Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF7478

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-04-2003
Datum publicatie
17-04-2003
Zaaknummer
82517 - KG ZA 03-108
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE MAASTRICHT

Zaaknummer : 82517 / KG ZA 03-108

Datum uitspraak: 17 april 2003 (bij vervroeging)

VONNIS IN HET KORT GEDING VAN:

De stichting WONEN ZUID,

statutair gevestigd te Roermond, tevens kantoorhoudende te Nuth,

eiseres bij exploot van dagvaarding in kort geding d.d. 14 maart 2003,

procureur: mr. J.M.G.A. Sengers,

tegen:

1. [De heer of mevrouw E. ],

wonende te Nuth,

gedaagde sub 1,

en,

2. Zij die verblijven in of op de gebouwd onroerende zaak of in of op een gedeelte daarvan, staande en gelegen te [Adres], zijnde dezen anderen dan gebruikers krachtens een persoonlijk of zakelijk recht van voormelde onroerende zaak, wier namen en woonplaatsen niet kunnen worden achterhaald,

gedaagde sub 2,

procureur: mr. B.H.M. Nijsten (toevoeging aangevraagd).

1. Het verloop van de procedure

1.1 Eiseres (hierna te noemen: "Wonen Zuid") heeft gedaagden ([E. c.s.].") gedagvaard in kort geding en op de dienende dag, 9 april 2003, gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. Wonen Zuid heeft vervolgens haar vordering nader doen toelichten, zulks onder verwijzing naar op voorhand toegezonden producties.

1.2 [Gedaagden] hebben hiertegen verweer gevoerd.

1.3 Partijen hebben vervolgens op elkaars stellingen gereageerd.

1.4 De zitting is daarna voor enige tijd geschorst.

1.5 Na hervatting van het geding is op verzoek van partijen de uitspraak van het vonnis bij vervroeging bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Wonen Zuid is een toegelaten instelling krachtens artikel 70 van de Woningwet. Zij is eigenaresse van zes standplaatsen, als bedoeld in artikel 1623a lid 5 van boek 7A Burgerlijk Wetboek, gelegen aan [Adres]

2.2 Bij schrijven d.d. 22 januari 2003 heeft mevrouw [E. ], gedaagde sub 1, aan Wonen Zuid verzocht de vrijgekomen standplaats op het woonwagenkamp aan [adres] aan haar toe te wijzen. Zij huurt sinds 1 april 1999 van Wonen Zuid een woning aan [adres].

2.3 Bij schrijven d.d. 22 januari 2003 deelt Wonen Zuid aan [E. ] mede dat zij aan haar verzoek geen gehoor kan geven omdat het woonwagenkamp in Hulsberg zal worden opgeheven.

2.4 Wonen Zuid stelt dat bij de overdracht van de hiervoor vermelde standplaatsen door de gemeente Nuth is afgesproken dat Wonen Zuid het woonwagenkamp in Hulsberg kan afbouwen. Als kernvoorraad voor de doelgroep van woonwagenbewoners wordt het woonwagencentrum in Nuth aangewezen. Het woonwagenkamp in Hulsberg heeft als nieuwe bestemming woningbouw gekregen, hetgeen is vastgelegd in het bestemmingsplan Dorekoel herziening 2001.

2.5 Wonen Zuid is voornemens om na de feitelijke opheffing en verwijdering van het woonwagencentrum in Hulsberg op dezelfde locatie woningbouw te plegen. Zij stelt na verwerving van de standplaatsen van de gemeente, overleg te hebben gevoerd met de zittende huurders. Met deze is afgesproken dat zij mettertijd zullen verhuizen en dat vrijgekomen standplaatsen niet meer verhuurd zullen worden, maar afgebouwd. Twee standplaatsen zijn inmiddels vrijgekomen en door Wonen Zuid afgebroken en verwijderd. Nu de derde standplaats is vrijgekomen aan [adres], door opzegging door de voormalige huurders d.d. 31 oktober 2002, wordt deze geclaimd door [Gedaagden]

2.6 Bij deurwaardersexploot van 20 februari 2003 heeft Wonen Zuid [Gedaagden] gesommeerd om binnen 24 uur de standplaats te verlaten en te ontruimen, aan welke sommatie [Gedaagden] niet hebben voldaan. [Gedaagden] hebben tevens niet voldaan aan een laatste sommatie d.d. 25 februari 2003 om uiterlijk 27 februari 2003 de standplaats te ontruimen.

