Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF5947

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-03-2003
Datum publicatie
18-03-2003
Zaaknummer
79060 / HA ZA 02-1028
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 12 maart 2003

Zaaknummer : 79060 / HA ZA 02-1028

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[De heer B. ],

wonende te Bocholtz-Simpelveld,

eiser in de hoofdzaak, verweerder in het incident,

procureur mr. J.A.M.G. Vogels;

tegen:

[De heer / Mevrouw S. ],

wonende te Bingelrade-Onderbanken,

gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident,

procureur mr. I.J.A.J. Hanssen.

1. Het verloop van de procedure

Eiser in de hoofdzaak, [Partij B. ], heeft gedaagde in de hoofdzaak, [Partij S. ], gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en gevorderd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. [Partij S. ] heeft daarna in het incident een conclusie houdende onbevoegdverklaring genomen.

Vervolgens heeft [Partij B. ] in het incident een conclusie van antwoord genomen, zulks onder overlegging van producties.

Ten slotte hebben partijen in het incident vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. De vordering

In de hoofdzaak

2.1 [Partij S. ], dierenarts van beroep, heeft op 12 februari 2000 in opdracht van [Partij B. ] een paard, genaamd [XXXXXX.], gekeurd. Deze keuring hield verband met het feit dat [Partij B. ] het paard van een derde, een zekere [D.], wilde kopen en wel onder de voorwaarde van een positieve uitslag van een aankoopkeuring door een dierenarts. [Partij B. ] stelt dat hij tegenover [Partij S. ] heeft verklaard dat hij het paard wilde gebruiken om daarmee aan wedstrijden deel te nemen en concoursen te rijden.

2.2 De keuring die heeft plaatsgevonden betrof uitsluitend een zogenaamde klinische keuring, hetgeen inhield dat er geen röntgenfoto's zijn gemaakt, ondanks dat, zoals [Partij B. ] stelt, hij meerdere malen had gevraagd of er geen röntgenfoto's gemaakt zou-den moeten worden. [Partij S. ] heeft naar aanleiding van de keuring een koopadvies gegeven, luidende: "Goed bewegend sportpaard". Als bevindingen naar aanleiding van de keuring heeft [Partij S. ] bij het onderwerp: "Voorvoeten/achtervoeten: grootte + vorm" omcirkeld "niet gelijk." Als conclusie heeft [Partij S. ] genoteerd: "Goed bewegend sportpaard."

2.3 Vervolgens heeft [Partij B. ] naar aanleiding van dit positieve advies het paard gekocht voor een bedrag van fl. 12.500,--.

2.4 Medio oktober 2000 heeft een paardenhandelaar, een zekere [H.], een bod gedaan op het paard ten bedrage van

fl. 15.000,--. Dit bod werd gedaan op voorwaarde van een positieve uitslag van een keuring. Die keuring heeft bestaan in zowel een klinisch onderzoek als een röntgenologisch onderzoek. Bij het röntgenologisch onderzoek, dat op 25 oktober 2000 heeft plaatsgevonden, zijn volgens [Partij B. ] zodanige afwijkingen aan het licht gekomen dat geen aankoopadvies kon worden gegeven.

2.5 [Partij B. ] stelt dat [Partij S. ] niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam dierenarts mocht worden verwacht, omdat [Partij S. ] op 12 februari 2000 ten onrechte heeft nagelaten een röntgenologisch onderzoek uit te voeren, waartoe volgens [Partij B. ] wel aanleiding bestond gelet op de waarde van het paard, het beoogde gebruik van het paard als sport/competitie/wedstrijdpaard en de bij het klinisch onderzoek geconstateerde ongelijke grootte en vorm van de hoeven van de voorbenen.

2.6 Door na te laten röntgenfoto's te maken heeft [Partij S. ] volgens [Partij B. ] het risico in het leven geroepen dat [Partij B. ] een paard zou kopen met afwijkingen die het paard - na ontdekking van de afwijkingen (door middel van röntgenfoto's) - onverkoopbaar zouden maken en/of op kortere en/of langere termijn ongeschikt voor het gebruik als sport/wedstrijd/competitiepaard, vanwege de verhoogde vatbaarheid voor kreupelheid, ontstekingen, aandoeningen e.d. Dit risico heeft zich volgens [Partij B. ] ook verwezenlijkt, doordat het paard onverkoopbaar is gebleken.

2.7 [Partij B. ] heeft op de in de dagvaarding vermelde gronden gevorderd dat [Partij S. ] bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hem te betalen:

- de somma van €Euro 6.234,94, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2001 tot aan de dag der algehele voldoening;

- de somma van Euro€ 1.648,94 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum der dagvaarding (29 oktober 2002) tot aan de dag der algehele voldoening;

- de kosten in dit geding, onder bepaling dat [Partij S. ], indien hij deze niet binnen vier weken na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis heeft voldaan, hier wettelijke rente over dient te betalen tot aan de dag der algehele voldoening.

