Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF5317

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
76277- HA ZA 02-627
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis : 19 februari 2003

Rolnummer : 76277/ HA ZA 02-627

De rechtbank te Maastricht, meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

DE STAAT DER NEDERLANDEN (VERKEER EN WATERSTAAT),

gevestigd te 's-Gravenhage,

eiser,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen;

tegen:

[De heer C. ],

wonende te Stein,

verweerder,

procureur mr. J.W.H. Kempen.

1. Het verloop van de procedure

Eiser, hierna te noemen de Staat, heeft verweerder, hierna te noemen [C.], gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en gevorderd als in die dagvaarding vermeld. Op de eerst dienende dag heeft de Staat bij akte producties in het geding gebracht.

[Verweerder] heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

De Staat heeft vervolgens pleidooi verzocht en partijen hebben daarop de zaak doen bepleiten. Van deze zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Voorafgaand aan het pleidooi heeft de Staat een aantal producties overgelegd. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [Verweerder] nog een akte houdende overlegging van producties genomen.

Tenslotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Vordering en verweer

2.1

De gemeente vordert op de gronden als in de dagvaarding vermeld dat het de rechtbank behage bij vonnis:

1. vervroegd uit te spreken ten name van de Staat en ten algemene nutte de onteigening ingevolge artikel 72a Onteigeningswet van de onroerende zaak: een gedeelte -groot 45 are en 40 centiare- van het perceel kadastraal bekend gemeente Elsloo, sectie [D, nummer XXXX], in totaal groot 49 are en 65 centiare;

2. de aan [Verweerder] uit te keren schadeloosstelling vast te stellen.

2.2

De vordering wordt door [Verweerder] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord en het audiëntieblad van het pleidooi.

3. Beoordeling

3.1

[Verweerder] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de Staat niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat in deze zaak geen overlegging heeft plaatsgevonden van een exemplaar van de Staatscourant als bedoeld in artikel 89 sub a. van de Onteigeningswet. Dit verweer faalt. Immers heeft de Staat bedoelde krant, blijkens de daarvan op 28 februari 2002 opgemaakte depotakte met nummer 74825/D (abusievelijk gedateerd 12 juni 2002), op 28 februari 2002 ter griffie gedeponeerd. Weliswaar is dit depot op initiatief van de griffie administratief aan een andere onteigeningszaak gekoppeld (zaaknummer 74825), maar dat doet niet af aan het feit dat de krant tijdig is overgelegd en het daarin opgenomen besluit aldus tijdig ter kennis van de rechtbank is gebracht. Daarbij tekent de rechtbank aan dat bedoelde verplichting tot overlegging van een exemplaar van de Staatscourant niet strekt ten behoeve van de gedaagde partij. Die partij was immers reeds partij in de bestuursrechtelijke procedure en dient derhalve bekend te worden geacht met het betreffende onteigeningsbesluit. Ten overvloede voegt de rechtbank hier nog aan toe dat de procureur van [Verweerder] tevens procureur was van de gedaagde partij in bedoelde andere onteigeningszaak en er reeds daarom geen sprake van kan zijn dat [Verweerder] door de gevolgde (administratieve) handelwijze op enigerlei wijze is geschaad in zijn verweer, hetgeen [Verweerder] overigens ook niet heeft gesteld. Bovendien heeft de Staat in zijn de onderhavige procedure inleidende dagvaarding verwezen naar het depot van 28 februari 2002.

3.2.

De bezwaren van [Verweerder] richten zich op:

A. het ontbreken van de noodzaak tot onteigening, omdat [Verweerder] bereid is de te onteigenen grond ter realisering van het werk ter beschikking te stellen aan de Staat;

B. de weigering van de Staat om [Verweerder] middels uitruil van grond te compenseren voor het verlies van de te onteigenen grond;

C. het feit dat door de Staat onvoldoende zou zijn getracht de te onteigenen grond in der minne te verkrijgen;

D. de wijze van schadebepaling/taxatie.

3.3

Ten aanzien van A:

3.3.1

[Verweerder] blijft zich op het standpunt stellen dat hij de toekomstige eindbestemming van de gronden, te weten natuur, ook zelf kan exploiteren voor zijn bedrijf en de grond daarom alleen tijdelijk ter beschikking hoeft te worden gesteld van de Staat. Daartoe voert hij aan dat hij de door de Kroon genoemde feiten die naar het oordeel van de Kroon onteigening noodzakelijk maken, en waarnaar door de Staat in zijn dagvaarding wordt verwezen, heeft betrokken in zijn besluit.

