Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF7474

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-04-2003
Datum publicatie
01-12-2003
Zaaknummer
AWB 01/1004 WW44, AWB 02/471 WRO FEE
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het namens eiseres sub 1 op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende bezwaarschrift tegen de weigering van verweerder om een besluit te nemen op het verzoek bestuursdwang toe te passen niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang, het namens eiseres sub 1 op grond van de Awb ingediende bezwaarschrift tegen verweerders besluit van 16 februari 2001 ongegrond verklaard onder handhaving van laatstgenoemd besluit en het namens eiseres sub 1 op grond van de Awb ingediende bezwaarschrift tegen verweerders besluit van 6 februari 2001 gegrond verklaard in die zin dat het besluit van 6 februari 2001 wordt aangevuld met een extra motivering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 01/1004 WW44 + AWB 02/471 WRO FEE

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

1. Keulen Kerensheide BV te Elsloo en

2. Keulen Schinnen Onroerend Goed BV te Schinnen, eisers

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Stein, gevestigd te Stein, verweerder.

Datum bestreden besluiten: 11 juni 2001 en 13 februari 2002

Kenmerk: Reg. nr. 20000287.

Behandeling ter zitting: 25 maart 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE PROCEDURE

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 11 juni 2001 heeft verweerder - voor zover thans relevant - het namens eiseres sub 1 op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende bezwaarschrift tegen de weigering van verweerder om een besluit te nemen op het verzoek bestuursdwang toe te passen niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang, het namens eiseres sub 1 op grond van de Awb ingediende bezwaarschrift tegen verweerders besluit van 16 februari 2001 ongegrond verklaard onder handhaving van laatstgenoemd besluit en het namens eiseres sub 1 op grond van de Awb ingediende bezwaarschrift tegen verweerders besluit van 6 februari 2001 gegrond verklaard in die zin dat het besluit van 6 februari 2001 wordt aangevuld met een extra motivering.

In het besluit van 16 februari 2001 heeft verweerder het verzoek om toepassing van bestuursdwang afgewezen. In het besluit van 6 februari 2001 heeft verweerder de beslissing op bezwaar d.d. 19 december 2000 ingetrokken.

Tegen het besluit van 11 juni 2001 is namens eiseres sub 1 bij schrijven van 31 juli 2001 beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 13 februari 2002 heeft verweerder de namens eisers op grond van de Awb ingediende bezwaarschriften tegen verweerders besluit van 11 juli 2000 inhoudende de verlening van een bouwvergunning aan Tango CV voor het verbouwen van een carwash en het bouwen van een benzinestation op het perceel plaatselijk bekend Sanderboutlaan 23 te Elsloo, gegrond verklaard, waarbij verweerder vrijstelling en opnieuw bouwvergunning heeft verleend voor het bouwen van een benzinestation bij de carwash op het perceel Sanderboutlaan 23 te Elsloo.

Tegen het besluit van 13 februari 2002 is namens eisers bij schrijven van 28 maart 2002 beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb is Tango CV (hierna: vergunninghouder) in de gelegenheid gesteld als partij aan beide gedingen deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is gemaakt.

Verweerder heeft op 31 augustus 2001 een verweerschrift ingezonden. De door verweerder in beide procedures ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en de verweerschriften zijn in afschrift aan de gemachtigde van eisers gezonden. Door verweerder is voorts verwezen naar de stukken in de procedures met nummer 01/212 en 01/1003, in welke procedures eiseres sub 2 eveneens partij was. In de zaak met procedurenummer 01/1003 wordt bovendien verwezen naar de stukken in de zaak met procedurenummer 00/1238, in welke procedure eiseres sub 2 partij was. Aangezien in al deze procedures dezelfde gemachtigde namens eisers is opgetreden veronderstelt de rechtbank deze stukken bij eisers bekend. Deze stukken zijn ad informandum aan de dossiers toegevoegd. Partijen is hiervan mededeling gedaan bij schrijven van 15 januari 2003.

De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Gelet op de samenhang tussen beide zaken heeft de rechtbank op grond van artikel 8:14 van de Awb besloten om de zaken gevoegd te behandelen.

