Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF6654

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-03-2003
Datum publicatie
01-04-2003
Zaaknummer
70048 - HA ZA 01-1058
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 19 maart 2003

Zaaknummer : 70048 / HA ZA 01-1058

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[De heer J.],

wonende te Nieuwstadt, gem. Susteren,

eiser,

procureur mr. M.M.A. Straatman-Selij;

tegen:

het publiekrechtelijk lichaam WATERSCHAP ROER EN OVERMAAS,

zetelend te Sittard, gemeente Sittard-Geleen,

gedaagde,

procureur mr. CH.M.E.M. Paulussen.

1. Het verloop van de procedure

Eiser heeft bij naar de dagvaarding verwijzende conclusie van eis gesteld en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. Bij conclusie van eis zijn producties overgelegd. Gedaagde heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

Op de voet van artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Eiser heeft daarop gerepliceerd, zulks onder overlegging van producties. Gedaagde heeft geconcludeerd voor dupliek, waarbij producties in het geding zijn gebracht. Eiser heeft vervolgens pleidooi verzocht hetgeen is geweigerd omdat bij het verzoek niet was voldaan aan de verplichting van art. 6.3 LR waarna gedaagde vonnis heeft gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Eiser stelt bij dagvaarding eigenaar te zijn van de percelen Gemeente Nieuwstadt, sectie F, nrs. 331, 332, 334, 335, 342, 343, 357 en 358. De percelen liggen nabij de rivier de Vloedgraaf ter hoogte van [Adres]. In 1998 teelde eiser op die percelen consumptie-aardappelen, tarwe, snijmaïs en wintergerst terwijl een deel grasland was. Op 6-7 juni 1998 is het land van eiser na hevige regenval overstroomd door water uit de Vloedgraaf. Eiser stelt dat deze overstroming is veroorzaakt door onrechtmatig handelen van gedaagde. Dit handelen heeft bestaan uit het stroomopwaarts -bezien vanuit de percelen van eiser- vergroten van de afvoercapaciteit van water van de rivier de Vloedgraaf wetende dat er iets stroomafwaarts van de percelen van eiser een spoorwegviaduct lag die zo'n geringe afvoercapaciteit had dat het niet anders kon of er zou bij hevige regenval een opstuwingseffect ontstaan waardoor het de Vloedgraaf overstromende water wel over het land van eiser diende te stromen.

Subsidiair stelt eiser dat gedaagde niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht door bij de uitvoering van de werkzaamheden ter vergroting van de afvoercapaciteit van water in de Vloedgraaf in onvoldoende mate rekening te houden met de te verwachten schadelijke gevolgen voor de percelen van eiser. Eiser stelt hierbij dat hij voor de werkzaamheden waarbij de afvoercapaciteit van water van de Vloedgraaf stroomopwaarts is vergroot nooit last heeft gehad van overstromingen van zijn land.

Eiser heeft op grond van het vorenstaande gevorderd dat de rechtbank gedaagde zal veroordelen om aan hem te betalen:

1. Euro€ 12.566,08 (althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag) zijnde de schade aan de gewassen ten gevolge van de overstroming van zijn land op 6-7 juni 1998 te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf 7 juni 1998 tot de dag der algehele voldoening;

2. €Euro 1.409,63 zijnde de kosten die zijn gemaakt om de schade te kunnen vaststellen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 1998 tot de dag der algehele voldoening;

3. €Euro 2.191,82 aan buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

4. de proceskosten.

