Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF4111

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
30-01-2003
Datum publicatie
07-02-2003
Zaaknummer
03-005251-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 03/005251-01

Datum uitspraak: 30 januari 2003

RECHTBANK MAASTRICHT

VONNIS

op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats/datum],

wonende te [woonplaats/adres].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 januari 2003.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 1994 tot en met 31 oktober 1998 in de gemeente Meerssen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 1] (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], hebbende verdachte die [slachtoffer 1] (telkens) gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer 1] duwde/bracht, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte in een hulpverlener-cliëntrelatie psychische en/of fysieke dwang op [slachtoffer 1] voornoemd uitoefende door misbruik te maken van (een) uit feitelijke verhouding(en) voortvloeiend overwicht, en/of (aldus) voor die [slachtoffer 1] (telkens) een bedreigende situatie heeft doen ontstaan (waarin voornoemde [slachtoffer 1] zich niet meer adequaat kon en durfde te verzetten);

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 1992 tot en met 31 oktober 1998 in de gemeente(n) Meerssen en/of De Wijk (Drenthe), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, terwijl hij en/of zijn mededader(s) toen en daar (telkens) werkzaam was/waren in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, (telkens) ontucht heeft/hebben gepleegd met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], die zich als patiënt(en) en/of cliënt(en) aan verdachte's en/of zijn mededader(s) hulp en/of zorg had(den) toevertrouwd, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (telkens) (lichamelijk) betast en/of op de vagina geslagen en/of (met zijn tong in de mond(en) van voornoemde slachtoffers) gezoend en/of voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] gedwongen tot het ondergaan (erotische) foto- en/of videosessies;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 september 1998 tot en met 31 oktober 1999 in de gemeente(n) Meerssen en/of Utrecht, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door middel van bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaring van een geheim [slachtoffer 1] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke openbaring van een geheim (telkens) hierin bestond dat het seksuele contact, waaraan die [slachtoffer 1] had deelgenomen (in augustus 1996) in de gemeente Meerssen met een prostituee uit Antwerpen een strafbaar feit zou betreffen, waarvan de gevolgen voor die [slachtoffer 1] teniet zouden kunnen worden gedaan door betaling van een som geld aan verdachte en/of zijn mededader(s), die vervolgens met dat geld politie- en/of justitiemedewerkers zouden gaan omkopen;

4.

hij op of omstreeks 11 juli 1997 in de gemeente Meerssen, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 3], hebbende verdachte zijn penis in de mond van voornoemde [slachtoffer 3] gedaan/geduwd en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte in een hulpverlener-cliëntrelatie psychische en/of fysieke dwang op voornoemde [slachtoffer 3] uitoefende door misbruik te maken van een uit feitelijke verhouding voorvloeiend overwicht en/of dat hij, verdachte, de (toegangs)deur (naar de praktijkruimte) op slot deed/afsloot en/of voornoemde [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot het vastpakken van zijn, verdachtes, penis en/of (aldus) voor die [slachtoffer 3] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan (waarin voornoemde [slachtoffer 3] zich niet meer adequaat kon en durfde te verzetten);

5.

hij in of omstreeks de periode van 27 augustus 1998 tot en met 31 januari 1999 in de gemeente(n) Meerssen en/of Nijmegen, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van vijftienduizend gulden, in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid die [slachtoffer 3] heeft verteld/medegedeeld dat hij en/of zijn mededader(s) door Justitie werd/werden verdacht van het plegen van strafbare feiten, waarvan de gevolgen voor hem en/of zijn mededader(s) door hem en/of zijn mededader(s) teniet konden worden gedaan door terugkoop van belastend materiaal (in concreto: videobanden) en/of omkoping van Justitie-autoriteiten, voor de betaling(en) waarvan voornoemde [slachtoffer 3] de financiële middelen (mede) diende te verschaffen, waardoor voornoemde [slachtoffer 3] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

6.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 1991 tot en met 31 oktober 1998 in de gemeente Meerssen, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 4] (telkens) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 4], hebbende hij, verdachte, die [slachtoffer 4] (telkens) gedwongen zijn, verdachtes, penis in haar mond te nemen en/of heeft verdachte zijn penis in de mond van voornoemde [slachtoffer 4] gedaan/geduwd en/of heeft verdachte zijn penis in de vagina van voornoemde [slachtoffer 4] geduwd/gebracht, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte in een hulpverlener-cliëntrelatie psychische en/of fysieke dwang op [slachtoffer 4] voornoemd uitoefende door misbruik te maken van (een) uit feitelijke verhouding(en) voortvloeiend overwicht, en/of aldus voor die [slachtoffer 4] (telkens) een bedreigende situatie heeft doen ontstaan (waarin voornoemde [slachtoffer 4] zich niet meer adequaat kon en durfde te verzetten).

