Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF6040

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
19-03-2003
Zaaknummer
70041 /HA ZA 01-1055
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VERNIETIGING CONVENANT

Vonnis : 12 maart 2003

Zaaknummer : 70041 / HA ZA 01-1055

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [K.],

eiseres,

procureur mr. L.J.M. Stikkelbroeck,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [K.],

gedaagde,

procureur mr. E.J.J.M. Kneepkens.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen "de vrouw", heeft bij naar de dagvaarding verwijzende conclusie van eis gesteld en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. Bij conclusie van eis zijn producties overgelegd. Gedaagde, hierna te noemen "de man", heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

Op de voet van artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) is een comparitie na antwoord gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 2 juli 2002. Na afloop is de zaak verwezen naar de rol voor beraad voortzetting comparitie.

De comparitie is vervolgens voortgezet op 11 december 2002. Van het verhandelde ter comparitie zijn processen-verbaal opgemaakt, welke zich bij de stukken bevinden.

Uit het proces-verbaal van de laatste behandeling volgt dat partijen hebben gevraagd uitspraak te doen op de stukken van het geding.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Partijen zijn op [datum huwelijk] te [K.] gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

Bij echtscheidingsbeschikking van 21 januari 1999 is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, nadat partijen daartoe een gezamenlijk verzoek hadden ingediend. De echt-scheidingsbeschikking is op 1 april 1999 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2 In de aanloop naar de echtscheiding hebben partijen de gevolgen daarvan op voorhand geregeld in een op 23 juli 1998 ondertekend echtscheidingsconvenant. De inhoud van dit convenant is opgenomen in genoemde echtscheidingsbeschikking.

2.3 Ten overstaan van notaris mr. J.H.S.M. van Thoor te Kerkrade, is op 27 mei 1999 op grond van het opgemaakte convenant van 23 juli 1998 de akte van scheiding en deling verleden.

Bij brief van 27 april 1999 heeft de man, ter zake de onder 1.8. van het convenant opge-nomen bepaling met betrekking tot de aflopende risicoverzekering, de vrouw toegezegd dat hij de premie voor die risicoverzekering tot een maximumbedrag van fl. 500.000,-- met een maximale looptijd van 15 jaren, afgesloten ter zekerstelling van de alimentatiebetalingen, voor zijn rekening zou nemen.

2.4 De procureur van de vrouw heeft bij brief van 25 april 2001 aan de man geschreven:

'Krachtens de boedelverdeling bij notariële akte van 23 juli 1998 [opmerking rechtbank: dat is de ondertekeningsdatum van genoemd convenant en niet de datum van de akte van schei-ding en deling:die datum is 27 mei 1999], (……..), zijn de in de echtelijke boedel aanwezige aandelen [naam B.V.] aan U toegescheiden. Op grond van de akte van 27 mei 1999 zijn de betreffende aandelen aan U geleverd. Voorts zijn aan U toegescheiden zonder dat bij cliënte inzicht in de waarde hiervan bestond, de echtelijke woning, alsmede alle andere, niet expliciet in de verdelingsakte genoemde, in de boedel aanwezige vermogens-bestanddelen.

Het is cliënte tot op heden echter geheel niet duidelijk welke waarde de betreffende aandelen op voormelde data (en heden ten dage) vertegenwoordigen. Aangezien cliënte ten gevolge van de doorgevoerde boedelscheiding duidelijk benadeeld is, vernietigt cliënte bij deze de gedane verdeling van de huwelijksgemeenschap'.

De man heeft zich bij brief van 29 juni 2001 van zijn raadsman verzet tegen de buitengerechtelijke vernietiging van de verdeling.

