Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF5304

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-02-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
68848 / HA ZA 01-875
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis : 19 februari 2003

Zaaknummer : 68848 / HA ZA 01-875

De rechtbank te Maastricht, meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DE KRESJ B.V.,

gevestigd te Maastricht,

appellante,

procureur mr. H.A.J. Stollenwerck;

tegen:

[Partij W. ],

wonende te Maastricht,

geïntimeerde,

procureur mr. A.M.H.E.G. Lemmens (toevoeging).

1. Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

Ter uitvoering van het vonnis van deze rechtbank van 27 juni 2002 heeft [Geïntimeerde], onder overlegging van een productie, een akte genomen, waarna de BV een antwoordakte heeft genomen en daarbij producties heeft overgelegd.

Tenslotte hebben partijen wederom vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van dat vonnis is nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 De rechtbank heeft kennis genomen van de door beide partijen genomen aktes.

De rechtbank is thans van oordeel dat het door [Geïntimeerde] gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer dient te worden verworpen, nu de appèldagvaarding op voet van HR 29 april 1994, NJ 1995/269 tijdig is betekend en [Geïntimeerde] in de procedure is verschenen en zij door de in het vonnis van 27 juni 2002 geschetste gang van zaken naar het oordeel van de rechtbank niet in haar verdediging is geschaad, terwijl geen bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken die ertoe nopen in onderhavige zaak anders te oordelen.

2.2 De rechtbank zal thans de eerste grief behandelen. Deze grief houdt in dat de kantonrechter in zijn vonnis van 29 november 2000 ten onrechte heeft geoordeeld dat op basis van de overgelegde bewijsstukken voorshands voldoende aannemelijk is dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan.

[Geïntimeerde] heeft een door partijen ondertekend stuk overgelegd met als titel "arbeidsovereenkomst". De BV stelt dat de hiervoor genoemde overeenkomst geen arbeidsovereenkomst is, doch een stage-overeenkomst. Ter adstructie van haar stelling dat het een stage-overeenkomst betreft, stelt de BV onder meer dat niet de titel bepalend is voor de kwalificatie van de overeenkomst, doch de inhoud.

Uit de inhoud van de overeenkomst blijkt echter geenszins dat het níet om een arbeidsovereenkomst zou gaan. Mede gelet op de overige stellingen zoals door partijen gedaan, acht de rechtbank het oordeel van de kantonrechter, inhoudende dat voorshands voldoende aannemelijk is dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan, niet onjuist.

De rechtbank oordeelt terzake verder als volgt: het door beide partijen ondertekend schriftelijk stuk dient te worden aangemerkt als een onderhandse akte (artikel 183 Rv oud). De wet bepaalt hieromtrent in artikel 184 lid 2 Rv (oud) dat een dergelijke akte, ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs oplevert van de waarheid dier verklaring. Dwingend bewijs houdt blijkens artikel 178 Rv (oud) in, dat -kort gezegd- de rechtbank vooralsnog als ten processe vaststaand moet aannemen wat in die akte is vermeld, doch dat de BV op haar verzoek moet worden toegelaten tot tegenbewijs. Dat verzoek heeft de BV niet gedaan.

De eerste grief faalt derhalve.

2.3 In de tweede grief stelt de BV dat de kantonrechter, gelet op de normale regels van het bewijsrecht en gelet op de ontkenning door de BV van het bestaan van een arbeidsovereenkomst, [Geïntimeerde] had dienen te laten bewijzen dat partijen een arbeidsovereenkomst hadden gesloten. Deze grief wordt subsidiair voorgesteld, namelijk voor zover er sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst.

Nu de rechtbank van oordeel is dat het door beide partijen ondertekende stuk met als titel "arbeidsovereenkomst" een onderhandse akte is, volgt daarmee uit de wet (artikel 184 Rv oud) de bewijslastverdeling. Een onderhandse akte vormt dwingend bewijs, waartegen tegenbewijs is toegelaten (artikel 178 lid 2 Rv oud). Een verzoek tot toelating daartoe van de kant van de BV is achterwege gebleven.

Derhalve faalt de tweede grief eveneens.

2.4 In de derde grief stelt de BV dat de kantonrechter, nadat hij had vastgesteld dat er een arbeidsovereenkomst tussen partijen heeft bestaan, geen rekening heeft gehouden met het verweer van de BV dat zij fl. 3.282,20 onverplicht aan [Geïntimeerde] heeft betaald.

Allereerst merkt de rechtbank op dat de kantonrechter wel rekening heeft gehouden met het hiervoor genoemde verweer van de BV, doch dit verweer, gelet op artikel 6:136 van het Burgerlijk Wetboek (BW), heeft gepasseerd.

Met de kantonrechter is de rechtbank van oordeel dat het beroep op verrekening niet kan slagen. De gegrondheid van de vordering die de BV met de vordering van [Geïntimeerde] wenst te verrekenen, is immers allerminst zeker, laat staan op eenvoudige wijze vast te stellen. Dit laatste valt reeds af te leiden uit het feit dat de stelling van de BV dat de kosten niet onder de reguliere studiefinanciering vielen, door [Geïntimeerde] wordt betwist, zodat bewijslevering noodzakelijk is. Dat de vordering niet op eenvoudige wijze is vast te stellen kan niet worden "gecompenseerd" door terzake een bewijsaanbod te doen. Juist het tegendeel is het geval. Het door de BV gedane bewijsaanbod zal derhalve worden gepasseerd.

Op grond van het vorenstaande faalt ook de derde grief.

2.5 De vierde grief richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de verweren van de BV tegen de separaat door [Geïntimeerde] gevorderde bedragen onvoldoende gemotiveerd waren. Dit oordeel zou in strijd zijn met de normale regels van het bewijsrecht.

De rechtbank kan het standpunt van de BV niet volgen. Een stelling welke niet dan wel onvoldoende (gemotiveerd) is betwist, dient als vaststaand te worden aangenomen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de verweren van de BV onvoldoende gemotiveerd waren, hetgeen inhoudt dat de BV de stellingen van [Geïntimeerde] naar het oordeel van de kantonrechter niet afdoende heeft betwist.

De rechtbank acht dit oordeel van de kantonrechter niet onbegrijpelijk of onjuist. Gelet op de gemotiveerde stellingen zijdens [Geïntimeerde] bij repliek terzake van de kostenposten, had het op de weg van de BV gelegen om gemotiveerd verweer te voeren, in ieder geval bij dupliek. Nu laatstgenoemde dit heeft nagelaten, faalt ook de vierde grief.

2.6 Al het vorenstaande brengt met zich dat de beslissingen van de kantonrechter dienen te worden bekrachtigd, voorzoveel nodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden waarop deze berusten, als hierboven aangegeven, onder verwijzing van de BV als de geheel in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het hoger beroep.

3. De uitspraak

De rechtbank:

bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter te Maastricht- van 29 november 2000 en 4 april 2001-, tussen partijen onder rolnummer 2236/99 en zaaknummer 65848- gewezen, voorzoveel nodig met wijziging en aanvulling van gronden;

veroordeelt de BV in de kosten van het hoger beroep aan de zijde van [Geïntimeerde] gerezen en tot deze uitspraak begroot op €

Euro 181,51 aan vast recht en Euro 585,- voor salaris procureur op de voet van het bepaalde in artikel 57b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) te voldoen aan de griffier van deze rechtbank.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sijmonsma, Hoekstra en Laumen, rechters, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

F.B.