Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF6666

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
01-04-2003
Zaaknummer
74498 - HA ZA 02-413
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 19 maart 2003

Zaaknummer : 74498 / HA ZA 02-413

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[De heer J. ],

wonende te Geleen,

eiser,

procureur mr. A.C.S. Gregoire;

tegen:

1. de openbare rechtspersoon gemeente GEMEENTE SITTARD-GELEEN,

gevestigd te Sittard,

gedaagde sub 1,

procureur: voorheen mr. A.M.W.R. van de Weijenberg,

thans mr J.L. ten Hove;

2. de stichting ST. CENTRALE ANTENNE INRICHTING GELEEN,

gevestigd te Geleen,

gedaagde sub 2,

procureur: voorheen mr. A.M.W.R. van de Weijenberg, thans mr. J.L. ten Hove.

1. Het verdere verloop van de procedure

Na het tussenvonnis van 29 januari 2003 hebben gedaagden bij rolinstructieblad de rechtbank verzocht vonnis te wijzen waarbij mr. ten Hove zich heeft gesteld als procureur. De rolrechter heeft dit verzoek geïnterpreteerd als terugplaatsingsverzoek naar de rol voor beraad 2.12 en heeft conform gehandeld.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 [Eiser] heeft vanaf omstreeks 1963 tot aan het einde van de jaren '80 te Geleen een aantal gemeenschappelijke antenne-inrichtingen (hierna:gai) aangelegd en geëxploiteerd.

2.2 Begin jaren '70 zijn de Nederlandse gemeenten en met name de door die gemeenten met dat doel opgerichte stichtingen, het doorgeven of overbrengen van omroepprogramma's gaan exploiteren. Dit was ook het geval in Geleen. De gemeente Geleen, de rechtsvoorganger van gedaagde sub 1, heeft met het oog op de aanleg, instandhouding en exploitatie van een centrale antenne-inrichting (hierna: cai), gedaagde sub 2 opgericht. Naar de schatting van [Eiser] dateert de -voor de aanleg, instandhouding en exploitatie van een cai vereiste- exclusieve machtiging, verleend door de directeur-generaal van de PTT aan de stichting van omstreeks 1977.

2.3 Vast staat dat de stichting in de periode 1977 tot 1980 inwoners van Geleen benaderd heeft opdat deze zouden overstappen naar de cai. Onder hen bevonden zich ook afnemers van [Eiser] die dus waren aangesloten bij een door [Eiser] opgezette en geëxploiteerde gai. Hiervan was de stichting op de hoogte. Bovendien zouden gedaagden, zo stelt [Eiser], aan deze afnemers geldbedragen uitgeloofd en/of uitgekeerd hebben indien zij zouden overstappen naar de cai. Voorts stelt [Eiser] dat gedaagden deze afnemers -eveneens opdat zij zouden overstappen naar de cai- misleidende informatie hebben verschaft.

2.4 [Eiser] stelt dat hij door bovenbeschreven handelen, dat hij als onrechtmatig kwalificeert, vele afnemers heeft verloren. Bovendien zou dientengevolge verdere uitbreiding van zijn onderneming zijn gedwarsboomd. Hierdoor zou hij schade hebben geleden en nog steeds lijden.

2.5 [Eiser] heeft op grond van het vorenstaande gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht zal verklaren dat gedaagden, dan wel de gemeente of de stichting ieder afzonderlijk, onrechtmatig jegens eiser hebben gehandeld;

2. de gemeente en de stichting, ieder hoofdelijk, zal veroordelen tot het vergoeden van alle schade die eiser tengevolge van het onrechtmatig handelen heeft geleden, nader op te maken bij schadestaat en te vereffenen volgens de wet;

3. de gemeente en de stichting, ieder hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de onder 2. genoemde schade, tot aan de dag van de algehele voldoening;

4. de gemeente en de stichting, ieder hoofdelijk, zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.6 Gedaagden hebben de vordering gemotiveerd weersproken.

3. De beoordeling

3.1 Als primair verweer hebben gedaagden aangevoerd dat de onderhavige vordering tot verklaring voor recht en tot schadevergoeding op grond van beweerdelijk onrechtmatige handelen, verricht door gedaagden gezamenlijk dan wel afzonderlijk, is verjaard.

