Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF5914

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-03-2003
Datum publicatie
13-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/557 NABW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

of verweerder terecht en op goede gronden het aan eiser toegekende recht op bijstand heeft ingetrokken en een bedrag ad € 10.283,69 (fl. 22.662,28) van eiser heeft teruggevorderd. Gelet op de aangevoerde beroepsgronden spitst deze vraag zich toe op de vraag of verweerder zich ook ten aanzien van de periode van 1 juli 1998 tot 1 januari 1999 mocht beroepen op de door eiser afgelegde verklaringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr. : AWB 02/557 NABW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiser] te [woonplaats], eiser,

en

Burgemeester en wethouders van Maastricht, gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 6 maart 2002.

Kenmerk: 76255403.

Behandeling ter zitting: 6 februari 2003

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij uitspraak van deze rechtbank is het namens eiser ingediende beroep tegen een herziening en terugvordering van bijstand gegrond verklaard en heeft verweerder op 6 maart 2002 een nieuw besluit genomen, waarbij het bezwaar – wederom – ongegrond is verklaard.

Hiertegen is namens eiser door mr. M.Ph.M. Hogervorst, advocate te Maastricht, op 16 april 2002 een beroepschrift ter griffie van deze rechtbank ingediend. De gronden van het beroep zijn bij schrijven van 15 mei 2002 aangevuld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank op 2002, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Hogervorst voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer L.B.W. Heuts, ambtenaar ter gemeente.

II. OVERWEGINGEN.

De feiten

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 20 juli 2000 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat uit onderzoek van verweerders bureau sociale recherche is gebleken dat eiser geen, dan wel onjuiste inlichtingen heeft verstrekt gedurende de periode dat eiser bijstand heeft ontvangen. Per 1 juli 1998 blijkt eisers inkomen hoger te zijn dan zijn recht op bijstand. In verband hiermee heeft verweerder de aan eiser toegekende bijstandsuitkering beëindigd per genoemde datum. Verder heeft verweerder de ten onrechte ontvangen uitkering over de periode van 1 juli 1998 tot 1 juni 1999 ad € 10.283,69 (fl. 22.662,28) teruggevorderd op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw.

Na hiertegen ingesteld bezwaar en beroep heeft deze rechtbank in haar uitspraak van 24 januari 2002 het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft hieraan ten grondslag gelegd dat geen expliciet besluit tot intrekking van het recht op bijstand als bedoeld in artikel 69, derde lid, van de Abw ten grondslag is gelegd aan de terugvordering.

Voorts is niet komen vast te staan op grond van welke gedragingen van eiser verweerder heeft kunnen concluderen dat de inlichtingenplicht ex artikel 65 van de Abw is geschonden.

Op grond van de strafrechtelijke procedure is slechts sprake van wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van de periode vanaf 1999. Dit en het feit dat eiser op zijn afgelegde verklaring wilde terugkomen had verweerder ertoe moeten brengen nader onderzoek te verrichten naar de relevante feiten en af te wegen belangen.

Het bestreden besluit

Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaarschrift van eiser wederom ongegrond verklaard. Hieraan is ten grondslag gelegd dat eiser in de in geding zijnde periode inkomsten heeft verworven op bijstandsniveau en hiervan geen melding heeft gemaakt.

Verweerder heeft eiser daarbij gehouden aan de op 6 juli 1999 ten overstaan van de sociaal rechercheurs afgelegde verklaring, die is vastgelegd in het rapport van 14 juli 1999. Deze verklaring stemt overeen met in het kader van het politie-onderzoek naar eisers handel in verdovende middelen afgelegde en ondertekende verklaringen van 2 en 3 juni 1999. Nadien heeft eiser verklaard dat de gelden van zijn moeder afkomstig waren.

Verweerder verwijst naar de heersende jurisprudentie op grond waarvan mag worden uitgegaan van een in eerste instantie afgelegde en ondertekende verklaring, ook als zij nadien wordt herroepen.

Gelet op het bovenstaande heeft eiser inkomsten ontvangen uit verdovende middelen, welke hoger zijn dan de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm. Daarbij is een bestuursorgaan voor zijn besluitvorming niet gehouden een strafrechtelijke uitspraak te volgen nu in het strafrecht wettig en overtuigend bewijs dient te zijn geleverd. In het bestuursrecht dient een en ander aannemelijk te zijn, behoudens tegenbewijs.

Op grond van het bepaalde in artikel 69, derde lid, en artikel 81, eerste lid en tweede lid, van de Abw wordt de te veel ontvangen bijstand teruggevorderd.

Het beroep

Zakelijk weergegeven is in beroep namens eiser aangevoerd dat:

· verweerder in strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Awb heeft gehandeld doordat eiser in de periode van 1 juli 1998 tot 1 januari 1999 niet met verdovende middelen heeft gehandeld, hetgeen voldoende aannemelijk is gemaakt.

· Eiser is niet opgeroepen voor de hoorzitting, zodat relevante feiten niet zijn meegenomen in de besluitvorming en belangenafweging.

