit tweede huwelijk eveneens afstammelingen geboren.

Dit heeft tot gevolg dat ingeval de man overlijdt de tweede echtgenote alsmede de afstammelingen uit het tweede huwelijk mee delen in bedoelde meerwaarde. Hierdoor komt de uitvoering van gemelde verplichting in gedrang.

Dit is voor de vrouw niet acceptabel en zij wil graag weten of u hiervoor maatregelen hebt getroffen en zo ja, welke en zijn deze afdoende en zo nee, dan wenst zij hiervoor een regeling'.

Op het in dit schrijven opgenomen door de notaris vermelde regelingsvoorstel is de man niet ingegaan.

2.4

De vrouw heeft op grond van het vorenstaande gevorderd bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis voor recht te verklaren dat de man jegens de vrouw toerekenbaar tekort is geschoten in de naleving van het tussen partijen gesloten convenant en de man hierbij te veroordelen aan de vrouw te vergoeden de nader bij staat op te maken schade en deze te vereffenen volgens de wet met vergoeding van de wettelijke rente vanaf 15 augustus 1980 tot aan de dag der betaling.

2.5

De man voert verweer hetwelk - samengevat en voor zover thans van belang - inhoudt dat de overeenkomst, althans het bepaalde in artikel 5 sub b van het convenant nietig is tengevolge van wilsgebreken, die reeds in de precontractuele sfeer aanwezig waren doordat de vrouw hem toen ermee dreigde ervoor te zullen zorgen dat hij geen enkel contact meer met de kinderen van partijen zou hebben indien hij zou weigeren om de bewuste bepaling in het convenant te laten opnemen. In de ogen van de man kan dat niet anders uitgelegd worden dan dat er sprake is van bedreiging en/of misbruik van omstandigheden als bedoeld in artikel 3:44 BW. Dit maakt dat de vordering moet worden afgewezen.

3. De beoordeling

3.1

De vrouw heeft in haar dagvaarding niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 111 lid 2 sub c Rv procureur gesteld. Ter comparitie is dit gebrek door middel van een schriftelijke verklaring hersteld.

3.2

Ter afwikkeling en regeling van de tussen partijen op 30 oktober 1975 uitgesproken echtscheiding hebben partijen op 30 januari 1976 een convenant gesloten en daarin het hierboven onder 2.2 weergegeven artikel 5 sub b opgenomen, dat thans aanleiding is voor deze procedure, nu de man naar het oordeel van de vrouw in strijd met deze bepaling de aan hem toebedeelde voormalige echtelijke woning heeft vervreemd.

De man heeft in zijn verweer tegen de vordering van de vrouw aangevoerd dat artikel 5 een nietige bepaling is.

3.3

De rechtbank volgt de man in die visie.

Niet evenwel vanwege het feit dat die bepaling als nietig moet worden beschouwd omdat er sprake zou zijn van een nietige rechtshandeling als omschreven in artikel 3:44 BW maar omdat in artikel 1370 lid 2 Oud BW, ter zake toekomstige zaken is bepaald dat 'men echter geen afstand kan doen van een er-fenis die nog niet is opengevallen, noch over zodanig ene nalatenschap enig beding kan aangaan, zelfs niet met toestemming van degene over wiens nalatenschap gehandeld wordt'.

In het licht van die bepaling overweegt de rechtbank met betrekking tot de onder-havige zaak::

In HR 25.10.1985, NJ 1986,308 heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat artikel 1370 lid 2 Oud BW tot nietigheid leidt van rechtshandelingen die de strekking hebben een persoon te belemmeren in zijn vrijheid om zijn erfrechtelijke bevoegdheden uit te oefenen dan wel strekken tot beschikking over nog niet opengevallen nala-tenschappen in hun geheel of over een evenredig deel daarvan'.

Toen partijen in januari 1976 het convenant hebben gesloten, geschiedde dit naar het oordeel van de rechtbank en in het licht van zojuist genoemde strekking van de uitspraak van de Hoge Raad, in strijd met genoemd artikel 1370 Oud BW dat toen van kracht was.

Nu deze bepaling met het oog op de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht van Boek 4, volgens de Invoeringswet Boeken 3-6 NBW zevende deel, 17896 nr. 4 pagina 2 bij de inwerkingtreding van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in 1992 voorlopig geplaatst is in artikel 921 lid 2 BW en sedert de inwerkingtreding van het nieuwe erfrecht per 1 januari 2003 is opgenomen (en dus is gehandhaafd) in artikel 4:4 BW, kan daar, naar het oordeel van de rechtbank, thans voor deze procedure niet anders uit volgen dan dat de vordering van de vrouw moet worden afgewezen.

Dit zo zijnde, oordeelt de rechtbank verder dat geen van de andere punten die partijen ter onderbouwing van of als verweer tegen de vordering over en weer hebben ingebracht, nog bespreking behoeft.

3.4

Partijen zijn ex-echtelieden. Op grond hiervan en in het licht van het bepaalde in artikel 237 lid 1 Rv zal de rechtbank de proceskosten compenseren op de wijze als hierna in het dictum te bepalen.

4. De uitspraak

De rechtbank:

Wijst het gevorderde af.

Compenseert de kosten van deze procedure aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Casparie, rechter, en ter openbare terechtzitting van 23 april 2003 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

LD/VH