2.5 De vrouw heeft naar aanleiding daarvan gevorderd dat het de rechtbank behage, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. uit te spreken een verklaring voor recht inhoudende de juistheid van de door gedaagde (waarvoor de rechtbank corrigerend leest: de vrouw) d.d. 25 april 2001 gedane buitengerechtelijke vernietiging van de bij convenant d.d. 28 (waarvoor de rechtbank corrigerend leest: 23) juli 1998 gedane boedelverdeling;

2. de man te veroordelen te betalen aan de vrouw de waardevergoeding ten belope van het bedrag dat de vrouw ter zake van de op 23 juli 1998 in eerste instantie doorgevoerde, later door de vrouw vernietigde boedelverdeling, minder heeft verkregen dan 50% van de geldwaarde die de boedel vertegenwoordigt, vermeerdert met de wettelijke rente vanaf 30 september 1998. Hierbij geldt dat de rechtbank de (intrinsieke) waarde van het a[naam B.V.]] alsmede het woonhuis vaststelt;

3. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen de tot op heden, althans de tot op de datum van dit vonnis, vervallen termijnen van de overlijdensrisicoverzekering (welke tot op heden 20 x fl. 252,-- = fl. 5.040,-- bedragen), vermeerdert met de wettelijke rente over het bedrag van de niet voldane termijn tot de dag der algehele voldoening;

4. de man te veroordelen aan de vrouw de na datum vonnis te vallen termijnen van de overlijdensrisicoverzekering te betalen tot en met de in de verzekeringsovereenkomst genoemde einddatum, zulks, na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van fl. 100,-- per termijn, voor elke dag dat de man, nadat twee weken na de vervaldag van iedere termijn is verstreken, in gebreke blijft aan deze veroordeling te voldoen;

5. de man te veroordelen aan de vrouw te betalen een bedrag van fl. 7.000,-- bestaande uit door de man nog niet nagekomen verplichtingen op grond van de boedelverdeling (zie punt 5 in de dagvaarding), vermeerdert met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 september 1998 tot de dag der algehele voldoening;

6. de man te veroordelen in de kosten van dit geding, daarin begrepen de kosten van deskundigenonderzoek.

De vordering wordt door de man weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord en de processen-verbaal van de comparitie na antwoord.

3. De beoordeling

3.1 Ter comparitie zijn partijen het erover eens geworden dat er in de onderhavige zaak vanuit gegaan moet worden dat 1 juli 1998 als peildatum geldt als datum voor de vaststelling van de omvang van de gemeenschap van goederen alsook dat deze datum geldt als peil-datum ter vaststelling van de waarde van de tot de gemeenschap horende vermogens-bestanddelen.

3.2 Gelet op de strekking van de onder 2.5 sub 1 en 2 geformuleerde vorderingen van de vrouw, oordeelt de rechtbank dat de in het convenant en in de akte van scheiding en deling feitelijk bewerkstelligde verdeling niet gewijzigd moet worden maar dat de buitengerechtelijk ingeroepen vernietiging van het convenant en dus de als gevolg daarvan ingestelde vorder-ingen moeten worden verstaan als een door te voeren aanpassing van het convenant in financiële zin en zulks naar de aard en strekking van het bepaalde in de artikelen 3:197 en 3 :198 BW.

3.3 De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stellingen aangevoerd dat zij niet heeft geweten wat de waarde van de aandelen is geweest en dat zij ook niet heeft geweten wat de waarde van de verzekeringspolissen was en hoe hoog de rekening-courantschuld van de man aan zijn onderneming [naam B.V.] (verder: de BV) was. Voor de woning geldt in dit kader dat op het moment dat het convenant werd opgemaakt aan haar niet bekend was wat de waarde van de woning was.

De vrouw stelt verder dat de aan de vrouw toebedeelde auto volgens aanname van partijen een waarde van fl. 40.000,-- had maar dat die bij nader inzien slechts fl. 33.000,-- waard bleek te zijn. De man heeft te dien aanzien toegezegd dat hij het verschil aan de vrouw zou vergoeden, maar is die toezegging niet nagekomen.

De vrouw heeft tijdens de tweede comparitie nog gesteld dat het convenant, nu zij onder druk is gezet om het te ondertekenen, op onrechtmatige wijze tot stand is gekomen.

3.4 De man betwist de standpunten van de vrouw. Hij stelt met klem dat er geen sprake kan zijn van het onder dwang tekenen van het convenant en dat de vrouw wel degelijk op de hoogte is geweest van de waarde van de tot de huwelijksgemeenschap behorende ver-mogens-bestanddelen.