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 3, 4, 5 en 6 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden, dat de onder 1, 4 en 6 tenlastegelegde gedragingen hebben plaatsgevonden onder zodanige dwang en/of psychische druk, dat de respectievelijke aangeefsters daaraan redelijkerwijs geen weerstand hadden kunnen bieden.

Bij dat oordeel is in het geval van aangeefster [slachtoffer 1] mede betrokken, dat de verweten gedragingen bij herhaling en gedurende een langere periode hebben plaatsgevonden, alsmede de inhoud van haar brieven aan verdachte (de eerste gedateerd 27 juli 1994 en de laatste gedateerd 14 december 1996) uit welke brieven kan worden afgeleid dat [slachtoffer 1] ten tijde van het tenlastegelegde ook geen dwang of psychische druk heeft ervaren.

In het geval van aangeefster [slachtoffer 3] is meer in het bijzonder meegewogen, dat zij ten tijde van het eerste contact met verdachte in maart 1992 zelf een opleiding als zogeheten "NRT"-therapeut (nagenoeg) had afgerond, en dat zij na het tenlastegelegde voorval nog ruim een jaar contact met verdachte is blijven onderhouden.

Ten aanzien van aangeefster [slachtoffer 4] tenslotte heeft de rechtbank in haar oordeel betrokken, dat ook in haar geval de verweten gedragingen bij herhaling en gedurende een langere periode hebben plaatsgevonden en bovendien dat zij in haar aangifte zelf heeft aangegeven, dat zij zich van de seksuele gedragingen niet veel meer kan herinneren.

Ten aanzien van het onder 3 ten lastegelegde is de rechtbank van oordeel, dat uit het verhandelde ter terechtzitting noch uit andere feiten en omstandigheden aannemelijk is geworden dat verdachte, alleen dan wel in samenwerking met een of meer anderen, [slachtoffer 1] heeft gedreigd met de openbaarmaking van een geheim. De feiten als in de aangifte omschreven en nader toegelicht in een aan die aangifte gehecht stuk van haar hand wijzen veeleer in de richting van een samenweefsel van verdichtsels waardoor zij is bewogen tot de afgifte van een som geld.

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde tenslotte, is naar het oordeel van de rechtbank uit het verhandelde ter terechtzitting noch uit andere feiten en omstandigheden aannemelijk geworden, dat verdachte alleen danwel in samenwerking met een of meer anderen aan [slachtoffer 3] heeft verteld dat hij en/of anderen door justitie werd(en) verdacht van het plegen van strafbare feiten waarvan de gevolgen teniet konden worden gedaan door terugkoop van belastend materiaal (te weten videobanden) en/of omkoping van justitie-autoriteiten, waardoor [slachtoffer 3] zou zijn bewogen tot afgifte van een som geld. Naar het oordeel van de rechtbank wordt op dit punt de tenlastelegging niet gedekt door de feiten zoals die uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren zijn gekomen.

Bijzondere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde.

Verdachte heeft tot verweer aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de verweten seksuele gedragingen niet hebben plaatsgevonden in een therapeut-cliënt relatie, maar in het kader van een onderzoek, waarin hijzelf en de betrokken aangeefsters participeerden als gelijkwaardige deelnemers. Van enig overwicht van zijn kant was, aldus verdachte, in dat kader geen sprake.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van dat verweer uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Verdachte was ten tijde van de onder 2 ten laste gelegde periode werkzaam als zogeheten Readaptatie-therapeut en Postural Integration-therapeut en als zodanig aangesloten bij de zogeheten Alliantie Natuurlijke Geneeswijzen. De aangeefsters hadden bij aanvang van hun relatie met verdachte ieder voor zich een hulpvraag en hebben gedurende een langere periode en met zekere regelmaat therapiën gevolgd bij verdachte. In deze "functionele" relatie is enige vorm van overwicht van verdachte respectievelijk van afhankelijkheid van aangeefsters een voorondersteld gegeven.

