Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF5183

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-02-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
AWB 03 / 158 HOREC VV FEE
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 03 / 158 HOREC VV FEE

UITSPRAAK van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

1. [naam verzoeker sub 1]

2. [naam verzoeker sub 2]

3. De erven van [naam vergunninghouder]

4. De Vereniging Officiële Coffeeshophouders Maastricht

allen te Maastricht, verzoekers,

en

de Burgemeester van de Gemeente Maastricht, gevestigd te Maastricht, verweerder.

Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 27 januari 2003.

Behandeling ter zitting: 20 februari 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE PROCEDURE

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 27 januari 2003 heeft verweerder, gelet op het bepaalde in artikel 2.3.1.5a onder a van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Maastricht (APV), de coffeeshop [naam] aan de [adres] te Maastricht voor onbepaalde tijd gesloten.

Bij schrijven van 31 januari 2003 hebben de erfgenamen en belanghebbenden van coffeeshop [naam] alsmede de Vereniging Officiële Coffeeshophouders Maastricht (formeel) bezwaar doen maken tegen dit besluit.

Eveneens bij schrijven van 31 januari 2003 heeft de gemachtigde van de twee beheerders van coffeeshop [naam] (eisers sub 1 en 2), de erfgenamen en belanghebbende alsmede de Vereniging Officiële Coffeeshophouders Maastricht zich gewend tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te treffen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn aan de gemachtigde van verzoekers gezonden. De inhoud van de stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 20 februari 2003, alwaar verzoekers sub 1 en 2 in persoon zijn verschenen. Voor de (minderjarige) verzoekers sub 3 is verschenen hun wettelijk vertegenwoordiger, mevrouw [naam moeder]. Verzoeker sub 4 heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer [X] (voorzitter), de heer [Y] (secretaris) en de heer [Z] (directeur). Verzoekers werden bijgestaan door hun gemachtigde, mr. D.F.G.A.M. Tripels, advocaat te Maastricht. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.J.G.M. Jeukens, ambtenaar der gemeente.

II. OVERWEGINGEN

II.1 In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

II.1.1 De rechtbank zal in de eerste plaats ingaan op de ontvankelijkheid van de verschillende verzoekers.

Het bestreden besluit is gericht tot eisers sub 1 en 2, zodat zij in ieder geval als belanghebbenden aangemerkt dienen te worden.

De heer [naam vergunninghouder], sinds mei 1994 vergunninghouder van coffeeshop [naam], is ten gevolge van een ongeval overleden op 9 december 2002. Hij was niet gehuwd en evenmin geregistreerd als partner in de zin van het geregistreerd partnerschap. Blijkens de overgelegde verklaring van erfrecht heeft de heer [naam vergunninghouder] niet in Nederland bij testament over zijn nalatenschap beschikt en zijn de twee nog minderjarige kinderen van de heer [naam vergunninghouder] zijn enige erfgenamen. Het ouderlijk gezag over deze kinderen wordt alleen uitgeoefend door hun moeder, mevrouw [naam moeder]. De heer [naam vergunninghouder] voorzag met de inkomsten uit de coffeeshop in het levensonderhoud van zijn kinderen. In een op 18 februari 2003 tussen [naam verzoeker sub 1] en [naam moeder] - met toestemming van de kantonrechter - gesloten overeenkomst is in artikel 1 bepaald:

"VERKOOP VAN DE ONDERNEMING

De erfgenamen verkopen de onderneming (alle activa en passiva) genaamd coffeeshop [naam] gelegen aan de [adres] te Maastricht aan [naam verzoeker sub 1] als going concern per 9 december 2002 zulks onder de verplichting van [naam verzoeker sub 1] om:

I. de schulden en baten (lusten en baten) van de onderneming waaronder begrepen heffingen (inkomsten)belasting, personeelskosten, huur en kosten van de nutsvoorzieningen voor zijn rekening te nemen als zijn eigen schulden te voldoen onder vrijwaring voor de erfgenamen voor alle aanspraken in deze zulks onafhankelijk van een eventuele sluiting van de coffeeshop; en