De omstandigheid dat de uitvoering van het werk zes jaren in beslag zal nemen, is naar het oordeel van [Verweerder] niet relevant. Deze omstandigheid zou zich ook voordoen als hij het werk zelf kan uitvoeren met bijvoorbeeld de hulp van [O.].

Hetzelfde word gesteld met betrekking tot de door de Kroon genoemde omstandigheid van grondvervuiling. Ook indien de grond in eigendom blijft bij [Verweerder] kan de Staat volgens [Verweerder] nagaan of er sprake is van vervuiling.

Met betrekking tot de door de Kroon in overweging genomen omstandigheid dat het gebied zodanig dient te worden ingericht dat optimale natuurontwikkeling mogelijk is, stelt [Verweerder] dat hij ook zelf het nodige onderhoud kan doen. De voorwaarden die hier voor gelden, onder andere met betrekking tot de mogelijkheid tot begrazing in aaneengesloten gebieden, zouden in een overeenkomst kunnen worden vastgelegd.

Ook de beide door de Staat genoemde laatste aspecten, te weten oneffenheden in het terrein, plasvorming en drassigheid, die volgens de Staat, maar volgens [Verweerder] niet, tot gevolg hebben dat de gronden niet of nauwelijks meer bruikbaar zijn voor agrarische doeleinden, stelt hij in zijn overwegingen te hebben betrokken. Bovendien hoort dat tot zijn risicosfeer, aldus [Verweerder]. Hij is voorts bereid de bestemming die volgens het betreffende bestemmingsplan van toepassing is te volgen, hetgeen vanwege zijn gemengd bedrijf volgens [Verweerder] goed mogelijk is.

Ten aanzien van het door de Staat genoemde argument, dat van de Staat niet kan worden verlangd dat de omvangrijke investeringen die in verband met de natuurontwikkeling worden gedaan gedeeltelijk teniet worden gedaan door gebruik door particulieren toe te staan, stelt [Verweerder] dat er geen sprake is van omvangrijke investeringen. De Staat heeft niet aangegeven wat die investeringen zijn, aldus [Verweerder].

3.3.2

De Staat heeft zich ter betwisting van de hiervoor genoemde stellingen van [Verweerder] beroepen op de aspecten waar de Kroon bij haar belangenafweging gewicht aan heeft toegekend en heeft zich op het standpunt gesteld dat de Kroon na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat een noodzaak tot onteigening aanwezig is.

De Kroon heeft, zoals gezegd, onder meer gewicht toegekend aan de omstandigheid dat met de uitvoering van het werk een periode van zes jaren gemoeid zal zijn. De Staat stelt dat hij er zeker van dient te zijn dat hij gedurende die periode op ieder moment volledig over de voor het werk benodigde gronden zal kunnen beschikken. Dit brengt met zich dat zij ten aanzien van die gronden een zeer sterke positie dient te verkrijgen, aldus de Staat.

Voorts heeft de Kroon in haar overweging betrokken de omstandigheid dat de te onteigenen grond na uitvoering van het werk tot een diepte van circa 12 meter verontreinigd zal zijn. De Staat stelt dat in verband met deze verontreiniging monitoring zal moeten plaatsvinden van kwaliteit van bodem en grondwater en van grondwaterstromen. De aanwezigheid van verontreiniging brengt bovendien aansprakelijkheidsrisico's met zich. Daarnaast worden door de aanwezigheid van verontreiniging de gebruiksmogelijkheden beperkt. De Staat stelt dat hij de naleving van die gebruiksmogelijkheden moet kunnen controleren en zonodig op ieder moment direct de naleving van die voorschriften moet kunnen afdwingen.

