Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF7278

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-04-2003
Datum publicatie
15-04-2003
Zaaknummer
71901 - HA ZA 02-61
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 9 april 2003

Zaaknummer : 71901 / HA ZA 02-61

De rechtbank te Maastricht, meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[De heer en mevrouw L. ], in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun minderjarige zoon [L.], echtelieden,

beiden wonende te Brunssum,

eisers,

procureur mr. H.N.H. Dresschers;

tegen:

de openbare rechtspersoon de GEMEENTE BRUNSSUM,

zetelende te Brunssum,

gedaagde,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen.

1. Het verloop van de procedure

Eisers, hierna gezamenlijk in enkelvoud ook te noemen "[Partij L. ]", hebben gedaagde, hierna te noemen "de Gemeente", gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. Nadien heeft [Partij L. ] bij conclusie van eis producties in het geding gebracht. De Gemeente heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

Vervolgens heeft [Partij L. ] gerepliceerd, zulks onder overlegging van producties, en daarna nog een akte genomen waarbij een productie in het geding werd gebracht. De Gemeente heeft geconcludeerd voor dupliek, waarbij producties in het geding zijn gebracht.

[Partij L. ] heeft een videoband ter griffie gedeponeerd, waarvan een akte is opgemaakt.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 De Gemeente is eigenaar van een bedrijfsterrein gelegen aan [adres]. Op dit bedrijfsterrein waren ten tijde van na te melden ongeval de brandweer en de technische dienst van de Gemeente gehuisvest. Het bedrijfsterrein is omheind met een hekwerk met daarin een schuifpoort die elektrisch wordt bediend. Deze poort is tijdens werktijden in de zomer (tussen 07.30 uur tot en met 11.30 uur en van 12.00 uur tot 16.00 uur) geopend. Buiten deze werktijden kunnen medewerkers van de Gemeente deze poort slechts openen met een magneetsleutel.

2.2 De poort bestaat aan de onderzijde uit een ronde buis. De poort wordt geopend doordat de poort met de ronde buis aan de onderzijde mechanisch over een tweetal concave wielen, waarin voormelde buis past, wordt geleid. Deze "geleidewielen" bevinden zich op enkele centimeters van elkaar aan een van de posten van de poort. Deze geleidewielen bevinden zich, gezien vanaf de buitenzijde van het terrein, op een twintigtal centimeter van het hekwerk dat de rest van het terrein omzoomt. De poort is beveiligd met twee contactlijsten, een zwaailicht en gaas dat tussen de geleidepoorten is gemonteerd.

2.3 Eisers zijn de wettelijk vertegenwoordigers van hun zoon [T.], geboren op 23 november 1992. Op 22 juni 1999 omstreeks 17.05 uur speelde [T.] in de nabijheid van voormelde poort. Bij die poort bevond zich op voormelde datum een appelboom, die inmiddels door de Gemeente is gerooid. Met de kleine appeltjes van die boom speelde [T.] vaker het volgende "spel.": hij legt een appeltje boven op de geleidewielen, wanneer de poort wordt geopend of gesloten werd het appeltje dan door de poort verpulverd. Dat spel speelde [T.] ook toen omstreeks 17.05 uur op voormelde dag een van de medewerkers van de Gemeente het terrein verliet, zulks na de poort te hebben geopend met een pasje. Op het moment dat de poort weer moest sluiten viel het appeltje van de bovenkant van de geleidewielen af en kwam zo terecht tussen de wielen. [T.] stak zijn hand uit om het appeltje tussen de geleidewielen op te rapen. Op dat moment sloot de poort automatisch en raakte het rechterhandje van [T.] bekneld tussen de geleidewielen en de onderzijde van de poort. [T.] liep daarbij ernstig letsel op aan zijn rechterhandje.

