Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF7471

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-04-2003
Datum publicatie
15-05-2003
Zaaknummer
AWB 02/461 WAO I
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Maatman; provisieregeling kan niet worden gelijkgesteld met toeslag afwijkende arbeidstijd.

M.i.v. 31 oktober 2000 is eiser een WAO-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65% De bezwaararbeidsdeskundige heeft hierbij overwogen dat eiser werkzaam was als verzekeringsadviseur in de buitendienst. In deze functie is het normaal dat zowel overdag alsook in de avonduren en incidenteel op zaterdag werkzaamheden worden verricht.

Namens verweerder is medegedeeld dat bij de vaststelling van het maatmanloon rekening is gehouden met de provisieregeling en dat dit in casu als een toeslag voor afwijkende arbeidstijden beschouwd kan worden. De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat aan eiser ten onrechte functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden zijn voorgehouden. Niet gebleken is dat dergelijke toeslagen zijn meegenomen bij de vaststelling van het maatmanloon. Het enkele feit dat eiser in variabele arbeidstijden werkte kan niet de conclusie rechtvaardigen dat in het maatmanloon een toeslag voor afwijkende arbeidstijden is opgenomen. Een provisieregeling kan naar het oordeel van de rechtbank niet gelijkgesteld worden met een toeslag voor een afwijkende arbeidstijd. De (hoogte van de) provisie is immers, zoals ter zitting ook door verweerders gemachtigde is betoogd, afhankelijk van de prestaties van de werknemer en derhalve niet van de tijden waarin de arbeid is verricht.

Beroep gegrond.

Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

mr. J.N.F. Sleddens

WAO 18

Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Stb. 2000, 307)

Besluit uurloonschatting 1999 (11 februari 1999, Stcrt., 1999, 40)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 02/461 WAO I

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A te B, eiser,

en

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen -GAK Maastricht-, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 19 februari 2002.

Kenmerk: AO035.014.10.

Behandeling ter zitting: 8 april 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij brief van 19 februari 2002 heeft verweerder aan eiser mededeling gedaan van een ten aanzien van hem genomen besluit op bezwaar inzake de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO).

Bij brief van 27 maart 2002 heeft mr. C.J.H. Mijnes, advocaat te Maastricht, namens eiser tegen dat besluit beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Met toepassing van het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb is X NV in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 8 april 2003, alwaar eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Mijnes. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer F.P.L. Smeets.

II. OVERWEGINGEN.

Eiser, werkzaam als verzekeringsadviseur bij X NV, heeft zich terzake van die werkzaamheden arbeidsongeschikt gemeld met ingang van 2 november 1999.

De verzekeringsarts M.I. de Bruin heeft op basis van eigen onderzoek van eiser en mede op basis van schriftelijke informatie van psycholoog J. Sleijpen van 14 februari 2000, in de rapportage algemeen van 22 september 2000 aangegeven welke medische beperkingen eiser zou ondervinden bij het verrichten van werkzaamheden.

Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige E.J. Combé op 1 november 2000 schriftelijk aan eiser meegedeeld, dat deze, met inachtneming van vermelde beperkingen, nog in staat wordt geacht een aantal werkzaamheden te verrichten. Eiser zijn functies genoemd welke naar het oordeel van verweerder als algemeen geaccepteerde arbeid kunnen worden aangemerkt. Met het verrichten van die werkzaamheden zou eiser een verlies aan verdienvermogen hebben van 55-65%. Hierbij is onder meer vermeld dat is uitgegaan van een voorlopige aanname van het maatmanloon.

Bij besluit van 14 november 2000 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat aan hem met ingang van 31 oktober 2000 een WAO-uitkering wordt toegekend, berekenend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55-65%.

Tegen dit besluit is namens eiser door mr. C.J.H. Gijzen, advocaat te Maastricht, op 22 december 2000 bezwaar aangetekend.

Eiser en zijn gemachtigde zijn op 4 april 2001 in verband met de bezwaren gehoord. Van het horen is verslag opgemaakt, dat zich bij de gedingstukken bevindt.

Naar aanleiding van de hoorzitting van 4 april 2001 heeft de bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij in de rapportage algemeen van 23 april 2001 - onder meer - aangegeven dat eisers beperkingen niet geheel correct zijn vastgesteld, maar dat na aanpassing hiervan alle geduide functies nog steeds passend zijn.