Tevens heeft de Kroon aandacht geschonken aan het feit dat het betrokken gebied zodanig zal worden ingericht dat optimale natuurontwikkeling mogelijk is, zodat wordt voldaan aan het ingevolge het Structuurschema Groene Ruimte verplichte herstel van de ecologische hoofdstructuur. Behalve dat er voor landbouw geen ruimte zal zijn omdat het terrein te grote oneffenheden zal vertonen, verhindert landbouwkundig gebruik volgens de Staat dat natuurlijke begroeiing plaatsvindt. Het houden van vee is in verband daarmee ook aan zeer zware beperkingen onderworpen: circa 1 volwassen dier per 3 tot 5 hectare. Natuurlijke begrazing is alleen mogelijk in zeer grote aaneengesloten gebieden. De Staat stelt zich op het standpunt dat in redelijkheid niet van hem kan worden verlangd dat de omvangrijke investeringen die in verband met de natuurontwikkeling worden gedaan, gedeeltelijk teniet worden gedaan door in een relatief klein gedeelte van het gebied landbouwkundig gebruik door particulieren toe te staan.

3.3.3

De hiervoor onder 3.3.2 weergegeven omstandigheden en de door de Staat gegeven toelichting hebben de rechtbank tot het oordeel gebracht dat de Kroon in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat het noodzakelijk is dat de Staat de eigendom verkrijgt van de in geding zijnde grond van [Verweerder] en deze grond daarom dient te worden onteigend.

De betreffende grond is nodig ten behoeve van het proefproject in het kader van het project ter verlaging van de hoogwaterstanden van de Maas. Uit de genoemde omstandigheden blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de Staat te alle tijde de vrije en ongehinderde beschikking dient te hebben over de gronden die onder dat project vallen. Indien de eigendom van de grond in handen van [Verweerder] blijft heeft de Staat niet de garantie dat hij, ondanks toezeggingen die thans worden gedaan, gedurende de gehele looptijd van het project de vrije en ongehinderde beschikking over de gronden zal behouden. Het feit dat het hier een proefproject betreft waarbij de ontwikkelingen die zich zullen voordoen ook voor de Staat niet geheel voorzienbaar zijn, weegt daarbij eveneens mee. Tevens blijkt uit de hierboven vermelde argumenten voldoende van het belang dat de Staat heeft bij het in eigen beheer en naar eigen inzichten kunnen uitvoeren van de werkzaamheden ten behoeve van de natuurontwikkeling in het gebied waarin de grond van [Verweerder] is gelegen en bij het behoud van hetgeen tot stand is gebracht. Dit alles, waarmee duidelijk niet alleen investeringen van financiële aard gemoeid zijn, dient niet te worden doorkruist door individuele landbouwers in het gebied, hetgeen niet gewaarborgd is indien de grond in eigendom blijft van deze landbouwers, waaronder [Verweerder].

3.4

Ten aanzien van B:

3.4.1

[Verweerder] heeft erkend dat de Staat niet gehouden is tot levering van compensatiegrond, maar stelt zich op het standpunt dat de Staat over compensatiegrond beschikt en in andere gevallen wel tot uitruil is overgegaan. Door dit in zijn geval niet te doen is er volgens [Verweerder] sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel.

3.4.2

De Staat heeft met betrekking tot deze stelling van [Verweerder] aangevoerd, dat hij niet heeft gezegd dat hij nimmer over compensatiegronden heeft beschikt, doch dat hij geen compensatiegrond ten behoeve van [Verweerder] ter beschikking heeft. Daarbij merkt zij op dat compensatiegrond maar eenmaal kan worden uitgegeven.

Tijdens het pleidooi heeft dhr. [N.], medewerker van Rijkswaterstaat, verklaard dat hij met [Verweerder] verschillende malen heeft gesproken over verplaatsing van diens bedrijf en dat hij in dat kader heeft onderzocht of er compensatiegrond beschikbaar was voor [Verweerder].

3.4.3

Nu de Staat, ondanks dat er geen verplichting bestaat tot compensatie van grond, wel kennelijk de mogelijkheid daartoe heeft onderzocht en hem daarbij is gebleken dat hij niet (meer) beschikte over geschikte grond die ter compensatie kon worden aangeboden, kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel reeds daarom niet slagen. Het tweede bezwaar van [Verweerder] dient daarom te worden gepasseerd.

3.5

Ten aanzien van C:

3.5.1

[Verweerder] stelt zich op het standpunt dat de Staat niet heeft voldaan aan artikel 17 van de Onteigeningswet, omdat het bod dat door de Staat is uitgebracht zijns inziens niet serieus te noemen is. Volgens [Verweerder] is de geboden prijs van Euro€ 4,50 niet marktconform. Hij kan voor die prijs geen vervangende grond kopen. In de omgeving van zijn perceel zijn voor landbouwkundig vergelijkbare gronden prijzen geboden van f 12,50 en f 14,50, aldus [Verweerder]. Bij de door de Staat geboden prijs is volgens [Verweerder] geen rekening gehouden met de aanwezige bodembestanddelen, in het bijzonder het grind.

