Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF6283

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-03-2003
Datum publicatie
25-08-2003
Zaaknummer
AWB 00/1020 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beeindiging en terugvordering bijstand op grond van samenwoning elders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2003, 179
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 00/1020 NABW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiseres] te [woonplaats], eiseres,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Sittard-Geleen, gevestigd te Sittard, verweerder.

Datum bestreden besluit: 4 juli 2000.

Kenmerk: 3907150.

Behandeling ter zitting: 14 januari 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 4 juli 2000 (verzonden 13 juli 2000) heeft verweerder een door eiseres ingediend bezwaarschrift van 21 maart 2000 tegen een door verweerder genomen besluit van 3 maart 2000 (verzonden 9 maart 2000) ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is op 2 augustus 2000 namens eiseres beroep ingesteld door

mr. C. van Heugten, advocaat te Sittard.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan gemachtigde van eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Bij brief van 3 januari 2003 heeft gemachtigde van eiseres aanvullende stukken ingezonden. De stukken zijn in kopie aan verweerder gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 14 januari 2003 gevoegd met de zaken AWB 00/641 WET en AWB 02/1802 NABW. Eiseres is in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. R.H.J.G. Borger, advocaat te Maastricht. Aanwezig was eveneens de heer [partner]. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. P. Hellenbrand.

De rechtbank heeft de genoemde zaken na de zitting weer gesplitst en doet in elke zaak afzonderlijk uitspraak.

II. OVERWEGINGEN.

Bij besluit van 3 maart 2000 heeft verweerder op grond van een onderzoek door de sociale recherche geconcludeerd dat eiseres in de periode 1 januari 1998 tot en met 8 februari 2000 samenwoonde met [partner] in [woonplaats partner]. Primair wordt gesteld dat eiseres per 1 januari 1998 haar woonstede buiten de gemeente Geleen had en secundair wordt gesteld dat eiseres een gezamenlijke huishouding voerde met [partner].

Op grond van artikel 69 lid 3 Abw wordt derhalve de uitkering van eiseres vanaf 1 januari 1998 herzien in de zin dat deze wordt beëindigd. Samenhangend wordt een bedrag van € 23.039,29 (ƒ 50.771,92) aan onverschuldigd betaalde uitkering over de periode 1 januari 1998 tot en met 31 januari 2000 primair teruggevorderd op grond van artikel 81 lid 1 Abw en secundair teruggevorderd van zowel eiseres als van [partner] op grond van artikel 81 lid 1 Abw j° artikel 84 lid 2 en 3 Abw.

Tegen dit besluit heeft eiseres op 21 maart 2000 bezwaar ingediend. Zij voert aan dat het besluit onzorgvuldig is en slecht is gemotiveerd. Bij brief van 7 april 2000 heeft eiseres de gronden van het bezwaar aangevuld. Aangevoerd wordt dat eiseres nooit haar woonplaats heeft opgegeven en dat uit niets blijkt dat zij niet in [woonplaats] woont. Dat zij niet thuis was als er gecontroleerd werd zegt niets. Eiseres geeft aan dat zij veelvuldig afwezig was ter verzorging van haar zieke moeder in Den Haag en ter verzorging van [partner], bekend met ernstige hartklachten, te [woonplaats partner]. Voorts wordt aangevoerd dat er in het geheel geen gezamenlijke huishouding is gevoerd met [partner].

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

De vraag die centraal staat is of verweerder terecht en op goede gronden de uitkering per 1 januari 1998 heeft ingetrokken en voorts terecht en op goede gronden een bedrag van € 23.039,29 (ƒ 50.771,92) aan teveel uitgekeerde bijstand in de periode 1 januari 1998 tot 1 februari 2000 terugvordert.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De volgende bepalingen zijn naar het oordeel van de rechtbank relevant.

Artikel 3 lid 3 Abw

Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Artikel 63 lid 1 Abw

Het recht op bijstand bestaat jegens burgemeester en wethouders van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft als bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 11 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 65 lid 1 Abw

De belanghebbende doet aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Art 69 lid 3 Abw [zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit]

Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, herzien burgemeester en wethouders een dergelijk besluit of trekken zij dat in:

a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;

b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Artikel 81 lid 1 Abw

Bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, wordt van de belanghebbende teruggevorderd.