2.2 Gedaagde heeft het volgende gesteld.

Er ligt stroomafwaarts van de percelen van eiser over de Vloedgraaf een spoorbrug en door deze spoorbrug loopt een duiker (daar waar hierna over "de duiker" wordt gesproken, wordt de duiker in deze spoorbrug bedoeld) waardoor de Vloedgraaf afstroomt. Langs het tracé van de Vloedgraaf hebben zich in de jaren tachtig regelmatig overstromingen voorgedaan waarbij ook de percelen van eiser zijn overstroomd. Eind jaren tachtig is in opdracht van gedaagde onderzoek verricht naar de afvoercapaciteit van het water van de Vloedgraaf en toen is gebleken dat deze een afvoercapaciteit had van 25m3 water per seconde terwijl het 58 m3 per seconde zou moeten zijn. Ook de duiker had slechts een afvoercapaciteit van 25 m3 water per seconde. Vanaf eind jaren tachtig zijn vervolgens alle werkzaamheden verricht die tot vergroting van de afvoercapaciteit dienden te leiden met dien verstande dat geen werkzaamheden zijn verricht aan de duiker omdat de NS, eigenaresse van de spoorbrug, slechts aan verbouwingswerkzaamheden van de spoorbrug en duiker wilde meerwerken indien gedaagde de kosten van door die werkzaamheden ontstane calamiteiten en vertragingen voor haar rekening wilde nemen. Gedaagde stelt dat zij met deze voorwaarde niet akkoord kon gaan en dat daarom de afvoercapaciteit van de duiker in juni 1998 nog niet was vergroot.

Mede naar aanleiding van bovenstaande voert zij de volgende verweren.

a. Gedaagde ontkent onrechtmatig gehandeld te hebben omdat zij, gelet op haar beleidsvrijheid terzake, de in het maatschappelijk verkeer betamelijke zorgvuldigheid in acht heeft genomen bij de vergroting van de waterafvoercapaciteit van de Vloedgraaf. Indien zij namelijk geen werkzaamheden ter vergroting van die afvoercapaciteit zou uitvoeren alleen omdat de duiker niet kon worden aangepast, zou de kans op overstroming van het dorp Nieuwstadt zeer groot zijn waarbij enkele honderden huishoudens te kampen zouden krijgen met wateroverlast terwijl nu slechts landbouwgronden zijn overstroomd welke landbouwgronden wel vaker overstroomd waren en ook overstroomd zouden zijn indien gedaagde in het geheel geen werkzaamheden zou hebben verricht.

b. De regenval op 6 juni 1998 was zo extreem dat de percelen van eiser, althans een deel van die percelen, ook overstroomd zouden zijn indien gedaagde de waterafvoersituatie niet had gewijzigd. Hierbij komt dat één of meer van de percelen van eiser ook vóór juni 1998 één of meermalen zijn overstroomd.

c. Het was gedaagde niet mogelijk om de waterafvoercapaciteit van de duiker aan te passen omdat de NS alleen maar wilde meewerken indien gedaagde de kosten van door die werkzaamheden ontstane calamiteiten en vertragingen voor haar rekening wilde nemen welk financieel risico gedaagde kan noch kon dragen. Hierbij dient tevens in acht te worden genomen dat tegenover het grote risico in de verhouding tot de NS het kleine kostenrisico stond van vergoeding van de schade als thans gevorderd.

d. Gedaagde heeft een beroep kunnen doen op de Nadeelcompensatieregeling zoals is neergelegd in de Verordening bestuurscompensatieregeling waarin is bepaald :

"Het bestuur kent degene die schade lijdt, of zal lijden, als gevolg van het door het waterschap vervullen van taken genoemd in het reglement, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet, of niet voldoende, anderszins is verzekerd.".

e. De door eiser in de dagvaarding genoemde percelen zijn niet allen zijn eigendom noch is voldoende duidelijk welke gewassen eiser op de overstroomde percelen verbouwde zodat de gevorderde schade niet vast staat.

f. De kosten ter vaststelling van de schade zijn niet onderbouwd en het staat evenmin vast dat de buitengerechtelijke incassokosten redelijk zijn noch is duidelijk dat die kosten door eiser zijn voldaan.

3. De beoordeling

3.1 Als gesteld en vervolgens erkend dan wel als onvoldoende gemotiveerd betwist gaat de rechtbank ervan uit dat de percelen Gemeente Nieuwstadt, sectie F, nrs. 331, 332, 334, 335, 342, 343, 357 en 358 in de periode 7 juni 1998 tot 12 juni 1998 geheel dan wel grotendeels onder water hebben gestaan.