De beroepen zijn behandeld ter zitting van de rechtbank op 25 maart 2003, alwaar namens eisers zijn verschenen de heer F.W.M. Keulen en de heer R.W.A. Karsing, bijgestaan door mr. P.T. Austen, advocaat te Valkenburg aan de Geul. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.J.S. van Helden en mr. M.H.J. Thomas, ambtenaren der gemeente. Voor vergunninghouder is verschenen mr. F.R. Meijer (bedrijfsjurist), bijgestaan door mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen.

II. OVERWEGINGEN

Bij besluit van 11 juli 2000 heeft verweerder aan Tango CV te Rotterdam vergunning verleend voor het verbouwen van een carwash en het bouwen van een tankstation op het perceel kadastraal bekend gemeente Elsloo, sectie A, nummer 3522, plaatselijk gelegen aan de Sanderboutlaan 23.

Tegen dit besluit is namens eisers bij schrijven van 21 augustus 2000 bezwaar gemaakt. De gronden van bezwaar zijn aangevuld bij schrijven van 5 september 2000. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld hun bezwaarschriften op 16 oktober 2000 mondeling toe te lichten ten overstaan van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, zijnde een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Awb. Van het horen is verslag opgemaakt. De commissie heeft eveneens op 16 oktober 2000 geadviseerd waarna verweerder onder verwijzing naar voornoemd advies bij besluit van 19 december 2000 (verzonden 15 januari 2001) het bezwaarschrift ontvankelijk en gegrond heeft verklaard onder intrekking van het primaire besluit van 11 juli 2000.

Bij schrijven van 13 oktober 2000 is verweerder namens eisers verzocht bestuursdwang toe te passen wegens het bestemmingsplan-strijdig gebruik.

Bij schrijven van 26 januari 2001 is namens eisers bezwaar gemaakt tegen de weigering een besluit te nemen op het verzoek om bestuursdwang toe te passen.

Bij besluit van 6 februari 2001 (verzonden 12 februari 2001) heeft verweerder de beslissing op bezwaar d.d. 19 december 2000 ingetrokken. Tevens werd eisers medegedeeld dat er nog een beslissing op de namens eisers tegen het primaire besluit van 11 juli 2000 ingediende bezwaarschriften zou worden genomen.

Namens eiseres sub 1 is bij schrijven van 13 maart 2001 beroep ingesteld tegen laatstgenoemd besluit. Het beroep is ter afhandeling als bezwaarschrift doorgezonden aan verweerder.

Bij besluit van 16 februari 2001 heeft verweerder afwijzend beslist op het verzoek om bestuursdwang toe te passen. Dit besluit is betrokken bij het bezwaar tegen de weigering een besluit te nemen op het verzoek om bestuursdwang toe te passen.

Met betrekking tot de bezwaren gericht tegen respectievelijk het niet nemen van een besluit op het verzoek om toepassing van bestuursdwang, de weigering om bestuursdwang toe te passen en de intrekking van de beslissing op bezwaar d.d. 19 december 2000 zijn eisers in de gelegenheid gesteld hun bezwaren op 7 mei 2001 mondeling toe te lichten ten overstaan van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften. Voornoemde commissie heeft op 28 mei 2001 advies uitgebracht waarna verweerder bij het thans bestreden besluit van 11 juni 2001 (verzonden 20 juni 2001) - voor zover relevant - heeft besloten:

- eiseres sub 2 niet ontvankelijk te verklaren in haar bezwaren;

- eiseres sub 1 voor wat betreft het bezwaar met betrekking tot de fictieve weigering niet-ontvankelijk te verklaren in verband me het ontbreken van procesbelang;

- eiseres sub 1 ontvankelijk te verklaren in haar bezwaar;

- het bezwaar van eiseres sub 1 tegen het besluit van 16 februari 2001 ongegrond te verklaren onder handhaving van het besluit van 16 februari 2001;

- de namens eiseres sub 1 aangevoerde bezwaren tegen het besluit van 6 februari 2001 gegrond te verklaren, met dien verstande dat het primaire besluit in die zin gewijzigd wordt dat er als extra motivering voor de intrekking van de beslissing op bezwaar van 19 december 2000 het volgende wordt toegevoegd:

