Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF6760

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
31-03-2003
Datum publicatie
02-04-2003
Zaaknummer
AWB 01 / 1066 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 01 / 1066 BESLU

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen:

1. de vereniging Actiecomité Geen Coffeeshop Heerlerbaan,

2. de vereniging Zelfstandige Ondernemers Organisatie Heerlerbaan,

3. de stichting Stichting Buurtontwikkeling Heerlerbaan,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] Heerlen B.V.,

alle gevestigd te Heerlen, eiseressen,

en

de Burgemeester van de Gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 4 juli 2001.

Kenmerk: 01.21PV.

Behandeling ter zitting: 12 maart 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 4 juli 2001 heeft verweerder het door eiseressen ingediende bezwaarschrift tegen zijn besluit van 27 maart 2001 ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.

Eiseressen hebben bij schrijven van 14 augustus 2001 van hun gemachtigde bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit van 4 juli 2001.

Bij schrijven van 27 augustus 2001 heeft verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: Awb) de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank doen toekomen. De rechtbank heeft die stukken in afschrift aan de gemachtigde van eiseressen verzonden.

Eiseressen hebben bij schrijven van 24 september 2001 van hun gemachtigde de gronden van hun beroepschrift nader aangevuld.

Op 16 oktober 2001 heeft verweerder telefonisch aan de griffier van deze rechtbank medegedeeld dat hij geen verweerschrift zal indienen. De gemachtigde van eiseressen is hiervan bij schrijven van diezelfde dag op de hoogte gesteld.

De inhoud van de gedingstukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 12 maart 2003.

Zowel eiseressen als hun gemachtigde zijn -met kennisgeving- niet ter zitting verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden: mr. P.S.P. Vanderheyden en dhr. J.L.P. Heyboer.

II. OVERWEGINGEN.

Op 11 juli 2000 heeft [naam vergunninghouder] (hierna te noemen: vergunninghouder) bij verweerder een aanvraag ingediend ter verkrijging van een horeca-exploitatievergunning als bedoeld in artikel 3.2.1.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Heerlen (hierna te noemen: APV) ten behoeve van het exploiteren van een coffeeshop in het pand aan de Heerlerbaan [huisnummer] te Heerlen (hierna te noemen: het pand).

Verweerder heeft bij schrijven van 8 november 2000 aan vergunninghouder bericht dat hij -verweerder-, onder voorwaarde dat ook aan alle procedureel-technische eisen wordt voldaan, voornemens is de gevraagde vergunning te verlenen, maar dat een definitief besluit pas wordt genomen na het volgen van de openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb. In dat kader zijn voornoemd schrijven en de daarbij behorende stukken met ingang van 15 november 2000 gedurende vier weken ter inzage gelegd.

Eiseres sub 4 heeft bij schrijven van 12 december 2000 van haar gemachtigde haar zienswijze naar voren gebracht over het voornemen van verweerder om de door vergunninghouder verzochte vergunning te verlenen. Eiseressen sub 1 tot en met 3 hebben zulks gedaan bij schrijven van 13 december 2000 van hun gemachtigde.

Daarop heeft er op 14 december 2000 een hoorzitting plaatsgevonden, tijdens welke zitting eiseressen gebruik hebben gemaakt van het aan hen toekomende recht om te worden gehoord.

Bij besluit van 27 maart 2001 heeft verweerder de door vergunninghouder aangevraagde horeca-exploitatievergunning verleend, met dien verstande dat aan die vergunning een aantal, in dat besluit nader genoemde, voorwaarden zijn verbonden.

Aangezien eiseressen zich niet met dat besluit hebben kunnen verenigen, hebben zij daar bij -gezamenlijk- schrijven van 7 mei 2001 -tijdig- bezwaar tegen gemaakt. In dat kader heeft er op 30 mei 2001 een hoorzitting plaatsgevonden, tijdens welke zitting eiseressen gebruik hebben gemaakt van het aan hen toekomende recht om te worden gehoord.