3.2 De rechtbank leest in de door eiser gestelde primaire grondslag twee verwijten. Ten eerste dat gedaagde geen afvoercapaciteitsvergrotende maatregelen had mogen nemen zolang de afvoercapaciteit van de duiker niet was vergroot of niet kon worden vergroot. Ten tweede dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij onvoldoende maatregelen heeft genomen om tot vergroting van de afvoercapaciteit van de duiker te komen.

Voorzover gedaagde hier tegenover heeft gesteld dat de percelen van eiser ook waren overstroomd indien de afvoercapaciteit van de duiker wel was vergroot tot 58 m3 water per seconde, faalt dit verweer nu het in het geheel niet met cijfers is onderbouwd. Uit niets blijkt namelijk dat er ten tijde van de overstroming van de percelen van eiser in juni 1998 meer water door de Vloedgraaf stroomde dan 58 m3 per seconde.

3.3 De stelling van gedaagde dat de percelen van eiser in juni 1998 ook overstroomd zouden zijn indien gedaagde stroomopwaarts van de percelen van eiser geen werkzaamheden zou hebben verricht, is evenmin voldoende onderbouwd. Ook hier heeft gedaagde in het geheel geen inzicht gegeven in de hoeveelheid neerslag en/of in de hoeveelheid kubieke meter water die in juni 1998 door de Vloedgraaf stroomde toen de percelen van eiser werden overstroomd. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de stelling van gedaagde dat er in juni 1998 sprake was van extreme neerslag zonder nadere invulling onvoldoende feitelijk is om enig juridisch gevolg aan te kunnen verbinden.

Ook de stelling van gedaagde dat de percelen van eiser wel vaker overstroomd waren is, gelet op de ontkenning van die stelling door eiser, onvoldoende feitelijk onderbouwd nu gedaagde niet heeft aangegeven wanneer dit dan het geval zou zijn geweest. De enkele stelling -zoals te vinden in punt 36 dupliek- dat er in de jaren tachtig meer neerslag is gevallen dan in de jaren negentig en dat eiser de percelen die in juni 1998 zijn overstroomd mogelijk pas is gaan gebruiken in de jaren negentig en dat dat de reden zou zijn van de stelling van eiser dat zich voor 1998 geen overstromingen hebben voorgedaan, passeert de rechtbank eveneens als onvoldoende feitelijk. Het is namelijk aan gedaagde, zeker gelet op haar taak en bestaansreden, om een dergelijk verweer substantieel te onderbouwen in die zin dat er in elk geval een chronologisch overzicht door haar moet worden gegeven met daarin opgesomd de jaren en maanden waarin de Vloedgraaf is overstroomd evenals de jaren waarin ook de percelen van eiser overstroomd zouden zijn. De rechtbank merkt hierbij nog op dat uit de brief van de Gemeente Nieuwstadt van 29 juli 1981 niet valt af te leiden dat de percelen van eiser in juni 1981 ook onder water hebben gestaan.

3.4 Op grond van bovenstaande oordelen gaat de rechtbank er thans van uit dat de percelen van eiser in juni 1998 niet zouden zijn overstroomd indien eiser stroomopwaarts van die percelen geen maatregelen had getroffen die de waterafvoercapaciteit zouden hebben verhoogd noch zouden de percelen van eiser zijn overstroomd indien de duiker een waterdoorlatende capaciteit zou hebben gehad van 58m3 per seconde.

3.5.1 Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.4 is vermeld, faalt de stelling van gedaagde dat zij met inachtneming van haar beleidsvrijheid niet onzorgvuldig zou hebben gehandeld. Voorzover de percelen immers zijn overstroomd vanwege de stroomopwaarts verrichtte werkzaamheden, heeft gedaagde onrechtmatig gehandeld omdat een ieder, ook een rechtspersoon als het Waterschap, die op zijn terrein werkzaamheden verricht die voor derden het gevaar meebrengen van schade aan die derden toebehorende zaken, verplicht is om voldoende maatregelen te treffen om die schade te voorkomen. Daar waar gedaagde dergelijke maatregelen niet heeft getroffen, dient zij de schade te vergoeden.

