Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF6877

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-04-2003
Datum publicatie
04-04-2003
Zaaknummer
73111 / HA ZA 02-218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 2 april 2003

Zaaknummer : 73111 / HA ZA 02-218

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

mr. Adrianus Johannes VAN BERGEN, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Engineering [S.] Flow Control Systems b.v.,

wonende te Maastricht,

eiser,

procureur mr. A.J. van Bergen;

tegen:

[S.],

wonende te Bunde, gemeente Meerssen,

gedaagde,

procureur mr. J.M.H. Römkens.

2. Het verloop van de procedure

Eiser, hierna te noemen "de Curator", heeft [S.], [Gedaagde]", gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. [Gedaagde] heeft daarna onder het overleggen van een productie geantwoord.

Omdat geen verschijning van partijen in de zin van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is gelast, heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld te repliceren en te dupliceren.

Vervolgens heeft de Curator gerepliceerd, zulks onder overlegging van producties, en heeft [Gedaagde] geconcludeerd voor dupliek, waarbij een productie in het geding is gebracht.

Ten slotte heeft [Gedaagde] vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Bij vonnis van 19 oktober 2000 van deze rechtbank is Engineering [S.] Flow Control Systems BV - verder te noemen: de vennootschap - in staat van faillissement verklaard, met benoeming van de Curator tot curator.

2.2 [S.] heeft in de periode van 27 februari 1996 tot en met 25 maart 1999 formeel als bestuurder van de vennootschap ingeschreven gestaan in het handelsregister. In de periode van 25 maart 1999 tot en met 14 september 2000 stond er formeel bij de Kamer van Koophandel geen bestuurder ingeschreven, maar fungeerde [S.], naar onbetwist vaststaat, feitelijk als bestuurder van de vennootschap. Op 14 september 2000 heeft [S.] zich wederom als bestuurder laten inschrijven.

2.3 Volgens de Curator voldeed de administratie van de vennootschap niet aan het criterium van artikel 2:10 van het Burgerlijk Wetboek (verder te noemen: BW). Bij schrijven van 24 oktober 2000 heeft de Curator [S.] gesommeerd om de volledige administratie af te geven, aan welke sommatie [S.] volgens de Curator geen gehoor heeft gegeven. Bij schrijven van 31 januari 2001 heeft de Curator [S.] aansprakelijk gesteld op grond van het bepaalde in artikel 2:248 BW.

2.4 De Curator stelt verder dat [S.] aan de vennootschap een bedrag verschuldigd is van Euro€ 20.199,57 wegens privé-opnames door [S.].

2.5 Volgens de Curator voldoet de administratie van de vennootschap niet aan de criteria van artikel 2:10 BW, omdat de jaarverslagen met betrekking tot de jaren 1995-1998 ontbreken en ook de debiteuren en creditposities en bankafschriften deels ontbreken. Ten aanzien van de jaren 1999 en 2000 is er volgens de Curator geen enkel stuk voorhanden met betrekking tot de vermogenstoestand van de vennootschap.

2.6 Volgens de Curator heeft de vennootschap de jaarrekening met betrekking tot 1998 niet binnen de in artikel 2:394 lid 3 BW genoemde termijn openbaar gemaakt ten kantore van het handelsregister bij de Kamer van Koophandel. Met betrekking tot 1998 is nooit een jaarrekening openbaar gemaakt, terwijl deze uiterlijk op 1 februari 2000 gepubliceerd had moeten zijn.

2.7 Op grond van het bepaalde in artikel 2:248 BW is [S.] derhalve aansprakelijk voor het tekort in het faillissement, welk tekort door de Curator wordt begroot op Euro€ 70.707,13

2.8 De Curator heeft op grond van het vorenstaande gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1) voor recht verklaart dat [S.] zijn taak als bestuurder van de ten processe bedoelde vennootschap kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat die kennelijke onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van de ten processe bedoelde vennootschap;

2) [S.] veroordeelt tot betaling aan de Curator in zijn hoedanigheid van curator van de vennootschap van een bedrag van €Euro 70.707,13 + p.m., te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening;

3) [S.] veroordeelt tot betaling aan de Curator in zijn hoedanigheid van curator van de vennootschap van het totaalbedrag van de schulden van de vennootschap, voorzover dit niet door vereffening van de baten kan worden voldaan, een en ander op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening;

4) [S.] veroordeelt tot betaling aan de Curator in zijn hoedanigheid van curator van de vennootschap van het bedrag van €Euro 20.199,57, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot die der algehele voldoening;

het een en ander met veroordeling van [S.] in de kosten van de procedure.