Bij besluit van 4 juli 2001 heeft verweerder de bezwaren van eiseressen ongegrond verklaard en het bestreden besluit gehandhaafd.

Eiseressen hebben zich met dat besluit evenmin kunnen verenigen, weshalve zij daar bij -gezamenlijk- schrijven van 14 augustus 2001 van hun gemachtigde -tijdig- beroep tegen hebben ingesteld. Eiseressen hebben de gronden van hun beroepschrift bij schrijven van 24 september 2001 van hun gemachtigde nader aangevuld.

In dit geding staat de vraag centraal of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten om vergunninghouder ten behoeve van het exploiteren van een coffeeshop in het pand een horeca-exploitatievergunning als bedoeld in artikel 3.2.1.3 van de APV te verlenen.

Ingevolge artikel 3.2.1.2, onder A, sub 2, van de APV wordt -voorzover thans van belang- onder een horeca-inrichting verstaan: elke voor het publiek toegankelijke lokaliteit, open plaats, tuin of gedeelte daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel als bedoeld in de Winkelsluitingswet (met uitzondering van afhaalcentra) worden gebruikt, voorzover daar bij wijze van hoofdfunctie of overwegende nevenfunctie gelegenheid wordt gegeven om al dan niet tegen betaling enigerlei eetwaren en/of alcoholvrije dranken te verkrijgen en/of verbruiken.

Onder "ondernemer" wordt, blijkens het gestelde onder B van voornoemd artikel, verstaan: de natuurlijke of rechtspersoon voor wiens rekening en risico de horeca-inrichting wordt geëxploiteerd.

Blijkens artikel 3.2.1.2, onder C, van de APV wordt onder "beheerder" verstaan: degene die leiding geeft aan de exploitatie van een horeca-inrichting.

Onder E van voornoemd artikel wordt bepaald dat onder "bevoegd orgaan" wordt verstaan: de burgemeester dan wel burgemeester en wethouders, ieder voorzover het zijn/hun bevoegdheid betreft.

Ingevolge artikel 3.2.1.3 van de APV is het verboden om een horeca-inrichting te exploiteren zonder vergunning van het bevoegd orgaan.

Artikel 3.2.2.3 van de APV bepaalt -voorzover thans van belang- dat het bevoegd orgaan de vergunning weigert indien:

a. naar zijn oordeel door de aanwezigheid van de horeca-inrichting het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed;

(…);

b. de vestiging of exploitatie strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan dan wel met een geldende leefmilieuverordening;

c. de horeca-inrichting niet voldoet aan de inrichtingseisen, als bedoeld in artikel 3.2.3.2 van deze afdeling, tenzij een ontheffing als bedoeld in artikel 3.2.3.3 is verleend;

d. de ondernemer (…) een horeca-inrichting heeft (…) geëxploiteerd die evenwel op grond van (ernstige vrees voor) verstoring van de openbare orde binnen drie jaar voor de aanvraag gesloten is geweest;

e. er naar zijn oordeel sprake is van een concentratie van horeca-inrichtingen in een bepaald gebied, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt;

f. de horeca-inrichting gevestigd is in de onmiddellijke nabijheid van bedrijven of winkels met een dusdanig andere bezoekersgroep dat de ontmoeting tussen de verschillende bezoekersgroepen openbare orde-problemen tot gevolg heeft of tot gevolg kan hebben;

g. redelijkerwijze moet worden aangenomen, dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

h. de beheerder(s) van de in artikel 3.2.1.2, onder A, sub 2 en 3 bedoelde horeca-inrichtingen de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft/hebben bereikt;

i. door de beheerder(s) en/of ondernemer (…) niet wordt voldaan aan de eisen die bij of krachtens artikel 5 [thans artikel 8], tweede lid sub a en b, en derde lid van de Drank- en Horecawet worden gesteld.