3.2 De rechtbank acht dit verweer gegrond. Grondslag van de vordering is immers -zo blijkt uit de dagvaarding en zo heeft [Eiser] tijdens de comparitie nog eens herhaald- het onrechtmatig handelen van gedaagden dat zich zou hebben gemanifesteerd in:

a. het benaderen van afnemers van [Eiser],

b. het uitloven en/of het betalen van geldbedragen aan voornoemde afnemers, en

c. het verschaffen van misleidende informatie aan deze afnemers, één en ander teneinde te bewerkstelligen dat deze

afnemers zouden overstappen naar de cai. De rechtbank zal dit handelen hierna kortweg aanduiden als de

"wervingscampagne".

3.3 Gedaagden hebben onweersproken gesteld dat de litigieuze wervingscampagne, die de grondslag vormt van de vordering, betrekking heeft op de periode van 1977 tot 1980. Dit valt ook te rijmen met de inhoud van de door [Eiser] overgelegde producties alsmede met [Eiser' s] stelling dat hij rond 1980 en ook daarna, met gedaagden contact heeft gehad over een schadeloosstelling.

3.4 Ingevolge artikel 3: 310 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Gelet op het bovenstaande is deze verjaringstermijn deel voor deel gaan lopen in de periode van 1977 tot 1981. Artikel 73 van de Overgangswet van het Nieuw Burgerlijk Wetboek (hierna: Ow NBW) bepaalt dat indien de nieuwe wet een verjaringstermijn op één jaar of langer stelt en die termijn overeenkomstig het in de wet bepaalde vóór het tijdstip van haar in werking treden (op 1 januari 1992) aanvangt, het in de nieuwe wet bepaalde omtrent aanvang, duur en aard van de termijn tot één jaar na dat tijdstip niet van toepassing is. Nu gesteld noch gebleken is dat deze verjaring is gestuit, verstrijkt de onderhavige verjaringstermijn derhalve op 1 januari 1993.

3.5 [Eiser] heeft ter zake nog aangevoerd dat de inbreuk een voortdurende onrechtmatige daad betreft, waarbij de verbintenis tot het vergoeden van de schade deel voor deel ontstaat. Derhalve zou zijn vordering niet zijn verjaard. Naar de rechtbank begrijpt, onderbouwt [Eiser] dit standpunt met het volgende. Hij had met de desbetreffende afnemers langdurige onderhoudscontracten gesloten en zou, nu deze contracten verbroken zijn, dientengevolge nog iedere dag de schade "voelen".

3.6 Voor zover [Eiser] hiermee wenst aan te voeren dat het gaat om voortdurende schade -de schade wordt van dag tot dag geleden-, kan hem dat niet baten; de verjaringstermijn van de vordering tot vergoeding van eventuele voortdurende schade teweeggebracht door de litigieuze wervingscampagne, vangt naar het oordeel van de rechtbank aan op het moment dat [Eiser] bekend is geworden met de door gedaagden gevoerde campagne. Op dat moment kan [Eiser] gezegd worden bekend te zijn met de schade, ook met die waarvan te verwachten is dat zij in de toekomst zal worden geleden. Deze termijn is verstreken op 1 januari 1993, te weten één jaar na de inwerkingtreding van het nieuwe BW. Voor zover [Eiser] wenst aan te voeren dat het gaat om voortdurende onrechtmatige daden, overweegt de rechtbank alsvolgt. In de litigieuze "wervingscampagne" ziet de rechtbank -voor zover al onrechtmatig- geen voortdurende daden die zich uitstrekken over de periode ná 1980. Voorts kan uit de stellingen van [Eiser] niet gedestilleerd worden dat het onrechtmatig handelen, zoals hierboven onder 3.2 omschreven, ook nog na de periode van 1977 tot 1980 plaats zou hebben gevonden. Hetgeen [Eiser] heeft aangevoerd staat derhalve de verjaring niet in de weg.

3.7 Het bovenstaande brengt met zich dat in het midden kan blijven of er sprake was van oneerlijke mededinging en dat de vordering van [Eiser] moet worden afgewezen. [Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure moeten dragen, waarbij de rechtbank tarief IV van het liquidatietarief zal toepassen.

4. De uitspraak

De rechtbank:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [Eiser] in de kosten van deze procedure aan de zijde van gedaagden gevallen, tot aan deze uitspraak begroot op Euro 193,- aan griffierecht en Euro€ 1.542,- voor salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. VerLoren van Themaat-van der Hoeven, rechter-plaatsvervanger, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.