II. aan de erfgenamen casu quo mevrouw [naam moeder] de navolgende bedragen te voldoen, al dan niet afhankelijk van de uitkomst van de juridische procedure te weten:

a. in ieder geval een bedrag van tweeduizend euro (€ 2.000,00) per maand aan de erfgenamen, zulks ter voorziening in de verzorging en opvoeding van de twee minderjarige kinderen en partner gedurende de maanden december 2002 en januari en februari 2003 zonder dat mevrouw [naam moeder] ooit tot enige restitutie is gehouden of kan worden verplicht.

b. Indien de rechter in het kader van de voorlopige voorziening wel "voorlopige toestemming" verleent tot het voortzetten van de exploitatie van de coffeeshop en de vergunning definitief op [naam verzoeker sub 1] is overgedragen is [naam verzoeker sub 1] verplicht om:

1. de hiervoor sub II a genoemde betaling van tweeduizend euro (€ 2.000,00) per maand aan mevrouw [naam moeder] te continueren tot het moment dat in een bodemprocedure definitief zal worden beslist en de vergunning definitief op [naam verzoeker sub 1] is overgedragen; waarna er aan de erfgenamen - tegen algehele en finale kwijting - een nabetaling zal plaatsvinden.

Bovenstaande betekent dat wanneer de rechter in het kader van de voorlopige voorziening geen "voorlopige toestemming" verleent tot het voortzetten van de exploitatie van de coffeeshop en er geen bodemprocedure volgt en de zaak gesloten blijft zal er behoudens de vergoeding zoals hiervoor genoemd onder IIA geen verrekening tussen partijen plaatsvinden."

Nu de omvang van de nalatenschap mede wordt bepaald door de uitkomst van de onderhavige procedure, is de voorzieningenrechter van oordeel dat ook de erfgenamen in deze procedure als belanghebbenden aangemerkt dienen te worden.

Ten aanzien van de Vereniging Officiële Coffeeshophouders overweegt de rechtbank echter dat - gelet op de statutaire doelstelling - deze vereniging geen rechtstreeks belang heeft bij het thans bestreden besluit, zodat verzoekster sub 4 niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Het verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening is ingediend "namens de twee beheerders van coffeeshop [naam]; de erfgenamen en belanghebbende alsmede de Vereniging Officiële Coffeeshophouders Maastricht" terwijl het bezwaarschrift is ingediend "namens de erfgenamen en belanghebbenden van de coffeeshop [naam] (…) alsmede de Vereniging Officiële Coffeeshophouders Maastricht".

Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers verklaard dat met belanghebbenden de familie wordt bedoeld. Tot die familie behoren de twee beheerders [naam verzoeker sub 1] en [naam verzoeker sub 2], tot wie het bestreden besluit is gericht. Derhalve is voor wat betreft de verzoekers sub 1 tot en met sub 3 ook aan het connexiteitsvereiste voldaan. De voorzieningenrechter ziet dan ook geen beletselen verzoekers sub 1 tot en met 3 in hun verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Gelet op de omstandigheid dat de bij het bestreden besluit bevolen sluiting inmiddels is geëffectueerd, acht de voorzieningenrechter ook de onverwijlde spoed in genoegzame mate aangetoond.

II.2 Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoekers uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoekers een spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat zij zonder enig nadeel een beslissing op bezwaar kunnen afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit in een eventuele hoofdzaak zal kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

II.2.1 Ingevolge artikel 2.3.1.1, eerste lid, onder a, sub 3, van de APV wordt onder een inrichting verstaan: een voor het publiek toegankelijke ruimte waar bedrijfsmatig, al dan niet door middel van een automaat, eetwaren en/of alcoholvrije dranken voor gebruik ter plaatse worden verstrekt.