Bij het beoordelen van aanvragen voor een vergunning als bedoeld in artikel 3.2.1.3 van de APV hanteert verweerder beleidsregels, die in 1995 zijn opgesteld en in 1999 op onderdelen zijn herzien. Vorenbedoelde regels zijn aan te merken als een uitwerking van (de weigeringsgrond genoemd in) artikel 3.2.2.3, onder a, van de APV en vormen derhalve voor verweerder (mede) het toetsingskader voor voornoemde aanvragen

Ingevolge meergenoemde beleidsregels is van een situatie als bedoeld in artikel 3.2.2.3, onder a, van de APV in ieder geval sprake indien:

1. De inrichting wordt gevestigd in de onmiddellijke nabijheid (loopafstand 250 meter) van een Opvang- en Adviescentrum (opvang en behandeling van drugsverslaafden).

2. De inrichting wordt gevestigd in straten waar uitsluitend gewoond wordt.

3. De inrichting wordt gevestigd in de onmiddellijke nabijheid (loopafstand 250 meter) van scholen. Onder scholen wordt verstaan: het basis-, het speciaal- en het voortgezetonderwijs en vestigingen waarin instellingen middelbaar beroepsonderwijs geven.

4. De inrichting is gelegen aan de looproute van het NS-/busstation naar een school die binnen een loopafstand van 1000 meter van dat station is gelegen.

5. De inrichting wordt gevestigd in de onmiddellijke nabijheid (loopafstand 200 meter) van het NS-/busstation.

6. Het maximum aantal coffeeshops (met APV-vergunning) per politiebasiseenheidgebied al gevestigd is.

7. Vestiging van een coffeeshop binnen een straal van 250 meter loopafstand van een andere coffeeshop.

De door verweerder bij het beoordelen van een aanvraag als de onderhavige te hanteren beleidsregels zijn -naar het oordeel van de rechtbank- niet kennelijk onredelijk of anderszins onjuist te achten. Nu die beleidsregels en hun wijzigingen, zoals verweerder -desgevraagd- ter zitting heeft vermeld, zijn gepubliceerd, acht de rechtbank voornoemde regels voldoende kenbaar. De grief van eiseressen dat zij in hun verdediging zijn geschaad omdat de beleidsregels eerst tijdens de bezwaarschriftprocedure ter sprake zijn gekomen, kan dan ook niet slagen.

Nu in meergenoemde beleidsregels een aantal omstandigheden staat vermeld waarin in ieder geval sprake is van "ontoelaatbare aantasting van het woon- en leefklimaat", is de rechtbank, anders dan eiseressen, van oordeel dat verweerder er in die regels niet op voorhand van uit gaat dat de vestiging van een coffeeshop het woon- en leefklimaat niet ontoelaatbaar aantast.

In beroep is namens eiseressen aangevoerd dat de in de periferie van de Heerlerbaan gelegen tippelzone op één lijn gesteld kan worden met een Opvang- en Adviescentrum als bedoeld in het hierboven onder 1 genoemde toetsingscriterium.

Eiseressen zijn voorts van mening dat een coffeeshop dicht bij een tippelzone een grote mate van aantrekkingskracht zal uitoefenen op de prostituees en hun klanten.

Inzake de tippelzone merken eiseressen nog op dat destijds door de politiek en Burgemeester en Wethouders van de gemeente Heerlen is toegezegd dat de Heerlerbaan "zijn portie" heeft gehad, zodat het verlenen van de door vergunninghouder aangevraagde horeca-exploitatievergunning voor een coffeeshop in strijd is met het vertrouwensbeginsel.

Ingevolge de beleidsregels mag een horeca-inrichting niet zijn gelegen in de onmiddellijke nabijheid van een instelling waarin drugsverslaafden worden opgevangen en behandeld. Het behoeft naar het oordeel van de rechtbank geen nader betoog dat in een tippelzone andersoortige activiteiten plaatsvinden dan behandeling en opvang van drugsverslaafden. Voor een analoge toepassing als door eiseressen gewenst ziet de rechtbank dan ook geen aanknopingspunten.