2.9 De vordering wordt door [S.] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusies van antwoord en dupliek.

3. De beoordeling

3.1 De rechtbank merkt op dat [S.] in zijn conclusie van dupliek heeft erkend dat de jaarstukken over 1998 zijn opgemaakt noch zijn gepubliceerd, omdat volgens [S.] de middelen ontbraken om de accountant te betalen. De vennootschap heeft derhalve niet voldaan aan de op grond van artikel 2:394 BW op haar rustende verplichting. Verder heeft [S.] bij conclusie van antwoord onder 2 en conclusie van dupliek onder 2 erkend dat er over 1999 en 2000 niets is geadministreerd en dat in elk geval een deel van de administratie nog verwerkt moest worden. Op grond van het bepaalde in artikel 2:248 lid 2 BW moet worden geoordeeld dat [S.] zijn taak als bestuurder van de vennootschap reeds op grond van dit falen onbehoorlijk heeft vervuld. De verweren van [S.] in verband met de wijze van boekhouden kunnen derhalve, als niet meer relevant, onbesproken blijven.

3.2 Volgens laatstgemelde bepaling wordt vermoed dat die onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van de vennootschap. Het is op grond daarvan aan [S.] om te bewijzen (in de zin van, gelet op Hoge Raad 23 november 2001, NJ 2002, 95, aannemelijk maken) dat zulks niet het geval is geweest en het faillissement is veroorzaakt door een van buiten komende oorzaak.

3.3 [S.] heeft in dat verband het volgende gesteld. Hij en zijn zoon hadden een systeem (hierna "de installatie" te noemen) ontwikkeld dat de hoeveelheid drank/vloeistof kan registreren die een kraan passeert. Om de installatie te bouwen waren meerdere componenten nodig, die door verschillende leveranciers werden geleverd. De verkoop van die installaties is in 1998 op gang gekomen, maar in praktijk bleek dat de gebruikte software onvoldoende stabiel was. De vennootschap had zich volgens [S.] ook verkeken op de tijd die nodig was om de horecaondernemers zodanig te instrueren dat de geleverde software zonder probleem functioneerde. Op grond daarvan waren [S.] en zijn zoon veel te veel tijd kwijt met service, onderhoud en garantieverplichtingen en kwamen daardoor niet toe aan de verkoop van nieuwe installaties. Uiteindelijk kostte de nakoming van serviceverplichtingen en garantieverplichtingen veel te veel tijd en geld. Tevens bleek volgens [S.] dat de leverancier van de software niet in staat was werkelijk stabiele software te leveren. Om die redenen zag de vennootschap zich, begin 1999, genoodzaakt haar activiteiten te staken. Hieruit volgt volgens [S.] dat er sprake is van een van buiten komende omstandigheid, die [S.] niet verweten kan worden.

3.4 Met [S.] is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van een onbehoorlijke taakvervulling die een belangrijke oorzaak is voor het faillissement, indien het faillissement in belangrijke mate is veroorzaakt door een van buiten komende omstandigheid. Derhalve moet worden beoordeeld of de in 3.3 door [S.] naar voren gebrachte omstandigheden kunnen worden beschouwd als van buiten komende omstandigheden.

3.5 De rechtbank is van oordeel dat het door [S.] gestelde zo'n van buiten komende oorzaak oplevert. De problemen waarin de vennootschap is geraakt, zijn dan immers niet het gevolg van het handelen van [S.] op zich, maar zijn het gevolg van het falen van toeleveranciers van de vennootschap. Gesteld noch gebleken is hierbij dat [S.] op onzorgvuldige wijze de leveranciers heeft uitgezocht, terwijl het niet leveren van een goed product zijn weerslag heeft op de kernactiviteit van de vennootschap.

3.6 Op grond van het vorenstaande zal de rechtbank [S.] toelaten om door alle middelen rechtens te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het faillissement in belangrijke mate is veroorzaakt doordat de door de vennootschap geleverde installaties, als gevolg van de aan de vennootschap geleverde software, niet stabiel genoeg waren, waardoor nieuwe installaties en herinstallaties, onder garantie, hebben moeten plaatsvinden.

3.7 Ten aanzien van de privé-opnames is de rechtbank van oordeel dat deze door de Curator voldoende zijn onderbouwd door de overlegging van productie 7 bij de conclusie van repliek, doch door [S.] onvoldoende gemotiveerd zijn betwist. De daarop betrekking hebbende vordering ligt derhalve voor toewijzing gereed.

3.8 In afwachting van de bewijslevering houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

4. De uitspraak

De rechtbank:

laat [S.] toe om door alle middelen rechtens te bewijzen feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat het faillissement in belangrijke mate is veroorzaakt doordat de door de vennootschap geleverde installaties, als gevolg van de aan de vennootschap geleverde software niet stabiel genoeg waren, waardoor nieuwe installaties en herinstallaties, onder garantie, hebben moeten plaatsvinden;

bepaalt dat eventuele getuigenverhoren zullen worden gehouden in het gerechtsgebouw te Maastricht aan het St. Annadal 1 op een datum en tijdstip als door de rechtbank zal worden bepaald, nadat [S.] bij akte heeft opgegeven of getuigen zullen worden voorgebracht, in dat geval onder opgave van het aantal en - zo mogelijk - de personalia van de getuigen;

verwijst de zaak naar de rol van 14 mei 2003 met peremptoirstelling voor akte houdende opgave getuigen aan de zijde van [S.], alsmede voor akte houdende verhinderdata in de eerste vier maanden vanaf de datum van opgave aan de zijde van beide partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sijmonsma, vice-president, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MT