Het opsporingsonderzoek

Verweerder baseert zijn besluit op het opsporingsrapport van de Sociale Recherche Geleen van 17 februari 2000 (SR 990110). In de periode 8 september 1999 tot 8 februari 2000 zijn door de Sociale Recherche Geleen observaties uitgevoerd bij het opgegeven woonadres van eiseres aan de [adres] te [woonplaats]. De observaties zijn vrijwel dagelijks voornamelijk uitgevoerd rond 09.00 uur en/of rond het middaguur en/of tussen 17.00 uur en 18.00 uur. De observaties zijn samen te vatten als “de auto waarin eiseres zich gewoonlijk verplaatst wordt niet aangetroffen, de lamellen en de rolluiken zijn gesloten, er brandt een lamp in de kamer”. Nu en dan wordt vastgesteld dat een raam geopend is, dat er kerstversiering is opgehangen of weggehaald en dat er tuinmeubelen wel of niet op het balkon staan. Uit regelmatig uitgevoerde observaties door de Unit sociale recherche Heuvelland bij het woonadres van [partner] in de periode 8 september 1999 tot 9 januari 2000 voornamelijk rond 08.30 uur en/of rond het middaguur blijkt dat de auto waarin eiseres zich gewoonlijk verplaatste geparkeerd stond bij of in de nabijheid van die woning.

Uit regelmatig uitgevoerde observaties van de Sociale Recherche Geleen bij de woning van [partner] in de periode 2 oktober 1999 tot 7 februari 2000 voornamelijk in de tijdspanne van 12.00 uur tot 18.00 uur blijkt dat de auto waarin eiseres zich gewoonlijk verplaatst nu eens wel dan weer niet wordt aangetroffen en dat [partner] staat te koken. Meer dan eens wordt geobserveerd dat eiseres iets schoonmaakt of zit te lezen. Af en toe wordt een damesmantel gelucht in de tuin. Meer dan eens wordt alleen [partner] thuis gezien.

Eiseres is op 8 februari 2000 aangehouden in het huis van [partner] en daarop volgend heeft zij een verklaring afgelegd en ondertekend tegenover de Sociale Recherche Geleen. Zij heeft verklaard dat zij is aangehouden in de gemeenschappelijke slaapkamer, dat zij gebruik maakt van een deel van de linnenkast alsmede van de gehele woning, dat zij na twee maanden aan het adres [adres] te hebben verbleven steeds regelmatiger buiten de gemeente Geleen verbleef, deels bij [partner] en deels bij haar moeder in ‘s-Gravenhage, dat zij voor [partner] zorgt omdat deze hartpatiënt was, waar tegenover staat dat [partner] voor haar kookt, zij samen en voor eigen rekening op vakantie zijn geweest; dat zij de verklaringen van de anonieme getuigen en de observaties door de sociale recherche erkent en dat zij hun financiën gescheiden hielden en dat zij [partner] verzorgde maar geen gemeenschappelijke huishouding hadden.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat door de Sociale Recherche Geleen nooit een huisbezoek heeft plaatsgevonden op het adres van eiseres aan de [adres] te [woonplaats], omdat dit toen der tijd geen beleid was. Evenmin is de woning van [partner] onderzocht.

Eiseres heeft naar aanleiding van het rechercherapport in bezwaar en beroep verklaard en met stukken onderbouwd dat zij haar verklaring tegenover de Sociale Recherche Geleen van 8 februari 2000 in die zin herroept dat zij niet in de woning van [partner] woonde, maar daar uitsluitend verbleef gedurende de tijd dat hij als gevolg van zijn hartoperatie op hulp was aangewezen – dat er sprake was van mantelzorg –; dat er medische gegevens zijn waaruit blijkt dat [partner] hartproblemen heeft gehad; dat zij gegevens heeft waaruit blijkt dat haar moeder zorgbehoeftig was; dat zij niet-anonieme verklaringen van bewoners uit de omgeving van het adres [adres] te [woonplaats] heeft overgelegd, waaruit blijkt dat eiseres regelmatig aldaar verbleef en de betreffende bewoners niet door de sociale recherche zijn benaderd; dat zij telefoonrekeningen heeft overgelegd, waaruit blijkt dat zij gedurende de in het geding zijnde periode belde vanuit haar eigen woning; dat zij gegevens heeft van tandarts, huisarts en apotheek in [woonplaats], waaruit blijkt dat zij deze aldaar regelmatig bezocht.

Namens eiseres is voorts naar voren gebracht dat delen van het rapport naar conclusies zijn toegeschreven, zoals de passage over de gemeenschappelijke slaapkamer en dat delen van de oorspronkelijke verklaring voortvloeien uit een onheuse bejegening door de betreffende rechercheurs.