Dat de aanwezigheid van een coffeeshop in de buurt van de tippelzone een grote aantrekkingskracht heeft op de prostituees, is niet aannemelijk, omdat het merendeel van die prostituees verslaafd is aan harddrugs en deze drugs -in beginsel- niet verkrijgbaar zijn in een coffeeshop. Evenmin is aannemelijk dat een coffeeshop een grote aantrekkingskracht heeft op de klanten van de prostituees, omdat een coffeeshop, zoals verweerder -onweersproken- ter zitting heeft verklaard, door een geheel ander publiek bezocht wordt dan een tippelzone.

De door eiseressen gestelde toezegging kan niet worden aangemerkt als een ondubbelzinnige toezegging van verweerder dat er in de wijk Heerlerbaan geen coffeeshop zal worden gevestigd. Hun beroep op het vertrouwensbeginsel kan mitsdien niet slagen.

Eiseressen hebben voorts aangevoerd dat een analoge toepassing van het criterium "school" op de, zich in de nabijheid van het pand bevindende, buitenschoolse kinderopvang en op het, zich eveneens in die nabijheid bevindende, gezinsvervangend tehuis op zijn plaats is.

In het hierboven onder 3 genoemde toetsingscriterium is nader omschreven wat er in het kader van de beleidsregels onder "scholen" verstaan dient te worden. Buitenschoolse kinderopvang en gezinsvervangende tehuizen worden daar niet expliciet genoemd. Voor een analoge toepassing als door eiseressen voorgestaan zijn geen aanknopingspunten gebleken. Hierbij is van belang dat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt (bijvoorbeeld door het overleggen van verklaringen van deskundigen) dat de aanwezigheid van een coffeeshop in het pand een nadelige invloed heeft op de bezoekers van de, in de nabijheid van het pand gelegen, buitenschoolse kinderopvang en het, zich eveneens in die nabijheid bevindende, gezinsvervangend tehuis.

Aan het feit dat, zoals eiseressen -onweersproken- hebben gesteld, de in het pand te vestigen coffeeshop maar 1 kilometer is verwijderd van een coffeeshop op industrieterrein De Locht en maar 1,5 kilometer van een coffeeshop bij de grensovergang, kan in dit geding worden voorbijgegaan, nu die coffeeshops meer dan 250 meter (op loopafstand) van elkaar verwijderd zijn.

Aan de omstandigheid dat in het café [naam café], dat in de nabijheid van het pand is gelegen, softdrugs werden respectievelijk worden verkocht, kan eveneens worden voorbijgegaan. Met het begrip "coffeeshop" in het hierboven onder 7 weergegeven toetsingscriterium, wordt -naar het oordeel van de rechtbank- immers uitsluitend gedoeld op coffeeshops met een APV-vergunning. Tussen partijen is in confesso dat voornoemd café niet beschikt over een dergelijke vergunning en derhalve niet behoort tot de coffeeshops waarop voornoemd toetsingscriterium betrekking heeft.

Nu in de beleidsregels expliciet is bepaald dat van een situatie als bedoeld in artikel 3.2.2.3, onder a, van de APV in ieder geval sprake is indien wordt voldaan aan een van de hierboven onder 1 tot en met 7 opgesomde toetsingscriteria, is de rechtbank van oordeel dat vorenbedoelde opsomming niet limitatief is. Op basis van andere, dan de hierboven weergegeven, omstandigheden kan mitsdien eveneens geoordeeld worden dat sprake is van een ontoelaatbare nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat in de naaste omgeving van de te vestigen coffeeshop.

Volgens eiseressen is een van die omstandigheden gelegen in het feit dat met de komst van een coffeeshop in het pand veel jongeren worden geconfronteerd met (de handel in) softdrugs en alle bijbehorende neveneffecten.