De bezwaararbeidsdeskundige E.J. Combé heeft in de rapportage algemeen van 16 mei 2001 onder meer aangegeven dat door de definitieve vaststelling van het maatmanloon de mate van arbeidsongeschikheid vastgesteld dient te worden op 45-55%.

Bij brief van 15 juni 2001 heeft verweerder aan eiser medegedeeld voornemens te zijn het bezwaar ongegrond te verklaren.

Bij brief van 31 oktober 2001 is namens eiser aangegeven waarom hij het niet eens is met verweerders voornemen.

Eiser en zijn gemachtigde zijn vervolgens op 18 december 2001 wederom door verweerder gehoord. Van het horen is verslag opgemaakt, dat zich bij de gedingstukken bevindt.

In de rapportage van 4, 21 en 24 januari 2002 en aangevuld op 7 februari 2002 heeft de bezwaarverzekeringsarts C.G. van der Kooij op basis van eigen onderzoek van eiser en mede op basis van schriftelijke informatie van 9 januari 2001 van orthopedisch chirurg A.E. Lisowski onder meer aangegeven dat de belastbaarheid in de rapportage van 23 april 2001 juist is vastgesteld.

De bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom heeft in de rapportage van 30 januari 2002 aangegeven dat op grond van de geselecteerde functies, waarbij is uitgegaan van het belastbaarheidspatroon van 23 april 2001, eiser in de arbeidsongeschiktheidsklasse 45-55% dient te worden ingedeeld.

Bij het thans bestreden besluit van 19 februari 2002 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

In beroep is namens eiser aangevoerd - kort gezegd - dat verweerder geen dan wel onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn bezwaren. Vanwege zijn psychische en lichamelijke klachten is eiser niet in staat de geduide functies uit te oefenen.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit van in rechte kan worden gehandhaafd. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.

Per 1 augustus 1993 is in werking getreden de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschikt-

heidsregelingen (Staatsblad 1993, 412, verder te noemen: Wet TBA). Bij die wet zijn onder meer wijzigingen aangebracht in het arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat is neergelegd in artikel 18 van de WAO.

In het onderhavige geval is op eiser van toepassing het arbeidsongeschiktheidscriterium, zoals dat als gevolg van de Wet TBA per 1 augustus 1993 is komen te luiden.

Voorts is van toepassing het op 26 juli 2000 in werking getreden Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Staatsblad 2000, 307).

Tevens is van toepassing het op 1 april 1999 in werking getreden Besluit uurloonschatting 1999 van 11 februari 1999 (Staatscourant 1999, 40).

Voorop gesteld moet worden dat eerst dan sprake is van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, zoals die wet per 1 augustus 1993 is komen te luiden, indien de belanghebbende - kort gezegd - als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk buiten staat is met algemeen geaccepteerde arbeid te verdienen wat gezonde personen met gelijke opleiding en ervaring gewoonlijk verdienen. Bedoelde personen worden in de praktijk aangeduid met het begrip "maatman" respectievelijk "maatvrouw".

Bij de beantwoording van de vraag of iemand arbeidsongeschikt is in de zin van die wetgeving, en zo ja in welke mate, zijn dus in het bijzonder de volgende factoren van belang:

-of de betrokkene medische beperkingen heeft;

-of en in hoeverre betrokkene als gevolg daarvan buiten staat is met algemeen geaccepteerde arbeid een inkomen te verwerven.

Voorts dient in het oog te worden gehouden dat voorwaarde voor het recht op uitkering is dat het verlies aan verdienvermogen in vergelijking met de maatman of maatvrouw ten minste 15% bedraagt voor de WAO.

Op grond van de beschikbare medische gegevens, namelijk de bevindingen van voormelde verzekeringsartsen, bezien in samenhang met de overige in het dossier aanwezige medische gedingstukken, waaronder de schriftelijke informatie van voornoemde psycholoog en orthopedisch chirurg moet worden vastgesteld dat ten aanzien van eiser per 31 oktober 2000 medische beperkingen zijn aan te geven. Naar het oordeel van de rechtbank zijn in de voorhanden medische gegevens voldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische beperkingen van eiser op de datum in het geding juist zijn vastgesteld. De rechtbank heeft voorts geen aanknopingspunten gevonden om de conclusie van voormelde verzekeringsartsen onjuist te achten, dan wel onzorgvuldig voorbereid of ondeugdelijk gemotiveerd. Namens eiser zijn onvoldoende (medische) gegevens aangevoerd om tot een ander oordeel te komen.

