Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF5722

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
10-03-2003
Datum publicatie
13-03-2003
Zaaknummer
AWB 03 / 274 WRO VV FEE
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 03 / 274 WRO VV FEE

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[naam 1e verzoeker] en 11 anderen, allen wonende te Urmond, verzoekers,

en

Het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Stein, gevestigd te Stein, verweerder.

Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 5 november 2002.

Kenmerk: Afdeling BZ/AJZ.

Behandeling ter zitting: 6 maart 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE PROCEDURE

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 5 november 2002 heeft verweerder het namens verzoekers op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediende bezwaren tegen verweerders besluit van 2 juli 2002 (bekend gemaakt op 4 juli 2002) ongegrond verklaard.

In laatstgenoemd besluit heeft verweerder aan [naam vergunninghoudster] vrijstelling verleend van het bepaalde in de voorschriften behorende bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Urmond" en tevens vergunning verleend voor het verbouwen van het pand tot pension en woonhuis alsmede het vestigen van een tattoo- en piercingshop op het perceel kadastraal bekend gemeente Urmond, sectie B, nr. 4262, plaatselijk gelegen [adres] te Urmond.

Tegen het besluit van 5 november 2002 hebben verzoekers bij schrijven van 3 december 2002 beroep doen instellen bij deze rechtbank. De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn aan de gemachtigde van verzoekers gezonden. De inhoud van de stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Bij schrijven van 27 februari 2003 heeft de gemachtigde van verzoekers zich gewend tot de voorzieningenrechter van de rechtbank met het verzoek ter zake van het besluit van 5 november 2002 een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 6 maart 2003, alwaar de heer [naam 1e verzoeker] in persoon is verscheen, bijgestaan door mr. H.G.M.F. Rothkrans, advocaat te Maastricht. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. M.H.J. Thomas en mr. M.J.S. van Helden, ambtenaren der gemeente. Vergunninghoudster is in persoon verschenen.

II. OVERWEGINGEN

II.1 In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de procedure.

De voorzieningenrechter ziet geen beletselen verzoekers in hun verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Gelet op de omstandigheid dat vergunninghouder inmiddels met de bouwwerkzaamheden is gestart, acht de voorzieningenrechter ook de onverwijlde spoed in genoegzame mate aangetoond.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoekers uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoekers een spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat zij zonder enig nadeel een beslissing op bezwaar kunnen afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van en voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit in een eventuele hoofdzaak zal kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

II.2 Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Artikel 44 van de Woningwet, zoals dat luidde tot 1 januari 2003, bepaalt dat de bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd, indien het bouwplan waarvoor zij gevraagd wordt in strijd is met - zakelijk weergegeven - het bestemmingsplan, de Bouwbesluit, de bouwverordening, de redelijke eisen van welstand, of wanneer een ingevolge de Monumentenwet benodigde vergunning ontbreekt.

Het perceel in kwestie is gelegen binnen het bestemmingsplan "Urmond" en de gronden van het perceel zijn bestemd tot "bedrijfsterrein bij winkels, kantoren en bedrijven", "woondoeleinden bebouwingsklasse EII" en "verkeersdoeleinden".

In 1978 is voor de begane grondlaag vrijstelling ingevolge artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend ten behoeve van de bouw van toiletten en het veranderen van het woonhuis in cafépand. Deze vrijstelling is nimmer ingetrokken.

Het bouwplan voorziet in een interne verbouwing van de begane grondlaag ter realisering van vier kamers, sanitaire voorzieningen en bergruimten ten behoeve van een pension en het gebruik van een ruimte voor een aan huis gebonden beroep, in casu een tattoo- en piercingshop.

De verbouwing van de begane grondlaag vindt plaats binnen de bestaande contouren van het pand. Het gebruik als pension en tattoo- en piercingshop wijkt echter af van de geldende bestemming alsook van de in 1978 verleende vrijstelling.

De woning op de bovenverdieping wordt verbouwd tot een bouwdiepte van 12 meter. Door deze verbouwing wordt het geldende bouwvlak van 10 meter overschreden.

Ingevolge het bepaalde in artikel 46 van de Woningwet dient de aanvraag om bouwvergunning tevens te worden aangemerkt als een verzoek om vrijstelling.

Artikel 19, derde lid, van de WRO bepaalt:

"Burgemeester en wethouders kunnen eveneens vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen."