Niet gebleken is dat er zich in de onmiddellijke nabijheid (loopafstand 250 meter) van het pand "scholen" als bedoeld in het hierboven onder 3 weergegeven toetsingscriterium bevinden. Evenmin is gebleken dat het pand is gesitueerd in de onmiddellijke nabijheid (loopafstand 200 meter) van het NS-/busstation of dat het is gelegen aan de looproute van dat station naar een school die binnen een loopafstand van 1000 meter van voornoemd station is gelegen.

Blijkens het besluit van 27 maart 2001 heeft verweerder aan de aan vergunninghouder verleende horeca-exploitatievergunning -voorzover thans van belang- de voorwaarden verbonden dat in of vanuit de coffeeshop aan personen jonger dan 18 jaar geen softdrugs verkocht mogen worden, alsmede dat de coffeeshop tussen 24.00 uur en 18.00 uur gesloten dient te zijn en op zon- en feestdagen tussen 24.00 uur en 16.00 uur.

Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het aan vergunninghouder verlenen van de door hem gevraagde horeca-exploitatievergunning voldoende rekening heeft gehouden met het feit dat met de komst van een coffeeshop op de Heerlerbaan veel jongeren worden geconfronteerd met (de handel in) softdrugs en de bijbehorende neveneffecten.

Het woon- en leefklimaat wordt, aldus eiseressen, door de komst van de coffeeshop verder aangetast doordat er parkeeroverlast zal ontstaan en doordat -naar de rechtbank begrijpt- met de komst van een coffeeshop de criminaliteit in de wijk Heerlerbaan nog meer zal toenemen.

In het (primaire) besluit van 27 maart 2001 heeft verweerder overwogen (en in het bestreden besluit heeft hij dat stand gehouden) dat er door de komst van de litigieuze coffeeshop weliswaar meer parkeerbewegingen zullen plaatsvinden, maar dat er ook ruimte is om dat op te vangen. In dat kader heeft verweerder aangevoerd dat er ter hoogte en in de nabijheid van het pand aan beide kanten van de straat geparkeerd mag worden en dat deze mogelijkheid nog lang niet ten volle wordt benut. Van het door eiseressen gestelde parkeer- respectievelijk stopverbod ter plaatse is, zo heeft verweerder

-onweersproken- ter zitting verklaard, geen sprake.

Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat als gevolg van de vestiging van een coffeeshop in het pand zodanige parkeeroverlast zal ontstaan dat de gevraagde vergunning op deze grond geweigerd had moeten worden. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het voldoende aannemelijk is dat, zoals verweerder in zijn besluit van 27 maart 2001 heeft overwogen, nogal wat bezoekers van de coffeeshop hun auto, uit oogpunt van anonimiteit, niet in de onmiddellijke nabijheid van die horecagelegenheid zullen parkeren. Bovendien heeft vergunninghouder, blijkens voornoemd besluit, toegezegd dat hij de bezoekers van de coffeeshop zal aanspreken op overlast gevend gedrag en dat hij parkeergelegenheid op particulier terrein beschikbaar zal hebben. Terzake van die toezeggingen merkt de rechtbank op dat haar geen feiten en/of omstandigheden zijn gebleken die haar doen twijfelen aan de bereidheid van vergunninghouder om die toezeggingen gestand te doen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder -onweersproken- ter zitting heeft verklaard dat met vergunninghouder afspraken gemaakt kunnen worden.

Het advies aan verweerder van 26 oktober 2000 van de politie is onvoldoende om te oordelen dat van ontoelaatbare parkeeroverlast sprake zal (gaan) zijn, omdat niet gebleken is dat politie en verweerders gemeente door het uitoefenen van toezicht ter plaatse niet in staat zullen zijn aantasting van de openbare orde en van het woon- en leefklimaat te voorkomen.