Uit de gedingstukken blijkt dat alle functies waarop eisers mate van arbeidsongeschiktheid is gebaseerd functies met wisselende diensten betreffen, met uitzondering van de functie “dompelaar” (fb-code 7289).

Ingevolge artikel 9, aanhef en onder f, van het Schattingsbesluit blijven bij de bepaling van hetgeen betrokkene kan verdienen functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden buiten beschouwing, tenzij deze toeslagen wel zijn meegenomen bij het vaststellen van het maatmaninkomen

De bezwaararbeidsdeskundige J.J. van der Naald heeft in een schrijven van 19 november 2002 hieromtrent het volgende toegelicht:

“Belanghebbende is werkzaam als verzekeringsadviseur, in de buitendienst. In deze functie is het normaal dat zowel overdag alsook in de avonduren en incidenteel op zaterdag werkzaamheden worden verricht (bezoeken van klanten – potentiële klanten of klanten naar aanleiding van geleden schades te woord staan). Het arbeidspatroon van de maatman bestaat zodoende uit het verrichten van werkzaamheden gedurende zowel de dag als de avond en incidenteel de zaterdag. Dit betekent, dat bij de duiding van functies uitgegaan kan worden van dat arbeidspatroon (blijkt uit de recapitulatie voorselectie ook uit, wisselende dienst: beide, werktijden >8uur: ma/vr, za vm, nm, av). Er bestaat derhalve geen aanleiding functies welke aan dat arbeidspatroon voldoen niet bij de duiding te betrekken”.

Ter zitting heeft verweerders gemachtigde in aanvulling op bovenstaande medegedeeld dat bij de vaststelling van het maatmanloon rekening is gehouden met de provisieregeling en dat dit in casu als een toeslag voor afwijkende arbeidstijden beschouwd kan worden. Voorts is verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 21 april 2000 (USZ 2000/120) .

De rechtbank is, anders dan verweerder, van oordeel dat aan eiser ten onrechte functies met toeslagen voor afwijkende arbeidstijden zijn voorgehouden. Niet gebleken is dat dergelijke toeslagen zijn meegenomen bij de vaststelling van het maatmanloon. Het enkele feit dat eiser in variabele arbeidstijden werkte kan niet de conclusie rechtvaardigen dat in het maatmanloon een toeslag voor afwijkende arbeidstijden is opgenomen. Een provisieregeling kan naar het oordeel van de rechtbank niet gelijkgesteld worden met een toeslag voor een afwijkende arbeidstijd. De (hoogte van de) provisie is immers, zoals ter zitting ook door verweerders gemachtigde is betoogd, afhankelijk van de prestaties van de werknemer en derhalve niet van de tijden waarin de arbeid is verricht.

Het beroep van verweerder op voornoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep kan niet slagen. Het betrof in die uitspraak een maatmanloon, gebaseerd op een all-in gage voor arbeid waarbij gedurende een periode van gemiddeld vijf weken 84 uur per week gewerkt werd in een patroon van 12 uur op en 12 uur af, (minimaal) zeven dagen achtereen. De Centrale Raad van Beroep was -kort samengevat- van oordeel dat gelet op die situatie en de hoogte van de all-in gage een vergoeding voor het verrichten van arbeid in niet-reguliere vorm en omvang moest worden geacht te zijn begrepen in de all-in gage. De rechtbank acht die situatie echter niet vergelijkbaar met de feiten als hier in geding.

Artikel 9, aanhef en onder g, van het Schattingsbesluit bepaalt dat onderdeel f van dat artikel buiten toepassing blijft, indien minder dan drie functies als bedoeld in onderdeel a in aanmerking kunnen worden genomen.

De rechtbank heeft evenwel geconstateerd dat uit de door verweerder opgestelde arbeidsmogelijkhedenlijst blijkt dat het bepaalde in artikel 9, aanhef en onder g, van het Schattingsbesluit in casu niet van toepassing is.

Gelet op het bovenstaande kan het bestreden besluit geen stand houden. Het beroep moet derhalve voor gegrond gehouden worden.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indiening van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,-- wordt vergoed door het UWV;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,-- wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door UWV aan eiser.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. R.J.G. Welters als griffier

en in het openbaar uitgesproken op 15-04-2003

door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R.J.G. Welters w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 15-04-2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.