Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF6823

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
31-03-2003
Datum publicatie
04-09-2003
Zaaknummer
AWB 02/372 WVG Z
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag aangepaste auto o.g.v. WVG t.b.v. geestelijk gehandicapte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 02/372 WVG Z

UITSPRAAK van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiser] te [woonplaats], eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Maastricht

- Dienst Sociale en Economische Zaken - , gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 5 februari 2002.

Kenmerk: 2671.87.00.

Behandeling ter zitting: 16 januari 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het namens eiser ingediende bezwaarschrift van 14 november 2001 ongegrond verklaard.

Tegen bovengenoemd besluit heeft de gemachtigde van eiser, mr. H.P. Ruysink, advocaat te Maastricht, bij schrijven van 11 maart 2002 beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn op 6 april 2002 aangevoerd.

De door verweerder ter voldoening aan artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 16 januari 2003, alwaar eiser en zijn stiefmoeder zijn verschenen, bijgestaan door mr. Ruysink voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer M.J.W. Bruijnzeels.

II. OVERWEGINGEN.

II.1. Eiser, verder aangeduid bij zijn voornaam [eiser], is geboren op [dag] 1987 en is lichamelijk en geestelijk ernstig gehandicapt. [eiser] verkeert in een zogenaamd subcoma en is dan ook op geen enkele wijze in staat voor zichzelf te zorgen. Zo ook is hij op geen enkele wijze in staat zichzelf voort te bewegen.

Sedert 3 februari 2000 woont [eiser] in bij zijn vader en zijn stiefmoeder, verder aangeduid als de ouders, die beiden nagenoeg de volledige zorg voor hem dragen. Vastgesteld is dat [eiser] op bepaalde prikkels reageert. Met name hierom bezoeken de ouders van [eiser] regelmatig pretparken en een voorziening waar gehandicapten kunnen paardrijden.

De vervoersbehoefte van [eiser] bestaat verder uit het bezoeken van een voorziening voor dagopvang en de fysiotherapeut.

In het verleden heeft verweerder op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) ten behoeve van [eiser] een forfaitaire vergoeding in de kosten van het gebruik van een taxi dan wel een eigen auto toegekend. Deze vergoeding is in 2000 omgezet in een forfaitaire vergoeding voor deelname aan het collectieve vervoerssysteem Vervoer op Maat (VOM). Deze vergoeding bestaat hieruit dat [eiser] gebruik kan maken van de in dit systeem voorziene mogelijkheid van individueel vervoer met begeleiding.

[eiser] kan tevens gebruik maken van het vervoerssysteem TRAXX van de Nederlandse Spoorwegen.

Daarnaast maken de ouders voor het vervoer van [eiser] gebruik van een aangepaste tweedehands auto (Chrysler type voyager). Deze auto is volgens de ouders aan vervanging toe.

Namens [eiser] hebben zijn ouders in januari 2001 een aanvraag ingediend voor een aangepaste auto. Zij hebben hierbij aangegeven dat de collectieve vervoersvoorzieningen VOM en TRAXX niet adequaat zijn in verband met de lange wachttijden en de noodzaak van verschoning van [eiser] gedurende de reis.

Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 8 oktober 2001 afgewezen. Verweerder heeft daarbij verwezen naar een ter zake door de Gemeenschappelijke Gezondheidsdienst Zuidelijk Zuid-Limburg (GGD) uitgebracht advies van 14 juni 2001.

Blijkens dit advies is er geen sprake van een medische contra-indicatie voor het reeds toegekende vervoer per individuele rolstoeltaxibus met begeleiding. De arts is tot deze conclusie gekomen, nadat zij [eiser] tijdens het spreekuur heeft gezien, het dossier heeft bestudeerd en aanvullende informatie met betrekking tot de aard en ernst van de epilepsie- en braakaanvallen van [eiser] heeft opgevraagd bij de behandelend neuroloog. Alhoewel de arts opmerkt dat de neuroloog slechts fotokopieën zonder nadere informatie heeft ingezonden, acht zij de beschikbare informatie voldoende om te kunnen adviseren.

De arts heeft bij het uitbrengen van haar advies rekening gehouden met de omstandigheden dat [eiser] lijdt aan epilepsie en rolstoelafhankelijk is, twee tot drie keer per week moet braken en voorts incontinent is. Zij heeft verder overwogen dat de epilepsie - en braakaanvallen de ouders van [eiser] er niet van weerhouden lange reizen met hem te maken. Met name ook in het licht hiervan moet volgens de arts het vervoer per individuele rolstoeltaxibus met begeleiding voor mogelijk worden gehouden.

Tot slot overweegt de arts dat ten aanzien van het terugbrengen van de wachttijden bij het VOM stappen worden ondernomen en er geen indicatie is voor een buitenregionale vervoersvoorziening.

Tegen dit besluit en het onderliggende advies heeft de gemachtigde van eiser bij schrijven van 14 november 2001 een bezwaarschrift ingediend. Daarbij is aangevoerd dat:

§ het gebruik van de beschikbare vervoersvoorzieningen een hoge kostenpost oplevert;

§ het VOM bovendien niet op tijd rijdt;

§ reizen met [eiser] inhoudt dat er veel spullen meegenomen moeten worden om te voorzien in zijn verzorging, ter illustratie waarvan foto’s zijn overgelegd;

§ het niet kunnen reizen met een aangepaste auto leidt tot vereenzaming van de ouders van [eiser], hetwelk ook op [eiser] zijn weerslag heeft.