Evenmin acht de rechtbank aannemelijk geworden dat door de komst van een coffeeshop in het pand de criminaliteit in de wijk Heerlerbaan (nog meer) toeneemt.

Eiseressen hebben verder nog aangevoerd dat verweerder de door vergunninghouder aangevraagde horeca-exploitatievergunning niet had mogen verlenen, omdat de in artikel 3.2.2.3, onder e, van de APV genoemde weigeringsgrond zich hier voordoet. Zij hebben daartoe aangevoerd dat er aan de Heerlerbaan reeds 5 horeca-inrichtingen zijn gelegen, waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief zal toenemen.

Gelet op het feit dat de Heerlerbaan een lange straat is die loopt van de Heesbergstraat tot aan de Locht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat er op de Heerlerbaan geen sprake is van een dusdanige concentratie van horeca-inrichtingen waardoor het gevaar voor aantasting van de openbare orde of het woon- en leefklimaat cumulatief toeneemt.

Ook de stelling van eiseressen dat het vestigen van een coffeeshop in het pand in de nabijheid van de verscheidene soorten, eveneens aan de Heerlerbaan gevestigde, ondernemingen tot een imagoverlies zal leiden, acht de rechtbank in dit geding niet aannemelijk geworden.

Voorts zijn eiseressen van mening dat de in artikel 3.2.2.3, onder i, van de APV genoemde weigeringsgrond zich in casu voordoet. Zij voeren daartoe aan dat vergunninghouder slecht levensgedrag vertoont.

Blijkens het bestreden besluit is vergunninghouder in 1997 veroordeeld tot een geldboete van fl. 1.500,-- subsidiair 30 dagen hechtenis, wegens handel in softdrugs.

Voorts blijkt uit dat besluit dat vergunninghouder bij vonnis van 19 januari 2001 van de Duitse rechter is veroordeeld tot een voorwaardelijke straf met een proeftijd van 3 jaar terzake van het zevenmaal verstrekken van softdrugs in porties van 50 gram.

Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat achteraf is gebleken dat de Duitse veroordeling inmiddels onherroepelijk geworden is. Verder heeft verweerder nog ter zitting te kennen gegeven dat vergunninghouder voor die veroordeling reeds 2 danwel 4 maanden gevangenisstraf heeft ondergaan.

Beoordeeld dient te worden of bovenstaande feiten tot het oordeel leiden dat vergunninghouder van slecht levensgedrag is.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder b, van de DHW mogen leidinggevenden, waartoe vergunninghouder behoort, -voorzover thans van belang- niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn.

Artikel 8, derde lid, van de DHW bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur naast de in het tweede lid gestelde eisen andere eisen ten aanzien van het zedelijk gedrag van leidinggevenden gesteld worden en dat de in dat lid, onder b, gestelde eis nader kan worden omschreven.

Vorenbedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet 1999 (hierna te noemen: het Besluit), welk besluit op 1 november 1999 in werking is getreden. Dit besluit vervangt het voordien geldende Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet (hierna te noemen: het oude Besluit).

Zowel in het oude Besluit als in het Besluit is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid een nadere omschrijving te geven van de in artikel 8, tweede lid, onder b, van de DHW genoemde eis dat leidinggevenden niet in enig opzicht van slecht levensgedrag moeten zijn. Aan die eis komt derhalve een zelfstandige betekenis toe, die niet aan (nadere) regels is gebonden. Dit neemt echter niet weg dat de in het oude Besluit respectievelijk het Besluit genoemde omstandigheden richtinggevend kunnen worden geacht voor de waardering van de feiten die het oordeel moeten schragen dat een leidinggevende van slecht levensgedrag in de zin van artikel 8, tweede lid, onder b, van de DHW is.