3.5.2

De Staat heeft betwist dat het aanbod niet marktconform is. Het aanbod is gebaseerd op een taxatierapport dat is opgesteld door een tweetal externe deskundigen, ingeschakeld door de Staat. Bij die taxatie is wel degelijk rekening gehouden met de aanwezige bodembestanddelen. Het rapport is volgens de Staat deugdelijk onderbouwd.

3.5.3

Uit de door de Staat bij akte overgelegde brieven blijkt dat de Staat in de periode tussen het Koninklijk Besluit tot onteigening en de dagvaarding in deze procedure verschillende malen zijn bod aan [Verweerder] kenbaar heeft gemaakt. Naar aanleiding van het aanbod in de brief van 4 februari 2002 heeft de Staat contact opgenomen met [Verweerder] voor overleg. Deze heeft toen gesteld dat het aanbod voor hem geen aanleiding gaf tot nader overleg, welk standpunt door de Staat is bevestigd bij brief van 4 maart 2002. Bij brief van 18 maart 2002 is het aanbod van de Staat herhaald. Naar aanleiding daarvan is namens [Verweerder] bij brief van 26 maart verzocht om een persoonlijk gesprek teneinde tot een oplossing te komen. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat hij het aanbod niet wenst te aanvaarden, omdat hij dit niet als marktconform beschouwt en daarom geschikte vervangende grond wenst te ontvangen, danwel de gronden beschikbaar wil stellen ter realisering van het project. De Staat heeft hierop bij brief van 7 mei 2002 gereageerd en aangegeven dat dit niet tot de mogelijkheden behoort. Hij heeft zich voorts bereid verklaard een gesprek te voeren over de voorwaarden waaronder koop zou moeten plaatsvinden. Dit overleg heeft plaatsgevonden op 4 juni 2002. [Verweerder] heeft daarbij de geboden prijs niet aanvaard en te kennen gegeven dat hij vasthoudt aan een totaaloplossing.

3.5.4

[Verweerder] heeft zijn stelling dat de door de Staat geboden prijs niet marktconform is niet nader onderbouwd. De rechtbank is niet tot het oordeel gekomen dat op voorhand dient te worden vastgesteld dat het taxatierapport waarop dit bod gebaseerd is als ondeugdelijk dient te worden beschouwd. De door [Verweerder] genoemde prijzen wijken ook niet in grote mate af van de geboden prijs. Of de geboden prijs ook daadwerkelijk marktconform is staat in deze fase van de procedure niet ter beoordeling en wordt eerst vastgesteld in het kader van de begroting van een aan [Verweerder] toe te kennen schadevergoeding.

Gelet op de hiervoor onder 3.5.3 weergegeven correspondentie en gesprekken tussen de Staat en [Verweerder], waarbij de Staat verschillende malen de mogelijkheid heeft geboden om over zijn bod te spreken, gezien het daarin door [Verweerder] ingenomen standpunt en gelet op het oordeel van de rechtbank dat het aanbod van de Staat niet op voorhand als onacceptabel kan worden beschouwd, kan naar het oordeel van de rechtbank het verweer van [Verweerder] dat de Staat onvoldoende heeft onderhandeld over een minnelijke schikking niet slagen.

3.6

Ten aanzien van D:

Zoals hiervoor ook reeds is weergegeven zal het taxatierapport eerst aan de orde komen in de fase van het vaststellen van de hoogte van de schadeloosstelling. In die fase bestaat voor [Verweerder] nog alle gelegenheid om aan de deskundigen en de rechtbank zijn zienswijze op dit punt kenbaar te maken. De betreffende bezwaren van [Verweerder] kunnen aan de toewijzing van de vordering tot vervroegde [onteigening] niet in de weg kan staan.