De nadere gronden van het bezwaar zijn bij schrijven van 24 januari 2002 aangevoerd. In dit schrijven wordt aanvullend aangevoerd dat:

§ het GGD-advies voor onvolledig en onzorgvuldig gehouden moet worden: de neuroloog heeft immers slechts volstaan met het opsturen van fotokopieën en geen antwoord gegeven op de gerichte vragen van de GGD-arts met betrekking tot de ernst van de epilepsie- en de braakaanvallen van [eiser]. De gegevens die wel door de neuroloog zijn verstrekt, ontbreken bovendien. Verweerder had dan ook moeten aangedringen op nadere informatie.

Op 11 december 2001 heeft een hoorzitting plaatsgevonden. Van het verhandelde is een verslag gemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Bij het thans bestreden besluit van 5 februari 2002 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat het aan de adviserend arts is om te beoordelen welke informatie hij voldoende acht om een advies uit te brengen. Dat de medische stukken niet bij het advies zijn gevoegd, is, gelet op het medisch beroepsgeheim, in de ogen van verweerder correct.

Ten aanzien van de grief dat bij het vervoer van eiser veel bagage moet worden meegenomen, wordt opgemerkt dat dit blijkens het verhandelde tijdens de hoorzitting niet geldt voor kortdurende ritten.

Tenslotte wordt in voldoende mate aan eisers deelname aan het leven van alledag voorzien met de aan hem toegekende voorziening. Van een risico tot vereenzaming is niet gebleken.

II.2. Namens [eiser] persisteert de gemachtigde bij hetgeen reeds in de bezwaarfase is aangevoerd. Met name wordt er nog eens op gewezen dat het niet zo mag zijn dat de door de neuroloog overgelegde gegevens ter bescherming van de privacy van [eiser] niet geverifieerd kunnen worden, terwijl [eiser] er juist bij is gebaat kennis te nemen van de aan de GGD overgelegde gegevens.

II.3. In het verweerschrift is overwogen dat het de GGD niet aangerekend kan worden dat de specialist, hoewel gericht bevraagd, slechts volstaat met het sturen van fotokopieën. Het staat [eiser] overigens vrij om rechtstreeks stukken bij de GGD op te vragen.

II.4.1. Tijdens het onderzoek ter zitting is door de rechtbank in de eerste plaats het medisch advies aan de orde gesteld. Namens [eiser] is op vragen daartoe van de rechtbank geantwoord dat de ouders over alle medische informatie beschikken. De rechtbank heeft in het verlengde hiervan vastgesteld dat partijen over de onderliggende medische problematiek niet van mening verschillen.

Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat tussen partijen onbetwist is dat er ten behoeve van [eiser] een indicatie voor een vervoersvoorziening aanwezig is.

Naar de rechtbank ter zitting heeft vastgesteld is tussen partijen dan ook niet zo zeer in geschil de vraag of het medisch advies en de daarop gebaseerde besluitvorming voldoet aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen, maar veeleer de vraag of verweerder met de toegekende voorziening, te weten een individuele vervoersvoorziening met begeleiding, voldoet aan zijn zorgplicht.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

II.4.2. Ingevolge artikel 3.1 van de Verordening voorzieningen gehandicapten gemeente Maastricht 2000 (hierna : de verordening) kan de door verweerder te verstrekken vervoersvoorziening bestaan uit een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer (onder a), een voorziening in natura in de vorm van een al dan niet aangepaste bruikleenauto (onder b, sub 1) dan wel een tegemoetkoming of een vergoeding in de kosten van gebruik van een bruikleenauto (onder c, sub 2).

Artikel 3.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de verordening bepaalt dat een gehandicapte voor een vervoersvoorziening als vermeld in artikel 3.1, onder b en c, in aanmerking kan worden gebracht wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik van een collectief systeem als bedoeld in het eerste lid onmogelijk maken.

Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ingevolge artikel 3.2, zesde lid, van de verordening ten aanzien van de vervoersbehoefte uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag, tenzij zich een uitzonderingssituatie voordoet waarbij het gaat om bovenregionaal contact, dat uitsluitend door de gehandicapte bezocht kan worden, terwijl het bezoek noodzakelijk is voor de gehandicapte om dreigende vereenzaming te voorkomen.

II.4.3. Uit de gedingstukken en naar aanleiding van hetgeen tijdens de zitting door partijen is opgemerkt maakt de rechtbank op dat namens [eiser] niet wordt bestreden dat de door verweerder toegekende vervoersvoorziening voldoet voor het vervoer binnen de regio. De kennelijk noodzakelijke vervanging van de huidige, aangepaste auto van de ouders dient dan ook te garanderen dat het vervoer buiten de regio, met name naar bestemmingen in Noord-Brabant en Midden-Limburg, voor de ouders mogelijk blijft.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht met deze wens geen rekening houden. Volgens vaste jurisprudentie kan verweerder niet worden gehouden ook het vervoer buiten de regio te garanderen, tenzij de gehandicapte in een sociaal isolement dreigt te komen. Van een dergelijk sociaal isolement is in het geval van [eiser] echter geen sprake.

Weliswaar zullen de bezoeken aan de pretparken en de manege een positief effect op [eiser] kunnen hebben, doch is hiermee geen sprake van dreigende vereenzaming in de zin van artikel 3.2, zesde lid, van de verordening. Voor zover dit positief effect moet worden gekwalificeerd als een vooruitgang in de medische situatie van [eiser], dan is de rechtbank van oordeel dat de financiering van de kosten hiervan niet binnen de doelen van de Wet voorzieningen gehandicapten en de daarop gebaseerde gemeentelijke regelgeving ligt.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder met de door hem toegekende voorziening heeft voldaan aan de op hem rustende zorgplicht.

II.5. Het beroep moet, gezien het vorenstaande, voor ongegrond gehouden worden.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzitter, mr. H.J.O. Martens en mr. M.C.A.E. van Binnebeke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Kavelaars als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2003 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Kavelaars w.g. F. Vluggen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden op: 31 maart 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.