Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF5177

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-03-2003
Datum publicatie
06-03-2003
Zaaknummer
03/005399-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 03/005399-02

Datum uitspraak: 04 maart 2003

RECHTBANK MAASTRICHT

VONNIS

op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboortedatum/plaats],

wonende te [woonplaats/adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 18 februari 2003.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2001 tot en met 7 juli 2002 in de gemeente Heerlen, althans in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

zij op of omstreeks 8 juli 2002 in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 55,1 gram, in elk geval hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2001 tot en met 7 juli 2002 in de gemeente Heerlen, meermalen, opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

zij op 8 juli 2002 in de gemeente Heerlen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 55,1 gram, van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;.

Nadere bewijsoverweging

Door de raadsman van de verdachte is het verweer gevoerd, dat de opsporingsambtenaren van de Koninklijke Marechaussee in deze zaak krachtens de wet geen taak toekwam in de opsporing, zodat zij ook geen bevoegdheid hebben tot de opsporing daarvan.

Op grond daarvan heeft de raadsman geconcludeerd tot vrijspraak.

De rechtbank verwerpt dit verweer, waartoe wordt overwogen als volgt. Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder d, van de Politiewet 1993 is aan de Koninklijke Marechaussee op het terrein van grensoverschrijdende criminaliteit een eigen taak toebedeeld, zij het dat die taak niet zelfstandig kan worden uitgeoefend, doch alleen bij wijze van assistentieverlening in samenwerking met de politie. Met het oog op deze assistentieverlening is op 30 september 1993 door de Ministers van Defensie, Justitie en Binnenlandse Zaken het convenant "Grensoverschrijdende Criminaliteit" gesloten. Ter uitvoering van dit convenant zijn landelijk binnen de Koninklijke Marechaussee 13 zogenaamde GOC-teams operationeel. Twee van deze teams zijn door de Procureur-generaal van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch ter beschikking gesteld aan de politieregio Limburg Zuid. Blijkens het door de Officier van Justitie ter zitting overgelegde proces-verbaal de dato 19 november 2002, opgemaakt door [naam verbalisant], wordt een van deze teams, het GOC team Heerlen II, sedert medio 1995 ingezet ter bestrijding van de grensoverschrijdende drugscriminaliteit in de districten Heerlen en Maastricht van de regiopolitie Limburg Zuid. Naar het oordeel van de rechtbank dient het begrip grensoverschrijdende drugscriminaliteit aldus te worden uitgelegd dat sprake dient te zijn van een delictsvorm die naar haar aard een grensoverschrijdend karakter heeft. Een engere uitleg van voormeld begrip, inhoudende dat bij elk aan drugscriminaliteit gerelateerd feit concreet moet vaststaan dat dit een grensoverschrijdend karakter heeft, zou aan een doelmatige opsporing van dergelijke feiten in de weg staan.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. en 2. meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte de hierboven omschreven feiten heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

Feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 10, derde lid, van de Opiumwet.

Feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod,

strafbaar gesteld bij artikel 10, tweede lid, van de Opiumwet.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

Bij de bepaling van de op te leggen straffen is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

De op te leggen straffen zijn -behalve op voormelde artikelen- gegrond op de artikelen 9, 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op artikel 13 van de Opiumwet.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1. en 2. ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. en 2. meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd 240 DAGEN;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot 128 DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van TWEE JAREN niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte tot het verrichten van een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van HONDERDZESTIG UREN;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van TACHTIG DAGEN zal worden toegepast.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, mr. R.C.A.M. Philippart en mr. M.E. Kramer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Berkers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 04 maart 2003.