2.7 Wonen Zuid stelt dat [Gedaagden] zonder recht of titel de standplaats aan de [adres] in gebruik hebben en dat zij daarom onrechtmatig inbreuk plegen op het eigendomsrecht van Wonen Zuid en heeft gezien het vorenstaande in dit geding gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [Gedaagden] te veroordelen om met onmiddellijke ingang, althans binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, dan wel binnen een door de voorzieningenrechter vast te stellen termijn, de standplaats gelegen te [Adres] te ontruimen en te verlaten met al het hunne en al de personen die zijdens hen op vermelde standplaats verblijven en deze standplaats ter vrije beschikking van Wonen Zuid te stellen, met machtiging van Wonen Zuid om, indien gedaagden in gebreke blijven aan het in dezen te wijzen vonnis te voldoen, zelf de ontruiming te bewerkstelligen op kosten van [Gedaagden], desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

II. Te bepalen dat het ten deze te wijzen vonnis conform het bepaalde in artikel 557a lid 3 Rv gedurende één jaar na datum van dit vonnis, althans gedurende een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn, ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die ten tijde van de tenuitvoerlegging zich bevindt op de standplaats te [Adres], dan wel wie voornoemde standplaats ten tijde van de tenuitvoerlegging betreedt en telkens wanneer dat zich voordoet;

III. [Gedaagden] te veroordelen in de kosten van dit geding.

2.8 [Gedaagden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling

3.1 De aard van de onderhavige vordering brengt voldoende spoedeisend belang met zich mee.

3.2 Als vaststaand kan worden aangenomen dat mevrouw [E. ], gedaagde sub 1, samen met haar broer sedert januari 2003, zonder toestemming van Wonen Zuid, de standplaats op het woonwagenkamp aan [adres] te Hulsberg in gebruik hebben genomen.

3.3.1 Als verweer tegen de onderhavige ontruimingsvordering stellen [Gedaagden] dat zij aanspraak maken op deze standplaats.

Mevrouw [E. ] voert hiertoe aan dat zij zich bij Wonen Zuid, nadat zij ongeveer 5 jaar geleden het woonwagenkamp heeft verlaten, heeft laten inschrijven als gegadigde voor een nieuwe standplaats.

Zij stelt tevens dat ongeveer 5 jaar geleden door een medewerker van de gemeente Nuth is toegezegd dat zij een standplaats aan de [adres] zou krijgen.

Tenslotte betwist mevrouw [E. ] de stelling van Wonen Zuid dat het woonwagenkamp zal worden opgeheven en de vrijgekomen standplaatsen worden afgebroken en verwijderd in verband met geplande woningbouw. Ter staving van deze stelling heeft zij aangevoerd dat in januari 2003 een huurcontract is gesloten met een nieuwe bewoner, dhr. [L.].

3.3.2 Wonen Zuid stelt hiertegenover dat nooit door haar aan mevrouw [E. ] is toegezegd dat zij in aanmerking komt voor een standplaats in het woonwagenkamp in Hulsberg.

Van toezeggingen aan de zijde van de gemeente Nuth is haar ook niets bekend. Met de gemeente is bij de overdracht van de standplaatsen afgesproken dat als kernvoorraad voor de doelgroep van woonwagenbewoners het woonwagencentrum in Nuth wordt aangewezen. Het thans in afbouw zijnde woonwagencentrum in Hulsberg heeft als nieuwe bestemming woningbouw gekregen, hetgeen is vastgelegd in het bestemmingsplan Dorekoel herziening 2001.