Tijdens de eerste beslissing op bezwaar is de bouwvergunning ingetrokken. In artikel 59 van de Woningwet worden limitatief de gronden genoemd wanneer een bouwvergunning ingetrokken kan worden. Strijd met het bestemmingsplan is, blijkens de toelichting, geen reden om tot intrekking over te gaan. De intrekking naar aanleiding van de beslissing op bezwaar is derhalve juridisch gezien niet mogelijk. De aanvraag voor een bouwvergunning die in strijd is met het bestemmingsplan wordt conform artikel 46 lid 3 WW geacht tevens een verzoek om vrijstelling te zijn. Dit betekent dat nu geconstateerd is dat de bouwaanvraag in strijd is met het bestemmingsplan, er eerst gekeken dient te worden of er vrijstelling verleend kan worden. De vrijstellingsprocedure ex artikel 19 lid 1 WRO is dan ook inmiddels opgestart, maar echter nog niet afgerond. Het is dan ook niet mogelijk om een beslissing op bezwaar te nemen, aangezien er een herziening bouwvergunning zal moeten komen. Indien de vrijstellingsprocedure afgerond is kan er een beslissing op bezwaar genomen worden.

Bij schrijven van 31 juli 2001 heeft eiseres sub 2 beroep doen instellen tegen de niet-ontvankelijk verklaring. Bij uitspraak van 14 september 2001 is dat beroep kennelijk gegrond verklaard.

Eveneens bij schrijven van 31 juli 2001 heeft eiseres sub 1 beroep doen instellen bij deze rechtbank (01/1004).

Bij besluit van 13 februari 2002 (verzonden 15 februari 2002) heeft verweerder een nieuwe beslissing genomen naar aanleiding van de namens eisers ingediende bezwaren tegen het besluit van 11 juli 2000:

- de bezwaarschriften worden ontvankelijk en gegrond verklaard en het bestreden besluit van 11 juni 2000 wordt herroepen;

- in heroverweging:

a. op grond van artikel 19 lid 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling van het bepaalde in de voorschriften behorende bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Bedrijventerrein Sanderboutlaan en omgeving” te verlenen;

b. opnieuw bouwvergunning te verlenen voor het bouwen van een benzinestation bij de carwash op het perceel Sanderboutlaan 23 te Elsloo;

- voor wat betreft de motivering te verwijzen naar het advies van de Commissie voor de Bezwaar- en beroepschriften d.d. 16 oktober 2000, het Eindverslag Inspraak, het standpunt van verweerder ten aanzien van de ingediende zienswijzen en het raadsbesluit van 15 mei 2001, welke overwegingen een integrale motivering vormen van het onderhavige besluit.

Bij schrijven van 28 maart 2002 hebben eisers beroep doen instellen bij deze rechtbank.

In de thans voorliggende beroepschriften zijn namens eiseres sub 1 respectievelijk eisers - zakelijk weergegeven - de navolgende beroepsgronden aangevoerd:

- De intrekking van de beslissing op bezwaar d.d. 19 december 2000 is in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel. Verweerder kan slechts één keer een beslissing op bezwaar nemen.

- Het besluit tot intrekking is niet gebaseerd op een deugdelijke motivering.

- Volgens eiseres heeft verweerder wel de bevoegdheid om de bouwvergunning in de beslissing op bezwaar in te trekken.

- Verweerder is afgeweken van het advies van de Commissie voor de bezwaar- en beroepschriften. Volgens dat advies had de aanvraag bouwvergunning aangehouden dienen te worden. Verweerder motiveert niet waarom van voornoemd advies is afgeweken.

Eiseres sub 1 verzoekt de rechtbank het besluit van 11 juni 2001 te vernietigen onder veroordeling van verweerder in de kosten van de onderhavige procedure alsmede, op grond van artikel 8:73 van de Awb, in de kosten van de bezwaarprocedure.

Eisers verzoeken de rechtbank het besluit van 13 februari 2002 te vernietigen onder veroordeling van verweerder in de kosten van de onderhavige procedure alsmede, op grond van artikel 8:73 van de Awb, in de kosten van de bezwaarprocedure.

De rechtbank stelt vast dat het beroep niet is gericht tegen de weigering om bestuursdwang toe te passen, nu op dit punt geen grieven zijn aangevoerd. Ter zitting is zulks desgevraagd ook door de gemachtigde van eiseres sub 1 bevestigd.