Ingevolge artikel 2.3.1.2, eerste lid, van de APV is het verboden een inrichting, als bedoeld in artikel 2.3.1.1., eerste lid, onder a, sub 3, te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

Bij besluit van 3 mei 1994 heeft verweerder met gebruikmaking van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 2.3.1.3, eerste lid, van de APV bepaald dat vorenbedoelde vergunningplicht niet geldt voor alle inrichtingen als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid, onder a, sub 3, van de APV zulks met uitzondering van coffeeshops, theehuizen, e.d. onder welke benaming dan ook. Daarbij heeft verweerder het beleid vastgesteld waarin het zogenaamde stelsel van het afnemend maximum wordt gehanteerd. Dit stelsel houdt in dat de exploitatie niet door een andere persoon kan worden overgenomen en dat geen nieuwe vergunning kan worden verleend voor het exploiteren van een coffeeshop. Als maximum geldt het aantal bestaande coffeeshops op het moment van inwerkingtreding van dit beleid (19), waarna het aantal coffeeshops moet afnemen tot een acceptabel (nog niet vastgesteld) maximum. Nieuwe vestigingen worden niet toegelaten en als één of meer van de gedoogde coffeeshops zijn deuren sluit c.q. moet sluiten (anders dan voor bepaalde tijd) vermindert het maximum evenredig. De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit beleid reeds als niet onredelijk beoordeeld.

Artikel 1.5 van de APV bepaalt - voor zover van belang - dat de vergunning persoonsgebonden is, tenzij bij of krachtens de APV anders is bepaald.

Op grond van artikel 2.3.1.5a, aanhef en onder a, van de APV kan de burgemeester een inrichting als bedoeld in artikel 2.3.1.1, eerste lid, onder a, sub 3, al dan niet voor een bepaalde termijn gesloten verklaren, indien de houder van de inrichting handelt in strijd met het bepaalde in voormeld artikel 2.3.1.2, eerste lid.

II.2.2 Het geschil spitst zich toe op de vraag of de in mei 1994 aan de heer [naam vergunninghouder] verleende exploitatievergunning ten behoeve van een coffeeshop na het overlijden van de heer [naam vergunninghouder] overgaat of over kan gaan op de erfgenamen c.q. verder gebruikt kan worden door de erfgenamen of anderen.

Zoals hiervoor reeds overwogen, is in artikel 1.5 van de APV bepaald dat de vergunning persoonsgebonden is. Ook de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft al eerder overwogen dat een exploitatievergunning, zoals aan de heer [naam vergunninghouder] is verleend, een persoonsgebonden karakter heeft. De aan de heer [naam vergunninghouder] verleende exploitatievergunning kan derhalve niet overgaan op de erfgenamen en de vergunning kan ook niet gebruikt worden door de erfgenamen of anderen.

Gelet op het door verweerder gehanteerde beleid van het afnemend maximum komen [naam verzoeker sub 1] en [naam verzoeker sub 2] ook niet in aanmerking voor een nieuwe vergunning.

Namens verzoekers is gesteld dat het overlijden van de heer [naam vergunninghouder] dient te worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid op grond waarvan verweerder dient af te wijken van het gehanteerde beleid.

Gelet op het met het gehanteerde beleid te dienen belang van de openbare orde kan - hoe tragisch het overlijden van de heer [naam vergunninghouder] ook is - naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gezegd worden dat verweerder in redelijkheid niet aan dat beleid heeft kunnen vasthouden.

II.2.3 Namens verzoekers is gesteld dat de Vereniging Officiële Coffeeshops Maastricht voor de laatste gemeenteraadsverkiezingen nog overleg en een gespreksronde heeft gehad met alle politieke partijen van de gemeente Maastricht waarin duidelijk naar voren is gekomen en ook werd beaamd dat in een voorkomend geval als overlijden dit nimmer een reden zou kunnen of mogen zijn tot sluiting van de coffeeshop.