In artikel 6 van het Besluit is ten aanzien van artikel 3 en 4 van dat besluit voorzien in een overgangsbepaling, die luidt als volgt:

"In afwijking van artikel 3 en 4 gelden, gedurende 5 jaar na inwerkingtreding van dit besluit, ten aanzien van een leidinggevende die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit vermeld staat op een vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de DHW, voor wat betreft veroordelingen die voor die datum zijn uitgesproken, de artikelen 3 en 4 van het Besluit eisen zedelijk gedrag Drank- en Horecawet."

Het Besluit is, zoals reeds vermeld, op 1 november 1999 in werking getreden. De in artikel 6 van het Besluit genoemde termijn van 5 jaar is thans dan ook nog niet verstreken.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, heeft vergunninghouder voorheen aan de [adres] te Heerlen een coffeeshop geëxploiteerd. Deze coffeeshop is expliciet genoemd in het coffeeshopbeleid van de gemeente Heerlen, welk beleid op 12 juni 1995 is vastgesteld.

Uit het gestelde op pagina 8 van dat beleid, blijkt dat voor de destijds door vergunninghouder aan de [adres] te Heerlen geëxploiteerde coffeeshop een horeca-exploitatievergunning is afgegeven. Nu het tegendeel gesteld noch gebleken is, gaat de rechtbank er van uit dat die vergunning altijd op naam van vergunninghouder heeft gestaan. Er moet mitsdien van worden uitgegaan dat vergunninghouder op de datum van inwerkingtreding van het Besluit (1 november 1999) op een vergunning als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de DHW stond vermeld.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de artikelen 3 en 4 van het oude Besluit op vergunninghouder van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 3 van het oude Besluit mogen de bedrijfsleiders en de beheerders niet binnen de laatste vijf jaar gevangenisstraf hebben ondergaan ingevolge een veroordeling tot een gevangenisstraf van een jaar of langer.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het oude Besluit, mag een bedrijfsleider of beheerder onverminderd het in artikel 3 bepaalde niet in de omstandigheid verkeren dat te zijnen aanzien

a. binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk zijn geworden twee of meer veroordelingen als in het tweede lid bedoeld, of

b. binnen het laatste jaar onherroepelijk is geworden de laatste van twee of meer veroordelingen als in dat lid bedoeld, indien de overtredingen, waarop de veroordelingen onderscheidenlijk betrekking hebben, binnen een tijdvak van een jaar werden begaan.

Het tweede lid van voornoemd artikel bepaalt dat het eerste lid van dat artikel betrekking heeft op veroordelingen, anders dan tot een geldboete van fl. 1.000,-- of minder voor wat de hoofdstraf betreft, wegens overtreding van bepalingen, gesteld bij of krachtens:

a. de Drankwet, de DHW, de Opiumwet of de Absintwet;

b. een wettelijke regeling ter verzekering van de accijns of het invoerrecht op alcoholhoudende stoffen;

c. artikelen uit het Wetboek van Strafrecht;

d. artikelen uit de Wegenverkeerswet;

e. artikelen uit de Wet op de kansspelen.

Nu gesteld noch gebleken is dat vergunninghouder binnen de laatste vijf jaar (te rekenen vanaf de datum van het thans bestreden besluit) gevangenisstraf heeft ondergaan ingevolge een veroordeling tot een dergelijke straf van een jaar of langer, is artikel 3 van het oude Besluit niet op hem van toepassing.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat binnen de laatste vijf jaar (te rekenen vanaf de datum van het thans bestreden besluit) ten aanzien van vergunninghouder twee veroordelingen als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het oude Besluit (de Nederlandse veroordeling tot een geldboete van fl. 1.500,-- subsidiair 30 dagen hechtenis vanwege de handel in softdrugs en de Duitse veroordeling tot een voorwaardelijke straf met een proeftijd van 3 jaar vanwege het verstrekken van softdrugs) onherroepelijk zijn geworden. Artikel 4 van het oude Besluit is dan ook op vergunninghouder van toepassing.