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) komt voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO onder meer in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Bro komt voor toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO voorts in aanmerking een wijziging in het gebruik van opstallen in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft en het gebruik niet meer omvat dan een bruto-vloeroppervlak van 1500m².

II.2.1 Verzoekers hebben aangevoerd dat artikel 20, eerste lid, aanhef en sub e, van het Bro enkel ziet op een wijziging van het gebruik en niet op een bouwactiviteit. Om die reden kan naar de mening van verzoekers met deze bepaling geen bouwvergunning worden verleend.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat voor wat betreft de overschrijding van de bebouwingsgrens van het woongedeelte op de eerste verdieping vrijstelling kan worden verleend op grond van het bepaalde in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Bro.

Nu het onderhavige bouwplan voor wat betreft de begane grond voldoet aan de in het bestemmingsplan opgenomen bebouwingsvoorschriften en de strijdigheid met het bestemmingsplan enkel en alleen is gelegen in de omstandigheid dat wordt gebouwd ten behoeve van een gebruik dat niet aan de gebruiksvoorschriften van het bestemmingsplan voldoet, brengt een redelijke wetstoepassing met zich dat met de onderhavige vrijstelling tevens een bouwvergunning mag worden verleend. Daarbij is in aanmerking genomen dat de ruimtelijke uitstraling van het bouwwerk geheel en al is terug te voeren op het beoogde gebruik van het bouwwerk als pension (en tattoo- en piercingshop). De inpandige wijzigingen zijn daarvoor verder niet relevant. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat niet valt in te zien dat, indien de verleende vrijstelling voor het gebruik als pension (respectievelijk tattoo- en piercingshop) de rechterlijke toets kan doorstaan, de verleende bouwvergunning in strijd zou zijn met het bestemmingsplan of de krachtens dat plan gestelde eisen.

II.2.2 Namens verzoekers is gewezen op de verkeersaantrekkende werking die zal uitgaan van een pension en een tattoo- en piercingshop. Blijkens de stukken is in de omgeving van het perceel in kwestie sprake (geweest) van enige verkeers- en parkeerproblematiek. Door verweerder is ter zitting gemotiveerd aangegeven dat inmiddels maatregelen zijn getroffen ter vermindering van deze problematiek. De stelling dat voornoemde problematiek zal toenemen ten gevolge van de exploitatie van een pension (met 4 kamers) en een tattoo- en piercingshop is door verzoekers niet onderbouwd. Die toename is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet aannemelijk, gelet op de geplande omvang van de werkzaamheden die vanuit de tattoo-en piercingshop verricht zullen worden en mede gelet op de omstandigheid dat het pension zich met name richt op fietsers.

II.2.3 Namens verzoeker [naam 1e verzoeker] is nog gewezen op de overlast en de aantasting van de privacy die het pension tot gevolg zal hebben. Gelet op de situering van het terras en rekening houdend met de mededeling van vergunninghouder dat een muurtje c.q. scherm geplaatst zal worden, valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet te verwachten dat de privacy van [naam 1e verzoeker] zal worden aangetast ten gevolge van de aanleg van het dakterras.

Evenmin is aannemelijk dat [naam 1e verzoeker] overlast zal ondervinden van het gebruik van de nieuwe fietsenberging, nu het de bedoeling is dat de pensiongasten gebruik maken van de voordeur aan de Raadhuisstraat. Gelet op de isolatie zal ook het gebruik van de trap - die zal aansluiten op de bestaande scheidingsmuur tussen de panden van vergunninghouder en [naam 1e verzoeker] - naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen overlast tot gevolg hebben. Bovendien is deze trap bedoeld om het woongedeelte te kunnen bereiken. Derhalve zal de trap niet gebruikt worden door pensiongasten.

De voorzieningenrechter overweegt in dit verband nog dat de overlast naar verwachting zal afnemen in vergelijking met de overlast die [naam 1e verzoeker] in het verleden heeft ondervonden van het café, welk café reeds ter plekke was gevestigd toen [naam 1e verzoeker] zijn pand kocht.

II.2.4 Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder bij afweging van de in aanmerking te nemen belangen in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten tot het verlenen van vrijstelling.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het vooralsnog onwaarschijnlijk is te achten dat dit besluit in de hoofdzaak de rechterlijke toets niet zal kunnen doorstaan. Derhalve is er, gegeven de belangen van partijen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het daartoe strekkende verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

Wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. E.B.A. Ferwerda als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2003 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E.B.A. Ferwerda w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 13 maart 2003

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.