Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF7306

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
26-03-2003
Datum publicatie
15-04-2003
Zaaknummer
81820 - KG ZA 03-63
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE MAASTRICHT

Zaaknummer : 81820 / KG ZA 03-63

Datum uitspraak: 26 maart 2003

VONNIS IN HET KORT GEDING VAN:

De rechtspersoon naar buitenlands recht GALERIE NEUSE KUNSTHANDEL GMBH,

gevestigd te Bremen, Bondsrepubliek Duitsland,

eiseres bij exploot van dagvaarding in kort geding van 28 februari 2003,

procureur: mr. E.J.J.M. Kneepkens,

advocaat: mr. S.N.S.M. Mak te Groningen,

tegen:

[Mevrouw D. ],

wonende te [H. ],

gedaagde.

1. Het verloop van de procedure

1.1 Eiseres (hierna: Neuse) heeft gedaagde ([D. ]) gedagvaard in kort geding.

1.2 Op de dienende dag, 12 maart 2003, heeft Neuse gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding. Ter zitting heeft zij haar stellingen nader doen toelichten, daarbij verwijzende naar een set op voorhand ingezonden producties.

1.3 [Gedaagde] heeft met gebruikmaking van een pleitnota verweer gevoerd.

1.4 Partijen hebben vervolgens op elkaars stellingen gereageerd.

1.5 Ten slotte hebben zij om vonnis verzocht. De uitspraak van dat vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Partijen hebben op 28 juli 1999 te Heerlen een in de Duitse taal gestelde handgeschreven overeenkomst gesloten, waarbij [Gedaagde] aan Neuse verkocht een "Gruppe von insgesamt 15 Figuren und 2 Reliefs". De koopprijs van deze kunstvoorwerpen, die, volgens de overeenkomst door [Gedaagde] in 1985 in België in een kunsthandel waren aangekocht, bedroeg DM 450.000,-. Daarnaast zou Neuse een stenen beeld, voorstellende Johannes de Doper aan [Gedaagde] leveren.

2.2 Deze kunstvoorwerpen - het beeld van Johannes de Doper daaronder niet begrepen - zijn (op een door partijen niet geopenbaard moment) ontvreemd uit de schatkamer van een klooster in Spanje. Zij stammen uit de vijftiende eeuw.

2.3 Op 18 augustus 1999 hebben partijen de zoeven weergegeven afspraken in getypte vorm opnieuw op papier gezet, zulks evenwel met de volgende handgeschreven toevoeging:

"Galerie Neuse bemüht sich, die rechtliche Grundlage für den Verkauf der Span. Figuren zu schaffen. Der o.g. Kaufvertrag wird rechtsgültig, wenn einde Dienststelle der Span. Regierung erklärt, dass keine Ansprüche auf kostenlose Rückgabe der Silberfiguren gestellt werden. - Sollte das Span. Ministerium für Kultur die Figuren direkt bei Frau [Gedaagde] erwerben, kauft Frau [Gedaagde] die St. Johannes-Figur von Galerie Neuse für DM 350.000,-. Die beiden Silberfiguren (zur Zeit bei Sotheby's London, (ex sale 7/97, Lot 27) sind nicht im Preis einbegriffen."

2.4 Bij brief van 19 september 2000 aan Neuse - de overeenkomst is nog niet uitgevoerd - zegt het Spaanse "Ministerio de Education, Cultura y Deporte" toe, onder verwijzing naar de tweede zin van voormeld citaat, geen strafrechtelijke, civielrechtelijke, noch politionele stappen tegen (naar in confesso is:) [Gedaagde] te zullen nemen. Partijen zijn het erover eens dat voormeld Spaans ministerie de in casu daartoe bevoegde autoriteiten zijn.

2.5 Uit de besproken brief volgt ook dat, na afwikkeling van de koopovereenkomst tussen [Gedaagde] en Neuse, Spanje zich met Neuse zal verstaan over de terugkeer van de voorwerpen naar Spanje.

2.6 Omdat [Gedaagde] de koopovereenkomst niet wenste na te komen heeft Neuse bij dagvaarding van 17 mei 2001 een bodemprocedure tegen haar gestart. In de kern legt Neuse aan haar vordering ten grondslag dat door de Spaanse verklaring van 19 september 2000 ([Gedaagde] van "alle overeengekomen garanties was voorzien",) de overeenkomst van 18 augustus 1999 perfect is geworden en dus nagekomen behoort te worden.

2.7 Op 20 juni 2002 is in die zaak een comparitie van partijen gehouden. Ter zitting hebben partijen een dadingsovereenkomst gesloten. Voor zover relevant kwamen die afspraken (waarbij ook vertegenwoordigers van voormeld Spaans ministerie betrokken werden) erop neer dat Spanje en Neuse [Gedaagde] erkenden als rechtmatige eigenaar van de voorwerpen, Spanje noch Neuse tegen [Gedaagde] stappen zouden nemen en de koopovereenkomst vóór 1 september 2002 zou worden nagekomen.