3.4.1 Ter onderbouwing van zijn stellingen wijst de man in de eerste plaats op het feit dat juist, omdat de vrouw bij de onderhandelingen ter regeling van de gevolgen van de aan-staande echtscheiding geen exact beeld had van de waarde van de aandelen in de BV, de gezamenlijke advocaat van partijen, mr. Ruyters-Stevens, een derde, haar kantoorgenoot mr. Gerlag, heeft aangewezen om de aan partijen ter beschikking staande financiële stukken van de BV te bestuderen en te adviseren over de waarde van de aandelen. Na een en ander te hebben bestudeerd heeft mr. Gerlag zijn bevindingen in een verslag neergelegd. Aan de hand van dit verslag heeft mr. Ruyters-Stevens aan partijen uitgelegd en aange-geven dat er sprake was van een negatief eigen vermogen van de BV.

3.4.2 Datzelfde geldt volgens de man met betrekking tot de waarde van de woning. Op het moment dat de echtscheiding meer en meer waarschijnlijk werd, onder meer doordat de vrouw de echtelijke woning verliet, was deze nog in aanbouw en slechts gedeeltelijk bewoonbaar. Rond die tijd is er op verzoek van de vrouw en mede ten behoeve van de hypotheekhouder een taxatie uitgevoerd door makelaar Leenen van Ruyters Makelaardij BV te Heerlen. Makelaar Leenen, die een oude schoolvriend van de vrouw is, heeft, blijkens zijn rapport van 31 maart 1998 de onderhandse waarde van de nog af te werken woning, vrij van huur en gebruik na gereedkomen getaxeerd op fl. 1.275.000,-- en daarbij opgemerkt dat de tuin nog aangelegd moet worden.

3.4.3 De man betwist tevens dat de vrouw zou zijn benadeeld bij de verdeling die tussen partijen heeft plaatsgevonden op basis van het op 23 juli1998 gesloten convenant. Hij verwijst daarvoor naar het door hem overgelegde rapport, op 15 november 2001 opgesteld door de heer Bischoff, die als registeraccountant verbonden is aan ZR Accountants te Heerlen. De heer Bischoff heeft op verzoek van de man naar de vermogensstand van partijen per medio 1998 een opstelling gemaakt van het gezamenlijk vermogen van partijen. De heer Bischoff komt daarbij tot de conclusie dat niet de man maar de vrouw door de overeengekomen en uitgevoerde verdeling aanzienlijk is overbedeeld.

3.4.4 Ter ontkrachting van de stellingen van de vrouw voert de man verder nog aan dat, nadat het convenant was opgesteld en ondertekend en de echtscheiding was uitgesproken en deze beschikking op 1 april 1999 was ingeschreven, het nog tot 27 mei 1999 heeft geduurd vooraleer de akte van scheiding en toedeling is gepasseerd. Dit omdat de vrouw, na ontbinding van het huwelijk en nadat zij een eigen advocaat in de arm had genomen, op een aantal in het convenant geregelde zaken terug wilde komen.

In het daaropvolgend overleg heeft de vrouw of haar raadsman geen enkele opmerking gemaakt over de waardering van de aandelen, de woning of de andere tot de huwelijks-gemeenschap behorende vermogensbestanddelen. Dit overleg is uitgemond in overeen-stemming op grond waarvan op 27 mei 1999 de notariële akte van verdeling is verleden tussen partijen. Hierbij werd de vrouw terzijde gestaan door mr. Sijben, voornoemd.