De rechtbank dient thans, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, te beoordelen of verweerder de bestreden besluiten terecht en op goede gronden heeft genomen. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of verweerder bevoegd was de beslissing op bezwaar d.d. 19 december 2000 in te trekken.

In de beslissing op bezwaar van 19 december 2000 heeft verweerder het primaire besluit van 11 juli 2001, bij welk besluit aan Tango CV een bouwvergunning was verleend, ingetrokken. Nadien was verweerder van mening dat de bouwvergunning niet ingetrokken kon worden naar aanleiding van het bezwaar nu artikel 59 van de Woningwet daartoe geen mogelijkheid biedt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarbij miskend dat de bezwaarprocedure bedoeld is als volledige heroverweging van het primaire besluit en dat zulks impliceert dat het primaire besluit ingetrokken kan worden als uit de heroverweging volgt dat het primaire besluit op onjuiste gronden is genomen. Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat verweerder wel bevoegd was tot intrekking van het primaire besluit, inhoudend de verlening van de bouwvergunning.

Het voorgaande impliceert dat het besluit van 6 februari 2001 tot intrekking van de beslissing op bezwaar d.d. 19 december 2000 niet berust op een deugdelijke motivering zodat het beroep van eiseres sub 1 tegen het besluit van 11 juni 2001 gegrond verklaard dient te worden waarbij het besluit van 11 juni 2001 wordt vernietigd. De overige grieven van eiseres sub 1 ten aanzien van het besluit van 11 juni 2001 behoeven derhalve geen bespreking meer.

Het voorgaande impliceert dat verweerder een nieuw besluit zal dienen te nemen ten aanzien van het namens eiseres sub 1 ingediende bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2001 tot intrekking van de beslissing op bezwaar d.d. 19 december 2002. Nu dat nieuwe besluit - gelet op het voorgaande - slechts zal kunnen inhouden dat het bezwaar van eiseres sub 1 gegrond wordt verklaard en het besluit van 6 februari 2001 tot intrekking van de beslissing op bezwaar wordt herroepen, zal de rechtbank tevens overgaan tot herroeping van dat besluit van 6 februari 2001.

Nu de uitspraak van de rechtbank in de procedure met nummer 01/1004 tot gevolg heeft dat de beslissing op bezwaar van 19 december 2000 herleeft en ten aanzien van een bezwaar tegen het besluit van 11 juli 2000 geen twee beslissingen genomen kunnen worden, komt het bestreden besluit in de procedure met nummer 02/471 eveneens voor vernietiging in aanmerking.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eisers in verband met de onderhavige procedures redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld op de in rubriek III vastgestelde bedragen, waarbij de zaken op grond van het bepaalde in artikel 3, lid 1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht als samenhangend worden beschouwd en waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eisers vier punten zijn toegekend (twee punten voor het indienen van de beroepschriften en een punt per zaak voor het verschijnen ter zitting) en het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1). Van andere ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Namens eisers is voorts verzocht verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:73 van de Awb te veroordelen tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand gemaakt in de bezwaarprocedure. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt de rechtbank dat de kosten in een dergelijke procedure in beginsel voor rekening van eisers blijven en slechts in bijzondere gevallen voor vergoeding in aanmerking komen. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is de rechtbank in casu niet gebleken.

Mitsdien wordt, mede gelet op de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb beslist als aangegeven in rubriek III.

III. BESLISSING

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep tegen het besluit van 11 juni 2001 gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept het besluit van 6 februari 2001 onder bepaling dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 11 juni 2001;

2. verklaart het beroep tegen het besluit van 13 februari 2002 gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

3. veroordeelt verweerder tot vergoeding van de kosten van de onderhavige procedures bij de rechtbank, in de zaak met procedurenummer 01/1004 aan de zijde van eiseres sub 1 begroot op € 644,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de gemeente Stein aan eiseres sub 1 en in de zaak met procedurenummer 02/471 aan de zijde van eisers begroot op € 644,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de gemeente Stein aan eisers;

4. bepaalt dat voornoemde rechtspersoon aan eisers het door hun betaalde griffierecht ten bedrage van € 204,20 (f 450,--) in procedure met nummer 01/1004 respectievelijk € 218,-- in procedure met nummer 02/471 vergoedt.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. E.B.A. Ferwerda als griffier en in het openbaar uitgesproken op 08-04-2003

door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. Ferwerda w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 08-04-2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.