Zij stelt tevens dat mevrouw [E. ] niet bij haar staat ingeschreven voor een standplaats in het woonwagenkamp in Hulsberg.

Wat betreft het aan [L.] verleende huurcontract in januari 2003 stelt Wonen Zuid tenslotte dat het hier een huurcontract voor bepaalde tijd betreft tot augustus 2003. Zij stelt dit contract te hebben verleend omdat de familie [R. ], de vorige bewoners van de standplaats, hebben geruild met de woning van [L.] in Meerssen. Wonen Zuid heeft hiermee ingestemd omdat het voor haar eenvoudiger is aan dhr. [L.] -die alleenstaand is- hulp te bieden bij verhuizing, ten behoeve van de opheffing van het woonwagenkamp, dan aan de uit een aantal personen bestaande familie [R. ].

3.3.3 De voorzieningenrechter is van oordeel dat het gezien het ter zitting gestelde en het door Wonen Zuid overgelegde schrijven van de gemeente Nuth d.d. 14 februari 2003 gericht aan de regionaal inspecteur van het ministerie van VROM, voldoende aannemelijk is geworden dat het woonwagenkamp in Hulsberg zal worden opgeheven ten behoeve van woningbouw conform het bestemmingsplan Dorekoel herziening 2001.

Verder is naar het oordeel van de voorzieningenrechter door mevrouw [E. ] onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de gemeente Nuth dan wel Wonen Zuid hebben toegezegd - zo al dit voor haar een recht op verkrijging van een standplaats zou impliceren- dat zij in aanmerking komt voor een standplaats, er zijn geen stukken ter ondersteuning van haar stelling overgelegd. In het kader van dit kort geding is geen plaats voor nader onderzoek hieromtrent, hiervoor zullen getuigen moeten worden gehoord. Dit door mevrouw [E. ] gevoerde verweer treft gezien het vorenstaande geen doel.

Tenslotte is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk gemaakt dat mevrouw [E. ] bij Wonen Zuid is ingeschreven voor een standplaats in het woonwagenkamp in Hulsberg nu ook ter ondersteuning van deze stelling geen stukken zijn overgelegd.

3.4 De voorzieningenrechter is gezien het hiervoor overwogene van oordeel dat de gevraagde voorzieningen voor toewijzing vatbaar zijn als nader in het dictum bepaald.

3.5 [Gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit kort geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht:

RECHT DOENDE in kort geding:

Veroordeelt [Gedaagden] om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de standplaats gelegen te [Adres] te ontruimen en te verlaten met al het hunne en al de personen die zijdens hen op deze standplaats verblijven en deze standplaats ter vrije beschikking van Wonen Zuid te stellen;

Machtigt Wonen Zuid om, indien [Gedaagden] in gebreke blijven aan bovengenoemde veroordeling te voldoen, zelf de ontruiming te bewerkstelligen op kosten van [Gedaagden], desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

Bepaalt dat dit vonnis conform het bepaalde in artikel 557a lid 3 Rv gedurende één jaar na betekening van dit vonnis ten uitvoer kan worden gelegd tegen een ieder die ten tijde van de tenuitvoerlegging zich bevindt op de standplaats te [Adres], dan wel wie voornoemde standplaats ten tijde van de tenuitvoerlegging betreedt en telkens wanneer zich dat voordoet;

Veroordeelt [Gedaagden] in de kosten van deze procedure tot aan deze uitspraak begroot op een bedrag van € 989,16, waarvan € 81,16 aan explootkosten, € 205,-- wegens verschuldigd vast recht en € 703,-- voor salaris procureur;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. A.M. Adelmeijer, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in het bijzijn van de griffier.

BC