3.7

De Staat heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat [Verweerder] reeds bij conclusie van antwoord een beroep op artikel 38 van de Onteigeningswet had moeten doen indien hij van oordeel is dat de Staat gehouden is om meer te onteigenen of over te nemen dan voor de aanleg van het werk noodzakelijk is, doch dat [Verweerder] dit niet heeft gedaan. [Verweerder] heeft dit betwist. Dienaangaande heeft hij gesteld dat hij in die conclusie heeft aangevoerd dat de Staat hiertoe gehouden is en dat hij hierbij niet expliciet had hoeven te verwijzen naar het wetsartikel.

Ingevolge artikel 38 van de Onteigeningswet dient een eigenaar bij conclusie van antwoord te vorderen dat zijn erven, waarvan een gedeelte onteigend wordt, in zijn geheel worden overgenomen. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat [Verweerder] een dergelijke vordering heeft gedaan. [Verweerder] heeft wel aangevoerd dat de Staat niet kan volstaan met de opmerking dat er thans onvoldoende aanleiding is om de door [Verweerder] gewenste totaaloplossing na te streven. Daarbij had [Verweerder] echter het oog op grondruil. Dit kan niet worden gezien als een expliciet beroep op toepassing van artikel 38 van de Onteigeningswet. Overigens merkt de rechtbank op dat de deskundigen bij het vaststellen van de schadeloosstelling ook de waarde van het overblijvende meenemen in hun overwegingen.

3.8

Nu geen van de verweren doel treft en ook overigens alle wettelijke formaliteiten en termijnen in acht zijn genomen, zal de rechtbank de vervroegde onteigening van het in de dagvaarding omschreven gedeelte (groot 45 are en 40 centiare) van het perceel kadastraal bekend gemeente Elsloo, sectie [D, nummer XXXX],uitspreken.

3.9

Aangezien de Staat heeft gevorderd het bedrag van het voorschot op de schadeloosstelling voor [Verweerder] te bepalen op 100% van de door bij dagvaarding aangeboden schadeloosstelling van €Euro 20.430,- en de rechtbank geen aanleiding vindt om het voorschot op een ander bedrag vast te stellen, zal het voorschot op genoemd bedrag worden vastgesteld. Derhalve zal de rechtbank geen bedrag vaststellen waarvoor zekerheid gesteld moet worden.

3.10

Op grond van het bepaalde in de wet zal de rechtbank deskundigen benoemen om de schadeloosstelling voor [Verweerder] te begroten, alsmede één van haar leden benoemen om, vergezeld van de griffier, bij de opneming door deskundigen aanwezig te zijn en voorts zal zij een nieuwsblad aanwijzen voor de vereiste publicaties.

4. Uitspraak

De rechtbank:

spreekt ten laste van [Verweerder] uit de vervroegde onteigening ten name van en ten behoeve van de Staat van een gedeelte -groot 45 are en 40 centiare- van het perceel kadastraal bekend gemeente Elsloo, sectie [D, nummer XXXX], in totaal groot 49 are en 65 centiare, zoals nader aangeduid in het in de dagvaarding bedoelde onteigeningsplan en de daarbij behorende grondtekening en lijst van te onteigenen onroerende zaken;

bepaalt voor [Verweerder] als voorschot op de vast te stellen schadeloosstelling een bedrag van Euro€ 20.430,-;

benoemt tot deskundigen om de schadeloosstelling te begroten:

- mr. P.P.M.I Paulussen, Sint Pieterskade 26, 6212 AD te Maastricht ;

- dhr. J.W. Offermans, Wissengrachtweg 75, 6336 TH te Hulsberg;

- ing. Th. A. van Sambeek, Dr. Nolenslaan 157, 6136 GM te Sittard;

benoemt mr. Laumen, lid van deze rechtbank om, vergezeld van de griffier, als rechter-commissaris bij de opneming door deskundigen, op een nog in overleg met partijen en deskundigen te bepalen datum en tijdstip, aanwezig te zijn;

wijst aan als nieuwsblad waarin de aankondiging van deze vervroegde onteigening en van tijd en plaats van de opneming door de deskundigen van de ligging en de gesteldheid van de onteigende goederen door de griffier moet geschieden:

Dagblad De Limburger, in de editie verschijnende in de gemeente Stein;

verwijst de zaak naar de rol van 19 maart 2003 om partijen de gelegenheid te geven hun verhinderdata in de eerste vier maanden vanaf de datum van opgave op te geven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Laumen, rechter, Bergmans, vice-president, en De Kort, rechter, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in [tegenwoordigheid] van de griffier.

EvdS