2.4 [Partij L. ] stelt dat de Gemeente aansprakelijk is voor de daaruit voor [T.] voortvloeiende schade. Primair stelt [Partij L. ] dat de poort is te beschouwen als een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 van het Burgerlijk Wetboek (verder te noemen: BW). De poort is volgens hem gebrekkig omdat deze - onder andere - niet voldoet aan de volgende veiligheidseisen. Ten eerste had de poort volgens hem zodanig geconstrueerd moeten zijn dat het niet mogelijk was om met een hand of een voorwerp de geleidewielen aan te raken. Ten tweede had de poort in voldoende mate van blokkeringsbeveiligingen moeten zijn voorzien. De poort diende, gelet op de grootte en zwaarte daarvan, ten derde onder continu toezicht te staan. Ten vierde had er volgens [Partij L. ] een veiligheidsprotocol dienen te zijn opgesteld. Bij een dergelijke poort dienden ten vijfde bordjes te staan met daarop te lezen de gevaren van de betreffende poort; speciaal voor kinderen met behulp van tekeningen waarop het gevaar wordt aangegeven. Kort voorafgaande aan het schuiven van de poort en bij het schuiven daarvan diende volgens [Partij L. ] een signaal hoorbaar te zijn en diende een signaleringslamp te branden en als laatste dienden volgens [Partij L. ] in de nabijheid van de poort geen speeltoestellen of andere daartoe te gebruiken voorwerpen te staan.

2.5 Subsidiair heeft [Partij L. ] gesteld dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door een gevaarlijke situatie in het leven te roepen. Die gevaarlijke situatie bestaat daarin dat de onder 2.4 bedoelde veiligheidseisen bij de constructie van de poort en het gebruik daarvan niet in acht zijn genomen.

2.6 [Partij L. ] heeft op grond van het vorenstaande gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- voor recht verklaart dat de Gemeente aansprakelijk is voor de schade door [L.] voornoemd geleden en nog te lijden, zulks voortvloeiende uit het voorval van 22 juni 1999 als hierboven beschreven;

- de Gemeente veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eisers te betalen de schade die hun zoon heeft geleden en nog zal lijden op grond van het in de dagvaarding vermelde, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, met vergoeding van de wettelijke rente over het uiteindelijk vast te stellen schadebedrag vanaf 22 juni 1999, de dag van het voorval veroorzaakt door het onrechtmatig handelen van de Gemeente, tot aan de dag der algehele voldoening;

het een en ander met veroordeling van de Gemeente in de kosten van de procedure.

2.7 De vordering wordt door de Gemeente weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusies van antwoord en dupliek.

3. De beoordeling

3.1 De vraag of de opstal - in casu de poort - niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, hetgeen op grond van artikel 6:174 BW tot aansprakelijkheid van de Gemeente leidt, dan wel of er sprake is van een gevaarscheppende situatie, die, nu zich het gevaar heeft verwezenlijkt, leidt tot aansprakelijkheid van de Gemeente op grond van het bepaalde in artikel 6:162 BW moet, zoals partijen terecht tot uitgangspunt nemen, mede worden beantwoord aan de hand van de criteria zoals deze door de Hoge Raad zijn geformuleerd in zijn arrest van 5 november 1965 (NJ' 66, 136), het zogenaamde Kelderluik-arrest.

3.2 Volgens dat arrest kan alleen in het licht van de omstandigheden van het gegeven geval worden beoordeeld of en in hoever aan iemand, die een situatie in het leven roept welke voor anderen bij niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid gevaarlijk is, de eis kan worden gesteld, dat hij rekening houdt met de mogelijkheid dat die oplettendheid en voorzichtigheid niet zullen worden betracht en met het oog daarop bepaalde veiligheidsmaatregelen neemt. Daarbij dient te worden gelet niet alleen op de mate van waarschijnlijkheid waarmee de niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, maar ook op de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, op de ernst die de gevolgen daarvan kunnen hebben, en op de mate van bezwaarlijkheid van te nemen veiligheidsmaatregelen.

3.3 Als uitgangspunt moet worden genomen dat deze criteria niet alle op zich moeten worden beschouwd, maar in onderling verband. Daarom is niet voldoende dat er een theoretische mogelijkheid bestond, hoe klein ook, dat er schade zou ontstaan op een wijze als in het onderhavige geval. [Partij L. ]s stelling dat de Gemeente op eenvoudige wijze had kunnen voorkomen dat de onderhavige schade zou zijn ontstaan is derhalve evenmin relevant. Evenmin is op zich relevant dat het handelen als in casu dat van [T.] kan leiden tot ernstige schade. Bij de beantwoording van de vraag of er sprake is van een gevaarlijke situatie, is in het onderhavige geval wel van belang of voor de Gemeente redelijkerwijs voorzienbaar was dat iemand zou handelen op de wijze waarop [T.] heeft gedaan. Men kan immers slechts verwachten dat men zijn handelen, in casu het voorkomen van gevaarlijke situaties, dan wel het in verband daarmee nemen van adequate maatregelen ter voorkoming of beperking van gevaar, afstemt op gedrag van anderen indien dat gedrag redelijkerwijs voorzienbaar is.