De rechtsvraag

In dit geding zal de rechtbank hebben te beoordelen of verweerders besluit tot ongegrondverklaring van het bezwaar de rechterlijke toets kan doorstaan. In het bijzonder dient de rechtbank daarbij de beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden het aan eiser toegekende recht op bijstand heeft ingetrokken en een bedrag ad € 10.283,69 (fl. 22.662,28) van eiser heeft teruggevorderd. Gelet op de aangevoerde beroepsgronden spitst deze vraag zich toe op de vraag of verweerder zich ook ten aanzien van de periode van 1 juli 1998 tot 1 januari 1999 mocht beroepen op de door eiser afgelegde verklaringen.

De beoordeling

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Toepasselijke wetgeving

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 65, eerste lid, van de Abw verplicht de belanghebbende aan burgemeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw bepaalt onder andere, dat onverminderd het elders in de Abw bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand of ter zake van weigering van bijstand, burgemeester en wethouders een dergelijk besluit herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand

Ingevolge artikel 81, eerste lid, van de Abw wordt de bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, van de belanghebbende teruggevorderd.

Ingevolge artikel 3:2 van de Awb vergaart het bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vindt op de grondslag van het bezwaar een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

Ingevolge artikel 7:12, eerste lid, eerste volzin, van de Awb dient de beslissing op bezwaar te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.

Overwegingen ten aanzien van het beroep

Ten aanzien van de door eiser ondertekende verklaringen van 2 en 3 juni 1999, de nadien niet ondertekende verklaring van 6 juli 1999 en het latere herroepen van de inhoud van deze verklaringen wijst de rechtbank op het volgende.

Blijkens de heersende jurisprudentie mag, indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een politiefunctionaris en/of een sociaal rechercheur afgelegde verklaring, tenzij blijkt dat deze niet in vrijheid dan wel onder toepassing van dwang is afgelegd (CRvB 19 januari 1999, JABW 1999/39, en 7 december 1999, JABW 2000/32). Uit de eerstgenoemde uitspraak blijkt verder dat betekenis dient toe te komen aan het tijdsverloop tussen het afleggen van een verklaring en het herroepen van die verklaring.

De rechtbank stelt voorop, dat niet is gebleken dat de verklaringen van eiser niet in vrijheid dan wel onder dwang zijn afgelegd.

Uit de verklaringen van 2 en 3 juni 1999 blijkt dat eiser in het voorjaar dan wel de zomer van 1998 een door hemzelf gemaakt schilderij heeft verkocht, van de opbrengst heroïne geeft gekocht, deels voor eigen gebruik, deels - vanaf de zomer van 1998 - voor de verkoop aan derden. Op 6 juli 1999 legt eiser vervolgens een innerlijk tegenstrijdige verklaring af, die hij niet wenst te ondertekenen. Deze laatste verklaring wordt in het bezwaarschrift ingetrokken.

De rechtbank stelt verder vast dat in het strafrechtelijk onderzoek niet is komen vast te staan dat van 1 juli 1998 tot 1 januari 1999 sprake is geweest van handel in verdovende middelen. In dat verband verwijst de rechtbank echter tevens naar de heersende jurisprudentie, op grond waarvan de administratieve rechter in de vaststelling van en het oordeel over het voorgelegde geschil in het algemeen niet is gebonden aan hetgeen in strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld (CRvB 7 december 1999, JABW 2000/32).

Mitsdien moet het ervoor worden gehouden dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser in de onderhavige periode inkomsten heeft genoten.

Met betrekking tot het namens eiser ingenomen standpunt dat verweerder na de vernietiging door deze rechtbank van het oorspronkelijk bestreden besluit opnieuw een hoorplicht had, oordeelt de rechtbank dat zijdens eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd zodat verweerder een nieuwe hoorzitting achterwege heeft kunnen laten. Niet gezegd kan worden dat door het niet houden van een hoorzitting eiser in zijn belangen is geschaad. De enkele omstandigheid dat eiser tijdens de eerdere hoorzitting in hechtenis verbleef, leidt niet tot een andere oordeel nu eiser van meet af aan werd vertegenwoordigd door mr. Hogervorst voornoemd en verweerder naar het oordeel van de rechtbank er op mag vertrouwen dat deze gemachtigde alle voor eiser van belang zijnde gegevens op een adequate wijze naar voren brengt.

Op grond van het bovenstaande onderschrijft de rechtbank verweerders standpunt dat eiser in de onderhavige periode inkomsten heeft genoten en deze ten onrechte niet bij verweerder heeft gemeld. Verweerder is dan ook terecht overgegaan tot intrekking van eisers recht op bijstand en terugvordering van de ten onrechte genoten bijstand.

Ten aanzien van de terugvordering overweegt de rechtbank ten overvloede als volgt. Verweerder heeft deze terugvordering gebaseerd op artikel 81, eerste en tweede lid, van de Abw. De rechtbank houdt het ervoor dat verweerder met de verwijzing naar het tweede lid op een subsidiaire, verder niet relevante grond doelt.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt dan ook als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank te Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. C. Schrammen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2003

w.g. C. Schrammen w.g. F.A.G.M. Vluggen

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 7 maart 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.