Verweerders stelling dat bij de toepassing van artikel 4 van het oude Besluit geen rekening mag worden gehouden met de Duitse veroordeling, treft geen doel. In haar uitspraak van 25 mei 1998 (AB 1998/279) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State immers expliciet overwogen dat de bewoordingen van artikel 3 van het oude Besluit, zomin als de strekking ervan of de nota's van toelichting bij (de wijziging van) dat Besluit steun bieden voor de opvatting dat een veroordeling, als daar bedoeld, door een Nederlandse rechter moet zijn uitgesproken om van belang te zijn voor de toepassing ervan. Met een vonnis van een buitenlandse rechter moet, aldus de Afdeling in voornoemde uitspraak, bij die toepassing dan ook rekening worden gehouden. De rechtbank vermag niet in te zien op grond van welke omstandigheden bovenstaande overweging niet van toepassing is op artikel 4 van het oude Besluit, zodat ook bij de toepassing van dat artikel rekening gehouden moet worden met een vonnis van een buitenlandse rechter.

Gelet op hetgeen zij hierboven heeft overwogen, is de rechtbank van oordeel dat vergunninghouder ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar in de omstandigheid verkeerde als omschreven in artikel 4, eerste lid, onder a, van het oude Besluit en dus niet voldeed aan de eisen die bij of krachtens artikel 8, tweede lid, sub a en b, en derde lid van de DHW aan leidinggevenden worden gesteld. Verweerder had de door vergunninghouder aangevraagde horeca-exploitatievergunning, gelet op het imperatieve karakter van artikel 3.2.2.3 van de APV, dan ook dienen te weigeren. Het beroep van eiseressen is mitsdien gegrond, zodat de rechtbank het thans bestreden besluit, ingevolge artikel 8:72, eerste lid, van de Awb, zal vernietigen.

Na die vernietiging kan een nieuwe beslissing op bezwaar slechts tot één uitkomst leiden. Bij het nemen van een dergelijke beslissing dient verweerder de aanvraag van vergunninghouder om een horeca-exploitatievergunning immers ex nunc, dus aan de op dit moment geldende feiten en omstandigheden en het dan geldende recht, te toetsen. Aangezien de Nederlandse veroordeling van vergunninghouder op 20 november 1997 onherroepelijk is geworden en gesteld noch gebleken is dat er zich in de tussentijd ten aanzien van vergunninghouder (afgezien van de Nederlandse en Duitse veroordelingen) nog andere omstandigheden hebben voorgedaan als omschreven in artikel 3 en/of 4 van het oude Besluit, voldoet vergunninghouder ten tijde van het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar aan de eisen die bij of krachtens artikel 8, tweede lid, sub a en b, en derde lid van de DHW aan leidinggevenden worden gesteld. Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat evenmin gesteld of gebleken is dat er zich in de tussentijd ten aanzien van vergunninghouder nog (andere) omstandigheden hebben voorgedaan op basis waarvan hem de gevraagde horeca-exploitatievergunning op grond van artikel 3.2.2.3 van de APV geweigerd dient te worden, kan die nieuwe beslissing op bezwaar niets anders behelzen dan een afgifte van de door vergunninghouder aangevraagde horeca-exploitatievergunning. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om op grond van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten, die eiseressen in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Die kosten zullen, met toepassing van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna te noemen: Bpb), worden vastgesteld op het hieronder in rubriek III vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van eiseressen één punt (voor het indienen van het beroepschrift) wordt toegekend en het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere, ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende, kosten is niet gebleken.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand worden gelaten;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de kosten van de onderhavige procedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseressen begroot op € 322,-- (zijnde de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de gemeente Heerlen aan eiseressen;

- bepaalt dat voornoemde rechtspersoon aan eiseressen het door deze voor de onderhavige procedure gestorte griffierecht ten bedrage van € 204,20 (fl. 450,--) volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. T.E.A. Willemsen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.L. Devoi als griffier en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2003

w.g. J. Devoi w.g. Willemsen

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 31 maart 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.