2.8 De dadingsovereenkomst bevatte aan het slot een ongeclausuleerde ontbindende voorwaarde, waarop [Gedaagde] binnen de daarvoor gestelde termijn beroep heeft gedaan.

2.9 De bodemprocedure is vervolgens voortgezet en verkeert - na een mislukte poging van [Gedaagde] om Spanje in vrijwaring te roepen - nog in een pril stadium.

2.10 Stellende er belang bij te hebben dat [Gedaagde] de gemaakte afspraken thans nakomt heeft Neuse, na nog aandacht geschonken te hebben aan een post buitengerechtelijke incassokosten, gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

[Gedaagde] te veroordelen om de ter comparitie van partijen op 20 juni 2002 ten overstaan van rechter-commissaris mr. H.J. Laumen gesloten overeenkomst na te komen, althans [Gedaagde] te veroordelen tot nakoming van de op 28 juli 1999 en 18 augustus 1999 gesloten overeenkomsten, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag dat [Gedaagde] daarmee in gebreke blijft, alsmede aan Neuse te voldoen de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 2.500,-, althans een door de (lees:) voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, kosten rechtens.

2.11 [Gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De beoordeling

3.1 Voorop wordt gesteld dat [Gedaagde] heeft gepoogd ter zitting een aantal producties in het geding te brengen, waartegen Neuse, die daarvan op voorhand geen kennis had genomen, zich op goede gronden heeft verzet. Gelet op de eisen van een goede procesorde zijn bedoelde producties dan ook buiten beschouwing gelaten.

3.2 Vervolgens is van belang dat [Gedaagde] van de door haar overgelegde 27 pagina's tellende pleitnotitie ter zitting slechts een deel heeft doen voordragen. Op de voor het overige in dat stuk neergeslagen tekst, waarop Neuse (dus) niet heeft gerespondeerd, kan dan geen acht worden geslagen. Een ander oordeel zou in strijd komen met de reeds genoemde eisen van een goede procesorde.

3.3 Het betreft hier een zaak met internationale aspecten. Behoudens uitsluiting zouden daarop de regels van het Weens Koopverdrag van toepassing zijn. Nu partijen ter zitting desgevraagd hebben verklaard Nederlands recht op hun rechtsverhouding van toepassing te achten, wordt zulks als een stilzwijgende uitsluiting van voormeld verdrag beschouwd en mitsdien als een keus voor de interne Nederlandse (koop)regels.

3.4 Ter zitting heeft Neuse erkend dat de op 20 juli 2002 gesloten dadingsovereenkomst door [Gedaagde] rechtsgeldig is ontbonden. Aldus heeft zij het primaire spoor van de dagvaarding - nakoming van díe overeenkomst - verlaten en haar betoog toegespitst op nakoming van de "herleefde" overeenkomsten van juli en augustus 1999.

3.5 Waar in laatstgenoemde overeenkomst op een stellingname van de Spaanse autoriteiten inzake de (straf- en civielrechtelijke) vrijwaring van [Gedaagde] wordt aangedrongen, hamert Neuse erop dat dit thans een gepasseerd station is. Een genoegzame stellingname is sedert september 2000 voorhanden en is op 20 juli 2002 herhaald. Neuse meent dat daarop niet valt af te dingen zodat [Gedaagde] zich ten onrechte nog steeds tegen nakoming kant.

3.5 Na aldus de positie van Neuse te hebben geschetst zal vooreerst bezien moeten worden of de zaak een voldoende spoedeisend karakter draagt. Aangenomen moet worden dat zulks het geval is. De contractuele relatie biedt, voor zover zij een van de partijen tot dadelijk handelen noopt, een genoegzame basis voor de (overgebleven) voorziening.

3.7 In een poging de poten onder die voorziening uit te zagen heeft [Gedaagde] een wat andere invalshoek gekozen dan die waarop Neuse zinspeelt. Immers heeft zij kennelijk niet, althans onvoldoende duidelijk (de waarde van) de Spaanse bereidheid om haar te vrijwaren ter discussie willen stellen. Voor zover die kwestie door partijen destijds was gesteld in de sleutel van de opschortende voorwaarde, is die voorwaarde dus vervuld.

3.8 Rekening houdend met het onder 3.2 overwogene valt het door [Gedaagde] (wèl) vertolkte standpunt in twee delen uiteen. De overeenkomsten van 1999 zouden nietig zijn omdat partijen wisten dat het om gestolen zaken ging (a), terwijl de derde zin van het onder 2.3 weergegeven beding ("Sollte …") impliceert dat [Gedaagde] ook zelf met Spanje kan contracteren (b). Zulks snijdt de nakomingsactie van Neuse de pas af.