Tijdens de zitting heeft eiseres verklaard dat het als zeer laag te kwalificeren electriciteits- en gasverbruik voor haar doen juist zeer gebruikelijk is en dat het verbruik over een langere periode zal moeten worden vergeleken.

Het arrest van 12 april 2002

Op 12 april 2002 heeft het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch in hoger beroep arrest gewezen ten aanzien van de vervolging van eiseres wegens valsheid in geschrifte betreffende het invullen van de zogenoemde rechtmatigheidsformulieren. Het Hof heeft hierin vastgesteld dat wettig en overtuigend is bewezen dat eiseres in het kader van de op haar rustende mededelingsplicht ingevolge artikel 65 Abw meermaals niet heeft opgegeven dat zij in de periode van 30 januari 1998 tot en met 31 januari 2000 in hoofdzaak op een ander adres had verbleven dan het adres dat zij aan de gemeente Geleen als woonadres had opgegeven. Het Hof heeft niet bewezen geacht dat er een wijziging heeft plaatsgevonden in de gezinssamenstelling en/of woonsituatie van eiseres, bestaande uit een samenwoning met [partner].

De beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het arrest van het Hof van 12 april 2000 is naar het oordeel van de rechtbank niet vastgesteld dat eiseres in het geheel niet in de gemeente Geleen verbleef in de periode van 30 januari 1998 tot en met 31 januari 2000.

Nu voor de vaststelling dat eiseres buiten de gemeente Geleen verbleef en mitsdien geen aanspraak op bijstand jegens burgemeester en wethouders van die gemeente had, méér dient te worden aangevoerd, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of het opsporingsonderzoek daarvoor voldoende aanknopingspunten biedt.

Op grond van het opsporingsonderzoek, de op het geding betrekking hebbende gedingstukken en het verhandelde ter zitting staat voor de rechtbank vast dat:

· Het electriciteits- en gasverbruik van het pand [adres] te [woonplaats] van 15 juli 1997 tot 15 juli 1998 661 kWh resp. 34 m3 bedroeg en van 15 juli 1998 tot 15 juli 1999 232 kWh resp. 2 m3.

· Eiseres zich in de maanden september 1999 tot en met februari 2000 verplaatste in een of meer auto’s die op naam van haar dochter waren geregistreerd. Vast staat dat deze auto’s gedurende die periode herhaaldelijk zijn aangetroffen ter hoogte van het woonadres van [partner], maar niet staat vast dat eiseres op die momenten altijd bij [partner] verbleef. Evenmin staat vast dat alleen eiseres deze auto benutte.

· Eiseres gedurende de observatieperiode september 1999 tot en met februari 2000 enkele malen is gezien, terwijl ze huishoudelijk werk verrichtte in de woning van [partner] of dat ze wel eens zat te lezen, als [partner] kookte.

· Gezien is dat van het pand [adres] te [woonplaats] gedurende de observatieperiode september 1999 tot en met februari 2000 de lamellen aan de voorzijde en de rolluiken aan de achterzijde altijd waren gesloten en dat het licht in de woonkamer kennelijk met een lichtschakelaar aangaat. Dat in genoemde periode tevens is gezien dat er kerstversiering was opgehangen die later weer was verwijderd, dat het bovenlicht nu eens openstond en dan weer was gesloten en dat het tuinmeubilair op het balkon op een gegeven moment was opgeruimd.

· Het pand aan de [adres], noch de woning van [partner] zijn onderzocht.

· Buurtbewoners in de omgeving [adres] te [woonplaats], van wie de namen bij de sociale recherche bekend zijn doch aan wie is toegezegd dat hun naam niet bekend zal worden gemaakt, hebben verklaard dat eiseres haar auto parkeert, vervolgens haar post uit de brievenbus haalt en weer wegrijdt. Daartegenover staan verklaringen van niet anonieme buurtbewoners waaruit volgt dat eiseres meermaals aanwezig was in en rond haar woning.

· Eiseres op 8 februari 2000, omstreeks 07.20 uur is aangetroffen in de woning van [partner] en dat eiseres tijdens het daaropvolgende verhoor heeft verklaard heeft dat zij is aangehouden in de gemeenschappelijke slaapkamer en dat zij gebruik maakt van een deel van de linnenkast alsmede van de gehele woning.

· Eiseres na twee maanden aan het adres [adres] te hebben verbleven, zij steeds regelmatiger buiten de gemeente Geleen verbleef, deels bij [partner] en deels bij haar moeder in ‘s-Gravenhage. Vast staat dat eiseres voor [partner] zorgde omdat deze hartpatiënt was en dat zij ten behoeve van haar moeder, die eveneens zorgbehoeftig was, allerlei zaken moest afhandelen.