Niet aannemelijk is geworden dat de relatie tussen verdachte en de respectievelijke aangeefsters op enig moment in zoverre is gewijzigd dat van vorenbedoelde afhankelijkheid geen sprake meer was. De enkele omstandigheid dat verdachte aangeefsters tevoren had gevraagd deel te willen nemen aan een onderzoek en zij daarmee hadden ingestemd, is daarvoor onvoldoende. Integendeel, naar het oordeel van de rechtbank waren aangeefsters in dat onderzoek geen gelijkwaardige partners van verdachte maar veeleer voorwerp van onderzoek en kan hun instemming met deelname niet los worden gezien van hun afhankelijkheid ten opzichte van verdachte. Bij dat oordeel is nog meegewogen (naast de bij aanvang gegeven therapeut-cliënt relatie), dat verdachte deze onderzoeken initieerde en organiseerde, dat de verzoeken tot deelname van hem uitgingen, en bovendien dat deelname voor aangeefsters slechts openstond tegen betaling, niet alleen van onkosten maar tevens van een vergoeding voor de door verdachte bestede uren.

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer en is op grond van de hierna opgenomen bewijsmiddelen van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde bewezen moet worden geacht.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

2.

hij in de periode van 1 maart 1992 tot en met 31 oktober 1998 in de gemeenten Meerssen en/of De Wijk (Drenthe) meermalen, terwijl hij toen en daar telkens werkzaam was in de maatschappelijke zorg, telkens ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], die zich als cliënten aan verdachte's hulp en zorg hadden toevertrouwd, immers heeft hij voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] (lichamelijk) betast en/of op de vagina geslagen en/of met zijn tong in de mond gezoend.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het hierboven omschreven feit heeft begaan, op feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit welk moet worden gekwalificeerd als volgt:

T.a.v. feit 2:

Ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd, terwijl hij werkzaam is in de maatschappelijke zorg, meermalen gepleegd,

voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 249, tweede lid, aanhef en onder 3° (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving.

De rechtbank rekent verdachte aan dat hij misbruik heeft gemaakt van zijn positie als zorgverlener en aldus het in hem gestelde vertrouwen van de betrokken cliënten heeft beschaamd en schade heeft toegebracht aan de maatschappelijke zorgverlening in het algemeen.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte er rekening mee gehouden dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld.

De op te leggen straf is -behalve op voormeld artikel- gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

De vorderingen van de benadeelde partijen

Ter terechtzitting zijn tevens de formulieren, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zich ter zake van hun vorderingen tot schadevergoeding als benadeelde partijen in het strafproces hebben gevoegd.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voornoemd, voorzover betrekking hebbende op het onder 2 ten laste gelegde, niet van zodanig eenvoudige aard dat deze zich lenen voor behandeling in dit strafgeding, reden waarom zij zal bepalen dat de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk zijn en die vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen.

Voor zover de vorderingen betrekking hebben op het overigens tenlastegelegde dienen de benadeelde partijen eveneens in hun vorderingen niet-ontvankelijk te worden verklaard, omdat niet is voldaan aan het vereiste dat de gevorderde schade rechtstreeks is toegebracht door (een) bewezenverklaard(e) feit(en).

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van DRIE maanden;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot EEN maand niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op de grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit dan wel de volgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden als therapeut of hulpverlener van elke werkzaamheid of activiteit die redelijkerwijs als therapeutisch jegens derden kunnen worden aangemerkt;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in hun vorderingen, voorzover betrekking hebbende op het ten laste gelegde onder 2, niet-ontvankelijk zijn en dat zij deze vorderingen in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] in hun vorderingen, voorzover betrekking hebbende op het ten laste gelegde onder 1, 3, 4, 5 en 6 niet-ontvankelijk zijn;

- veroordeelt de benadeelde partijen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] voornoemd in de kosten, door verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. A.S. Arnold, voorzitter, mr. R.H.J. Otto en mr. W.Chr.A. Klaufus, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 januari 2003, zijnde mr. W.Chr.A. Klaufus buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.