3.4 De schade is niet ontstaan in verband met een normaal gebruik van de poort, bijvoorbeeld het bedienen daarvan of het lopen door de poort, maar als gevolg van een "gebruik" van de poort dat naar het oordeel van de rechtbank zover buiten de normale lijn der verwachtingen ligt, dat de Gemeente met een dergelijk "gebruik" geen rekening hoefde te houden. Het handelen van [T.] is ook niet te beschouwen als een vorm van onoplettendheid of onvoorzichtigheid waarmee de Gemeente rekening moest houden bij de constructie of het gebruik van de poort.

3.5 [Partij L. ] heeft ook niet gesteld dat zich in het verleden vergelijkbare schadegevallen hebben voorgedaan, of situaties waarbij schade dreigde te ontstaan als veroorzaakt op een wijze als in het onderhavige geval, zodat de Gemeente op grond daarvan bekend kon zijn met de omstreden gevaarlijke situatie. De rechtbank merkt hierbij op dat is gesteld noch gebleken dat het in de brief van 5 januari 2000 (productie 6 bij conclusie van repliek) genoemde wegsturen van kinderen gebeurde omdat men bang was voor een geval als het onderhavige.

3.6 In het licht van het vorenoverwogene behoefde de poort naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet te zijn geconstrueerd of te worden gebruikt op een wijze, of te zijn voorzien van beveiligingen als door [Partij L. ] bedoeld, als weergegeven in 2.4. Er is derhalve geen sprake van een gebrekkige opstal in de zin van artikel 6:174 BW, noch is er sprake van een gevaarlijke situatie, die, nu zich het gevaar heeft verwezenlijkt, leidt tot aansprakelijkheid van de Gemeente op grond van artikel 6:162 BW.

3.7 Anders dan [Partij L. ], is de rechtbank van oordeel dat de door [Partij L. ] opgesomde veiligheidseisen ook niet reëel zijn enkel omdat er sprake is van een opstal die bedrijfsmatig wordt gebruikt en is geplaatst midden in een kinderrijke buurt omgeven door speelterreinen. Ook dat feit maakt immers niet redelijkerwijs voorzienbaar dat het onderhavige schadegeval zich zou kunnen voordoen. Ook [Partij L. ]s stelling dat in een dergelijk geval van een opstaleigenaar moet worden verlangd dat deze elk risico op (letsel)schade uitsluit vindt geen steun in het recht. De rechtbank komt dus niet tot het oordeel dat de poort niet voldeed aan de eisen die daaraan vanuit het oogpunt van veiligheid gesteld mogen worden.

3.8 Evenmin kan de verwijzing van [Partij L. ] naar het arrest van de Hoge Raad van 27 mei 1988 (NJ' 89, 29, het zogenaamde Veenbroei-arrest) hem baten. In het onderhavige geval moet immers worden geoordeeld dat er geen sprake was van een gevaar, nu de Gemeente niet bekend was noch had hoeven te zijn met het gevaar, bestaande in de kans op letsel bij een wijze van handelen als door [T.]. Van een gevaar kan immers pas sprake zijn indien dat tot iemands bewustzijn is doorgedrongen of had moeten zijn doorgedrongen. Zoals de rechtbank reeds heeft overwogen, hoefde de Gemeente daar echter redelijkerwijs geen rekening mee te houden.

3.9 Ook het feit ten slotte dat het ongeval is gebeurd op een terrein dat eigendom is van de Gemeente is onvoldoende om op grond daarvan te concluderen tot aansprakelijkheid van de Gemeente.

3.10 Al het vorenstaande brengt met zich dat de vordering moet worden afgewezen en dat [Partij L. ] als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure moet dragen.

4. De uitspraak

De rechtbank:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [Partij L. ] in de kosten van de procedure aan de zijde van de Gemeente gevallen en tot op heden begroot op:

vast recht € 193,00

salaris procureur 780,00

verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Sijmonsma, Hoekstra en Van den Acker, rechters, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MT