De gemachtigde van verzoekers heeft in dit verband het concept (blauwe fase) van de Evaluatie Coffeeshopbeleid overgelegd en verwezen naar paragraaf 6.1 van dit rapport waarin wordt voorgesteld om enkel onder bepaalde condities een coffeeshop overdraagbaar te maken. Tevens is verwezen naar de verplaatsing van de coffeeshop aan de [adres 2].

Verweerder heeft echter gemotiveerd betwist dat met betrekking tot de overname na overlijden afspraken zijn gemaakt. Het concept van de Evaluatie Coffeeshopbeleid betreft een zogeheten blauw stuk, hetgeen betekent dat dit een discussiestuk is. Dit stuk is gepresenteerd om de discussie met belanghebbenden en de gemeenteraad te voeren. Die discussie heeft geresulteerd in een besluit van 20 maart 2001 waarin is besloten dat coffeeshops niet overdraagbaar zijn.

Bij de door de gemachtigde van verzoekers aangehaalde coffeeshop aan de [adres 2] betrof het niet de overdracht van de vergunning aan een ander persoon, maar de verplaatsing van de inrichting. In dat geval heeft verweerder een vergunning voor de verplaatsing afgegeven op basis van een uitspraak van de voorzieningenrechter waarbij tevens werd meegewogen dat de inrichting slechts enkele panden werd verplaatst, dat de omvang van de nieuwe inrichting gelijk bleef aan de oude inrichting, dat het nieuwe pand ook een horecapand betrof en dat per saldo een horecapand werd ingeleverd. Tevens is verweerder destijds vooruit gelopen op toekomstig beleid (dat inmiddels is vastgesteld) waarbij de verplaatsing van coffeeshops onder bepaalde omstandigheden mogelijk wordt gemaakt. Aan de vergunningverlening in die kwestie kan dan ook niet de betekenis worden toegekend die verzoekers daaraan willen geven.

II.2.4 Namens verzoekers is voorts een parallel getrokken met vergunningen voor een standplaats op de markt of een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet. De vergelijking met vergunningen voor een standplaats op de markt gaat niet op nu laatstgenoemde vergunningen een geheel ander karakter hebben en bovendien niet persoonsgebonden zijn. De vergelijking met een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet gaat evenmin op. Ook een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet is weliswaar persoonsgebonden. Echter, op grond van deze wet kan wel een nieuwe vergunning worden aangevraagd en - indien aan de daaraan gestelde eisen wordt voldaan - worden verkregen nu de Drank- en Horecawet in tegenstelling tot het Coffeeshopbeleid van verweerder geen maximum kent.

II.2.5 Tussen partijen staat vast dat verzoekers sub 1 en sub 2 de coffeeshop [naam] hebben geëxploiteerd terwijl zij niet beschikken over de daartoe op grond van de APV vereiste vergunning.

Gelet op het persoonsgebonden karakter van de in het verleden aan de heer [naam vergunninghouder] verleende exploitatievergunning ten behoeve van een coffeeshop, kan deze vergunning niet overgedragen worden. Gelet op het door verweerder gehanteerde beleid van het afnemend maximum komen verzoekers sub 1 en 2 niet in aanmerking voor een nieuwe vergunning.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het vooralsnog onwaarschijnlijk is te achten dat dit besluit alsdan de rechterlijke toets niet zal kunnen doorstaan. Derhalve is er, gegeven de belangen van partijen, geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het daartoe strekkende verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

I. verklaart verzoekster sub 4 niet-ontvankelijk in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening;

II. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers sub 1 tot en met sub 3 af.

Aldus gedaan door mr. T.E.A. Willemsen in tegenwoordigheid van mr. E.B.A. Ferwerda

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2003 door mr. Willemsen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E.B.A. Ferwerda w.g. Willemsen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 5 maart 2003

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.