3.5.2 Voorzover de percelen van eiser zijn overstroomd omdat de duiker te weinig waterdoorlatende capaciteit had, valt ook dat aan gedaagde toe te rekenen. Het beleid van gedaagde was er immers op gericht om ook bij de duiker de doorstroomcapaciteit van het water te vergroten. Dat betekent dat er ten aanzien van dat punt geen beleidsvrijheid meer bestond. Daar waar gedaagde het vervolgens willens en wetens nalaat om maatregelen te treffen om dat beleid (dus vergroting van de waterdoorlatende capaciteit) uit te voeren omdat de kans op torenhoge schade bij het verrichten van die werkzaamheden niet onaanzienlijk is terwijl de schade bij overstroming van landbouwgronden vele malen geringer is, is dit een calculerende risico-afweging zijdens gedaagde die, ook niet indien het een verstandige afweging is, niet met zich brengt dat het niet treffen van maatregelen ter voorkoming van schadeveroorzakende gevolgen voortvloeiend uit door gedaagde verrichte handelingen, niet onrechtmatig genoemd kan worden. De rechtbank merkt hierbij nog op dat zo die afweging al iets te maken heeft met beleidsvrijheid, de gevolgen van die afweging niet mogen worden afgewenteld op een individuele burger.

3.5.3 Daar waar gedaagde in het kader van dit verweer heeft verwezen naar HR, NJ 1982, nr. 332, NJ 1999, nr. 319 en NJ 2000, nr. 234 gaan die verwijzingen alleen al niet op omdat het in die zaken ging om met het onderhavige geval onvergelijkbare gevallen. Kort gezegd handelde het eerste arrest immers over de vraag of het Waterschap haar onderhoudsverplichtingen voldoende was nagekomen, het tweede arrest handelde over de vraag of het Waterschap het grondwaterpeil naar aanleiding van klachten zorgvuldig genoeg reguleerde terwijl in het derde arrest werd geoordeeld over de vraag of het Waterschap ervoor diende te zorgen dat gronden die regelmatig blank stonden, niet langer zouden overstromen.

Op grond van bovenstaande worden de hiervoor onder 2.2 a, b en c aangegeven verweren verworpen.

3.6 Gedaagde heeft onder 7 en verder conclusie van antwoord en 7 en 8 en 10 en verder dupliek uitvoerig gewezen op het door haar gevolgde bestuursrechtelijk traject waarbij door haar alle benodigde vergunningen voor de werkzaamheden aan de Vloedgraaf zijn verkregen. Nu gedaagde aan die weergave geen enkel verweer heeft verbonden, zal de rechtbank aan deze opmerkingen van gedaagde voorbijgaan.

3.7 Het onder 2.2 d weergegeven verweer faalt omdat uit niets kan worden afgeleid dat de betreffende verordening gekwalificeerd kan worden als een specialis die een actie op grond van onrechtmatige daad uitsluit. De rechtbank laat dan nog daar dat uit de proceshouding van gedaagde op geen enkele manier valt af te leiden dat een door eiser ingediend verzoek om nadeelcompensatie enige kans op succes zou hebben gehad.

3.8.1 Bij antwoord heeft gedaagde gesteld dat volgens de kadastrale gegevens eiser slechts eigenaar is van de percelen genummerd 342 en 343. Eiser heeft vervolgens bij repliek verwezen naar het bij dagvaarding overgelegde schaderapport. Uit dat rapport blijkt dat eiser in juni 1998 pachter was van de overige percelen. Nu eiser vergoeding van de schade vordert die is ontstaan omdat zijn oogst in 1998 op die percelen is mislukt, is het niet relevant op grond van welke rechtsverhouding eiser die grond in 1998 gebruikte. Het onder 39 dupliek gehandhaafde verweer van gedaagde inhoudende dat nu door eiser niet duidelijk zou zijn gesteld wat zijn rechtsverhouding tot de ondergelopen gronden is en dat daarom niet kan worden vastgesteld dat hij op die percelen schade zou hebben geleden, wordt dus gepasseerd.