In het incident

2.8 [Partij S. ] heeft daarop bij incidentele conclusie, op de daarin vermelde gronden gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren om van de vordering in de hoofdzaak kennis te nemen, daartoe - kort samengevat - het volgende aanvoerend. Volgens [Partij S. ] bestaat er tussen partijen een geschil met betrekking tot de keuring van 12 februari 2000. De rechtbank begrijpt dat [Partij S. ] stelt dat op het keuringsrapport dat door hem op 12 februari 2000 is opgemaakt staat vermeld dat: "Elk geschil met betrekking tot de keuring zal worden beslecht door arbitrage overeenkomstig de regels beschreven in het reglement van de Stichting voor Veearbitrage (arbitragecommissie voor paarden en pony's)." De rechtbank zal hierna dit beding "de arbitrageclausule" noemen. Op grond van het feit dat [Partij S. ] op 27 januari 2000 ook al een paard voor [Partij B. ] had gekeurd, waarvan eveneens een rapport is opgesteld dat aan [Partij B. ] is ter hand gesteld, waarop voormelde arbitrageclausule eveneens is afgedrukt, stelt [Partij S. ] zich op het standpunt dat [Partij B. ] bekend was met de algemene voorwaarden die [Partij S. ] hanteerde.

2.9 Gelet op de inhoud van voormelde arbitrageclausule is de rechtbank volgens [Partij S. ] derhalve niet bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

2.10 De vordering wordt door [Partij B. ] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord in het incident.

3. De beoordeling

In het incident

3.1 Van toepasselijkheid van de arbitrageclausule zou pas sprake kunnen zijn indien [Partij B. ] vóór het sluiten van de keuringsovereenkomst zou zijn gewezen op het feit dat [Partij S. ] een arbitrageclausule hanteert. Nu het onderhavige keuringsrapport uit de aard der zaak pas nà de keuring ter hand is gesteld, en niet is gesteld of gebleken dat naar aanleiding van de keuring op 12 februari 2000 in verband met die bewuste keuring een blanco exemplaar van een keuringsrapport aan [Partij B. ] ter hand is gesteld, heeft [Partij B. ] van de verwijzing naar de toepasselijkheid van de arbitrageclausule pas kennis kunnen nemen na het uitvoeren, dan wel sluiten van de overeenkomst. Een verwijzing naar de toepasselijkheid van de arbitrageclausule sorteert onder deze omstandigheden dan ook geen effect, omdat geen sprake is van het noodzakelijke aanbod en aanvaarding van de arbitrageclausule vóór het sluiten van de overeenkomst.

3.2 [Partij S. ] heeft verder nog aangevoerd dat [Partij B. ] bekend was met de het feit dat [Partij S. ] de omstreden arbitrageclausule hanteerde, omdat [Partij B. ] eerder - op 27 januari 2000 - reeds een paard voor [Partij B. ] had gekeurd, waarvan eveneens een rapport is opgesteld dat aan [Partij B. ] is ter hand gesteld en waarop een zelfde arbitrageclausule staat vermeld als de omstreden onderhavige.

3.3 Dat verweer moet echter worden verworpen. Daargelaten dat [Partij B. ] heeft gesteld dat hij bij dezelfde overeenkomst opdracht heeft gegeven tot het keuren van het op 27 januari 2000 gekeurde paard en het ten processe bedoelde - zij het dat die paarden op verschillende dagen zijn gekeurd - is het enkele feit dat op een éénmaal eerder tussen partijen opgemaakt keuringsrapport van 27 januari 2000 al de omstreden arbitrageclausule was vermeld onvoldoende om te concluderen dat er sprake was van een bestendige relatie tussen partijen die maakte dat [Partij B. ] geacht moet worden bekend te zijn met de omstreden arbitrageclausule.

3.4 [Partij S. ] heeft nog gesteld dat [Partij B. ] in het bezit is van meerdere paarden en hij met regelmaat paarden koopt en verkoopt. Uit een dergelijke stelling kan echter niet worden geconcludeerd dat [Partij B. ] geacht kan worden bekend te zijn met de ten processe bedoelde clausule.

3.5 Nu de vordering van [Partij S. ] op grond van het vorenstaande reeds moet worden verworpen, behoeven de overige verweren van [Partij B. ] geen bespreking meer.

3.6 Al het vorenstaande brengt met zich dat de vordering moet worden afgewezen en dat [Partij S. ] als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit incident moet dragen.

4. De uitspraak

De rechtbank:

In het incident

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [Partij S. ] in de kosten van de procedure aan de zijde van [Partij B. ] gevallen en tot op heden begroot op:

salaris procureur Euro €331,00

In de hoofdzaak

verwijst de zaak naar de rol van 9 april 2003 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [Partij S. ] en akte opgave verhinderdata voor een te gelasten comparitie, zijdens beide partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sijmonsma, rechter, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MT