3.9 Al op voorhand valt op dat deze stellingen op nogal gespannen voet met elkaar staan. Immers, zou de koopovereenkomst tussen [Gedaagde] en Neuse nietig zijn, dan kan bezwaarlijk worden aangenomen dat rechtstreeks contracteren met Spanje een beter lot beschoren is. Nochtans behoeven beide stellingen bespreking.

3.10 Ad a. Kennelijk heeft [Gedaagde] hier het oog op artikel 416 Sr. Neuse en zijzelf zouden zich met het sluiten van de litigieuze koopovereenkomsten aan heling hebben schuldig gemaakt, welke omstandigheid, naar wordt verstaan, de overeenkomsten ex artikel 3: 40 lid 2 BW nietig doet zijn.

3.11 Dit betoog kan geen doel treffen. In confesso is immers dat [Gedaagde] als eigenaar aan Neuse heeft verkocht. Ook de Spaanse staat erkent [Gedaagde] als eigenaar, wat mogelijk samenhangt met het verjaren van zijn eigen revindicatiemogelijkheden. Welnu, niet valt in te zien dat een eigenaar en degene die van de eigenaar koopt, ook al wisten zij van het verleden van de verkochte zaken, zich aan heling schuldig zouden kùnnen maken.

3.12 Een andere opvatting zou tot volstrekt ongerijmde gevolgen voeren. Nog daargelaten dat vitale onderdelen van het burgerlijk recht dan naar de prullenbak worden verwezen, zou het schier onmogelijk worden van diefstal afkomstige zaken (ooit) weer in het verkeer te brengen. Dergelijke transacties zouden immers gedoemd zijn stuk te lopen op de klip van artikel 3: 40 lid 2 BW. Kortom, de onder a betrokken stelling faalt.

3.13 Ad b. Wat hier nauwkeurig wordt betoogd valt niet gemakkelijk te doorgronden. Als men er een zinvolle duiding aan wil geven dan kan dat eigenlijk geen andere zijn dan deze: de omstandigheid dat haar contract met Neuse de mogelijkheid onverlet laat dat [Gedaagde] de voorwerpen ook (zelf) aan Spanje kan verkopen, legt zodanig gewicht in de schaal dat zij, zolang het met die transactie niet wil vlotten, aan een door Neuse gewenste nakoming in de weg blijft staan.

3.14 Aanstonds is evenwel duidelijk dat dit binnen (de bandbreedte van) de Haviltexmaatstaf (wat hebben partijen over en weer redelijkerwijs kunnen begrijpen) een weinig aansprekende uitleg van litigieuze bepaling kan zijn. Immers, Neuse zou contractueel goeddeels buitenspel komen te staan. Zij zou tot in lengte van dagen aan het lijntje gehouden kunnen worden om, ten slotte, toch achter het net te vissen. Dat Neuse dit bezwaarlijk bedoeld kàn hebben, moet ook [Gedaagde] begrepen hebben.

3.15 Ofschoon hier terughoudendheid past (omdat partijen over dit thema amper hebben gediscussieerd) ligt veeleer in de rede dat, gelet ook op de letter van de bepaling, partijen de mogelijkheid wilden openhouden dat de Spaanse staat zich tot [Gedaagde] zou wenden als hij rechtstreeks van haar wilde kopen. In de rede ligt evenzeer dat partijen (ook) hebben bedoeld het doek voor dat scenario te laten vallen als daartoe de deur wordt dichtgegooid.

3.16 Welnu, het standpunt van de Spaanse staat is niet aan gerede twijfel onderhevig: hij sanctioneert met nadruk de overeenkomst tussen [Gedaagde] en Neuse en laat (dus) blijken aan een directe aankoop van [Gedaagde] niet de voorkeur te geven. Dit noopt tot de slotsom dat [Gedaagde] tot nakoming jegens Neuse is gehouden.

3.17 De daartoe strekkende voorziening ligt dan, onder maximering van dwangsommen, voor toewijzing gereed. Dat geldt niet voor de post buitengerechtelijke incassokosten. Nog afgezien van de vraag wat het spoedeisend belang bij toewijzing daarvan zou kunnen zijn, is die post niet inzichtelijk gemaakt en valt niet uit te sluiten dat het hier gaat om kosten ter voorbereiding van het geding of ter instructie van de zaak.

3.18 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij wordt [Gedaagde] verwezen in de kosten van het geding.

4. Uitspraak

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht;

RECHT DOENDE in kort geding:

Veroordeelt [Gedaagde] om binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis de op 28 juli 1999 en 18 augustus 1999 met Neuse gesloten overeenkomsten na te komen, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,- per dag voor iedere dag dat [Gedaagde] daarmee in gebreke blijft, de dwangsommen maximerend tot € 150.000,-;

Veroordeelt [Gedaagde] in de kosten van het geding aan de zijde van Neuse gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op een bedrag van € 976,20, waarvan € 205,- wegens verschuldigd vast recht, € 703,- voor salaris procureur en € 68,20 aan explootkosten;

Verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. A.M. Adelmeijer, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting in het bijzijn van de griffier.

RQ