3.4.5 De man stelt overigens nog dat, nu partijen in de akte van 27 mei 1999 hebben doen opnemen dat: 'deelgenoten afstand doen van de (eventuele) bevoegdheid wegens het niet-nakomen van hun verplichtingen ontbinding te vorderen van de verdeling alsmede van elke bevoegdheid vernietiging van de verdeling te vorderen' en verder daarin hebben bepaald dat: ' iedere deelgenoot aanvaardt de verdeling te zijnen bate of schade', de vorderingen van de vrouw alleen al daarop moeten afstuiten. Dit temeer nu in deze akte nog is opgenomen: 'Vervolgens verklaren partijen nog uitdrukkelijk dat aan comparante sub 2 (rechtbank: de vrouw), voorafgaande aan de ondertekening van de onderhavige akte, de complete jaar-rekening negentienhonderdzesennegentig/negentienhonderdzevenenegentig van voormelde vennootschap (rechtbank: de BV) is voorgelegd en met haar is besproken door de comparant sub 1 (rechtbank: de man) en voorts dat mr. W. Gerlag, advocaat te Kerkrade, inzage is verleend in genoemde jaarstukken, welke laatste ter zake advies heeft uitgebracht aan de gemeenschappelijke advocaat van partijen.

Tenslotte verklaarden de comparanten dat de verdeling tot hun genoegen is tot stand gebracht, ieder der deelgenoten het hem of haar toekomende heeft ontvangen, zij in deze niets meer van elkaar te vorderen hebben en elkaar mitsdien volledig kwijting verlenen'.

3.5 De rechtbank volgt in deze de visie van de man dat het convenant op zorgvuldige wijze is tot stand gekomen. Zij overweegt daartoe als volgt:

3.5.1 De vrouw heeft niet de stelling van de man weersproken dat mr. Ruyters-Stevens haar kantoorgenoot mr. Gerlag heeft ingeschakeld om de stukken van de BV in te zien en dat deze van diens bevindingen omtrent de stand van zaken van de BV verslag heeft gedaan en dat mr. Ruyters-Stevens, als gezamenlijke procureur en advocaat van partijen, aan de hand van dat verslag aan partijen heeft uitgelegd dat er sprake was van een negatief eigen vermogen van de BV. Op grond daarvan moet te dien aanzien worden aangenomen dat, nu de vrouw hiertoe nog heeft gesteld dat nadat de echtscheiding was uitgesproken haar eigen advocaat nog naar het convenant heeft gekeken, maar zou hebben gesteld dat hij niet naar de cijfers had gekeken omdat hijzelf die cijfers zonder hulp van een deskundige niet zou kunnen beoordelen, daar enerzijds niet anders uit kan volgen dan dat de stelling van de vrouw dat de toedeling van de aandelen van de BV aan de man is geschied zonder dat de man aan de vrouw een jaarrekening of anderszins relevante stukken heeft overgelegd, onjuist is en anderzijds dat de beweerdelijke onkundigheid van haar advocaat voor eigen rekening en risico komt.

3.5.2 De rechtbank oordeelt in deze zaak ook de stelling van de vrouw, dat zij op het moment dat partijen bezig waren met het opstellen van het convenant (medio juli 1998) niet op de hoogte is geweest van de waarde van de echtelijke woning, niet aannemelijk nu de man onweersproken en met bescheiden gestaafd daartegen in gebracht heeft dat de woning op 31 maart 1998 is getaxeerd door de door de vrouw zelf aangewezen makelaar.

3.5.3 Nu hetgeen partijen in het convenant overeengekomen zijn op 27 mei 1999 is neer-gelegd in de notarieel opgemaakte akte van scheiding en toedeling en daarin op pagina 4 onder 3 staat opgetekend dat afstand wordt gedaan van elke bevoegdheid om vernietiging van de verdeling te vorderen en dat iedere deelgenoot de verdeling te zijnen bate of schade aanvaardt, is daarmee niet alleen de mogelijkheid om het convenant te vernietigen vervallen, maar moet in dit geval mede op grond van het bepaalde in lid 4 van artikel 3:196 BW ook voorbijgegaan worden aan het standpunt van de vrouw dat zij heeft gedwaald omtrent de waarde van de tot de gemeenschap horende goederen. Het feit dat iedere deelgenoot de verdeling te zijnen bate of schade heeft aanvaard impliceert immers ook , voor zover de vorderingen van de vrouw moeten worden verstaan overeenkomstig het hierboven onder 3.2 overwogene, dat die vorderingen onder deze omstandigheden niet toegewezen kunnen worden.