· [partner] voor eiseres kookte en dat zij samen en voor eigen rekening op vakantie zijn geweest.

· Eiseres de verklaringen van de anonieme getuigen en de observaties door de sociale recherche in eerste instantie heeft erkend.

· Eiseres gebruik maakte van verschillende diensten in [woonplaats] zoals de huisarts, de tandarts, de apotheek en de bank.

· Eiseres gebruik maakte van haar (vaste) telefoon in [woonplaats].

Genoemde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank weliswaar voldoende om te kunnen concluderen dat eiseres in de periode van 30 januari 1998 tot en met 31 januari 2000 veelvuldig buiten [woonplaats] verbleef, maar niet dat het eenduidig is dat zij haar woonstede niet aan de [adres] had.

Dit te meer niet nu eiseres heeft verklaard en voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij ten behoeve van de verzorging en de afwikkeling van zaken van haar moeder te ’s Gravenhage en ter verzorging van hartpatiënt [partner] te [woonplaats partner] in oktober 1999 tot februari 2000 regelmatig voor kortere of langere tijd niet in [woonplaats] verbleef. Ook niet omdat eiseres blijvend gebruik maakte van verschillende diensten in [woonplaats] zoals de huisarts, de tandarts, de apotheek en de bank. Voorts niet omdat eiseres gebruik bleef maken van haar telefoon in [woonplaats].

Het had bovendien op de weg van verweerder gelegen om te onderzoeken of eiseresses energie- en telefoongebruik voor haar daadwerkelijk uitzonderlijk laag was. Tevens had het op de weg van verweerder gelegen om te onderzoeken waar eiseres verbleef als haar auto niet werd aangetroffen te [woonplaats] of te [woonplaats partner] én waar eiseres ’s nachts was.

De rechtbank is aldus van oordeel dat van doorslaggevend gewicht moet worden geacht dat eiseres ten aanzien van anderen mantelzorg heeft verleend en dat zij daardoor geen daden heeft verricht waardoor zij blijkt heeft gegeven van het willen prijsgeven van haar woonstede, als bedoeld in de artikelen 10 en 11 van eerste boek van het BW. Dat zij tijdelijk daartoe voor kortere of langere tijd feitelijk buiten [woonplaats] verbleef, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden beoordeeld als het verplaatsen van het hoofdverblijf naar degene die de mantelzorg ontving, te meer niet nu deze mantelzorg betrekking had op personen met verschillende woonplaatsen.

Nu naar het oordeel van de rechtbank vaststaat dat eiseres haar woonstede aan de [adres] te [woonplaats] had en zij haar hoofdverblijf niet naar elders heeft verplaatst, komt zij niet toe aan de vraag of er sprake was van een gezamenlijke huishouding. Ten overvloede merkt de rechtbank overigens op dat door het Hof te ’s-Hertogenbosch de aanwezigheid van deze gezamenlijke huishouding niet wettig en overtuigend bewezen is geacht.

In dit verband wijst de rechtbank er op dat door de gemachtigde van verweerder ter zitting is verklaard dat door de sociale recherche zowel in het strafproces als in het onderhavige bestuursproces dezelfde gegevens zijn gebruikt.

Gezien de bovenstaande overwegingen en gelet op de voormelde bepalingen is door verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat uitkering van eiseres per 1 januari 1998 dient te worden ingetrokken en derhalve dat verweerder ten onrechte een bedrag van € 23.039,29 (ƒ 50.771,92) over de periode 1 januari 1998 tot 1 februari 2000 van eiseres terugvordert, zodat het beroep voor gegrond moet worden gehouden. Het besluit komt dan ook voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 lid 1 van de Awb.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub a Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De rechtbank kent ter zake 2 punten met elk een waarde van € 322,= toe voor de indiening van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,= x 1 = € 644,=.

Het bedrag van de reiskosten van eiseres wegens haar verschijning ter zitting wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 lid 1 sub c Bpb en artikel 6 lid 1 onderdeel III Besluit tarieven in strafzaken door de rechtbank vastgesteld op € 8,61, zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75 lid 2 Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,= wordt vergoed door de gemeente Sittard-Geleen;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 652,61 (waarvan wegens de kosten van rechtsbijstand € 644,=), te betalen door de gemeente Sittard-Geleen aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. E.J.H.G. van Binnebeke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2003

w.g. E. van Binnebeke w.g. F.A.G.M. Vluggen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 18 maart 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.