3.8.2 In de door eiser bij eis overgelegde productie 1, een brief van 18 juni 1998 die namens eiser door de LLTB is geschreven, valt te lezen dat ten tijde van de overstroming van de door eiser gebruikte percelen in juni 1998 op de betreffende percelen vroege consumptie-aardappelen stonden, snijmaïs, wintertarwe, gerst en gras. Deze gewassen zijn ook genoemd in de dit geding inleidende dagvaarding. Voorzover gedaagde bij dupliek onder 38 nog heeft willen ontkennen dat die betreffende gewassen daar toen werden geteeld, is die ontkenning tardief.

3.8.3 Gedaagde heeft niet althans onvoldoende gemotiveerd ontkend dat de teelt van de vijf gewassen als volgt over de percelen was verdeeld:

- wintergerst op 1,10 ha;

- tarwe op 1 ha (de door eiser gebruikte aanduiding "ruim 1 ha. is onvoldoende feitelijk);

- snijmaïs op in totaal 1,6 ha;

- gras op 2 ha (ook hier geldt dat de maat "ca." geen voldoende feitelijke maat is);

- consumptie-aardappelen op in totaal 1,40 ha waarvan 0,3 ha bebouwd met Rapido, 0,3 ha bebouwd met Bintje, 0,45 ha

bebouwd met Desirée en 0,35 ha bebouwd met Celena.

3.8.4 Terzake de overige gegevens zoals blijken uit het door eiser bij eis als productie 3 overgelegde schaderapport heeft gedaagde gesteld dat zij de in dat rapport genoemde bedragen en hoeveelheden opbrengstderving aan de hoge kant vindt. Terzake dit verweer acht de rechtbank een deskundigenoordeel nodig. Het door eiser overgelegde schaderapport kan niet gelden als een dergelijk deskundigenoordeel alleen al niet omdat bij de opstelling van het rapport gedaagde niet is gehoord.

De rechtbank is voornemens de volgende vragen aan de deskundige(n) voor te leggen:

a) kunt u aan de hand van de hiervoor onder 3.8.3 vermelde gegevens per gewas aangeven hoeveel opbrengst eiser in 1998 heeft gederfd omdat de percelen waarop de betreffende producten werden verbouwd in de periode 7 juni 1998 tot 12 juni 1998 onder water hebben gestaan?

b) Kunt u bruto en netto uitrekenen het bedrag aan inkomsten dat eiser hierdoor is misgelopen?

c) Heeft eiser kostenbesparende maatregelen kunnen treffen zoals het inzaaien na 12 juni 1998 van nieuwe gewassen die

alsnog in 1998 geoogst hadden kunnen worden en zo ja, hoeveel inkomen zou dit hebben opgeleverd?

d) Kunt u uw oordeel geven over het door eiser bij eis als productie 3 overgelegde schaderapport?

e) Geeft de onderhavige zaak u overigens nog aanleiding tot het maken van opmerkingen?

De rechtbank zal na overleg met partijen bij vonnis één of meer deskundigen benoemen.

Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over aantal van de te benoemen deskundigen, de aan de deskundige(n) te stellen vragen, de te benoemen perso(o)n(en) en de volgens partijen maximaal acceptabele hoogte van het voorschot.

De rechtbank merkt hierbij op dat de kosten van de deskundige door gedaagde dienen te worden voorgeschoten nu vaststaat dat gedaagde een onrechtmatige daad heeft gepleegd.

3.9 In afwachting van voormelde akte houdt de rechtbank iedere verdere beslissing aan.

3.10 De rechtbank zal bepalen dat van dit vonnis hoger beroep zal kunnen worden ingesteld.

3. De uitspraak

De rechtbank:

bepaalt dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over:

- het aantal van de te benoemen deskundigen;

- de aan de deskundige(n) te stellen vragen;

- de te benoemen perso(o)n(en);

- de volgens partijen maximaal acceptabele hoogte van het voorschot;

verwijst de zaak naar de rol van 23 april 2003 alwaar beide partijen gelijktijdig genoemde akte dienen te nemen met ambtshalve peremptoirstelling;

houdt iedere verdere beslissing aan;.

bepaalt dat van dit vonnis hoger beroep kan worden ingesteld.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sijmonsma, rechter, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.