Naar het oordeel van de rechtbank maakt een en ander ook dat het door de vrouw in de stukken en nog ter comparitie na antwoord van 11 december 2002 gedane aanbod om bewijs te leveren van feiten en omstandigheden die zien op misbruik van omstandigheden en benadeling voor meer dan een/vierde, op grond waarvan volgens de vrouw geoordeeld zou moeten worden dat er sprake is van een nietige verdeling, als niet ter zake dienende, moet worden gepasseerd.

Dit alles leidt tot de conclusie dat de vrouw gebonden blijft aan het convenant.

3.6 De vrouw heeft onder 2.5.5 gevorderd de man te veroordelen om aan haar een bedrag van fl. 7.000,-- te betalen ingevolge een aan de vrouw toebedeelde auto, ter zake waarvan, volgens de vrouw, partijen bij het opstellen van het convenant ervan zijn uitgegaan dat die toen een waarde had van fl. 40.000,--, maar die later slechts fl. 33.000,-- bleek waard te zijn.

De man heeft te dien aanzien ten verwere aangevoerd dat hij erop had aangedrongen om deze auto te verkopen. De vrouw wilde deze auto evenwel behouden en, stelt de man verder, is het de vrouw geweest die ten tijde van het opstellen van het convenant de waarde van de auto op het bedrag van fl. 40.000,-- heeft geschat. Volgens de man gaat het niet aan dat nu zij er veel later fl. 33.000,-- voor heeft ontvangen, dat hij het verschil zou moeten bijpassen, laat staan dat hij een toezegging in die richting zou hebben gedaan. Temeer niet nu die auto niet meer ter sprake is gebracht door de vrouw of haar eigen raadsman bij de besprekingen voorafgaande aan het passeren van de akte van scheiding en deling.

Op de door de man aangevoerde gronden oordeelt de rechtbank met de man dat deze vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt. Dit temeer nu de rechtbank oordeelt dat het uitdrukkelijk door de vrouw gedane bewijsaanbod uitsluitend ziet op de nietigheid van de verdeling betreffende beweerdelijk gemaakte misbruik van omstandigheden dan wel benadeling voor meer dan ¼ deel en niet op de beweerdelijk gemaakte afspraak ter zake een vergoeding voor het verschil in waarde van de auto ten tijde van het opstellen van het convenant en de datum dat de vrouw deze heeft verkocht.

3.7 Onder 2.5.3 en 2.5.4 heeft de vrouw nog gevorderd om de man - kort gezegd - te veroordelen om de reeds tot heden vervallen termijnen voor de overlijdensrisicoverzekering te betalen alsmede ook tot betaling van de na datum vonnis vervallende termijnen.

Ter comparitie van 11 december 2002 heeft de man aangegeven dat hij de verzekerings-premies van omstreeks fl. 250,-- per maand met inbegrip thans van de achterstand op de bankrekening met nummer 93.44.55.155 aan de vrouw gaat overmaken. Ter terechtzitting is tevens duidelijk geworden dat de man alleen op deze wijze deze verplichting aan de vrouw kan nakomen.

Rekening houdend met de onweersproken stelling van de man waarom hij met betaling van de premies aan de vrouw is gestopt en mede gelet op de proceshouding van de man in deze procedure, vertrouwt de rechtbank erop dat de man deze verplichting, als thans ter

comparitie toegezegd, zal nakomen, waardoor er vanuit gegaan kan worden dat de grondslag aan deze vorderingen van de vrouw is ontvallen.

3.8 Het bovenstaande bijeengenomen en in onderling verband gebracht leidt tot de conclusie dat alle vorderingen van de vrouw worden afgewezen.

Partijen zijn ex-echtelieden. Op grond hiervan en mede in verband met het bepaalde in artikel 56 lid 1 Rv(oud) [ artikel 237 lid 1 NRv ] zal de rechtbank de proceskosten compens-eren op de wijze als in het dictum aan te geven.

4. De uitspraak

De rechtbank:

Wijst het gevorderde af;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat elke partij haar eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.J.W. Eliëns, vice-president, en ter openbare terechtzitting van 12 maart 2003 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

LD/FA