Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF4107

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-02-2003
Datum publicatie
07-02-2003
Zaaknummer
75136 - HA ZA 02-494
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Vonnis : 5 februari 2003

Zaaknummer : 75136 / HA ZA 02-494

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

1. [De heer L.],

2. [Mevrouw D.],

beiden wonende te Geleen-Sittard,

eisers in conventie tevens gedaagden in reconventie,

procureur mr. G.E.R. Ummelen;

tegen:

1. [De heer A.],

2. [Mevrouw D.],

beiden wonende te Geleen-Sittard,

gedaagden in conventie tevens eisers in reconventie,

procureur mr. E.J.J.M. Kneepkens.

1. Het verloop van de procedure

Eisers in conventie, gedaagden in reconventie, hierna te noemen "[L.] c.s.", hebben gedaagden in conventie, eisers in reconventie, hierna te noemen "[A.] c.s.", gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Op de eerstdienende dag hebben [L.] c.s. twee producties overgelegd. [A.] c.s. hebben op de eerstdienende dag onder het overleggen van producties geantwoord in conventie en gesteld en geconcludeerd voor eis in reconventie. [L.] c.s. hebben daarna geantwoord in reconventie.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

In conventie

2.1 [L.] c.s. hebben op 22 februari 2002 met [A.] c.s. een schriftelijke koopovereenkomst gesloten met betrekking tot het toen nog aan [A.] c.s. in eigendom toebehorende woonhuis met opstallen, ondergrond, erf, tuin en verdere aanhorigheden, staande en gelegen te [adres] kadastraal bekend als het perceel gemeente Geleen, sectie D, nummer [XXXX], groot 3 are en 30 centiaren. [A.] c.s. hebben genoemde onroerende zaak aan [L.] c.s. verkocht voor de prijs van €Euro 165.630,--.

2.2 Partijen waren overeengekomen dat de levering van genoemde onroerende zaak zou plaatsvinden op 1 maart 2002 of zoveel eerder of later als partijen nader zouden overeenkomen.

2.3 [A.] c.s. hebben hun woning niet aan [L.] c.s. geleverd. Dit vanwege het feit dat [A.] c.s. reeds eerder op 16 januari 2002 genoemde onroerende zaak hadden verkocht aan [Echtpaar C.], echtelieden, wonende te Geleen, gemeente Sittard-Geleen. [L.] c.s. waren niet op de hoogte van deze op 16 januari 2002 tussen [A.] c.s. en het echtpaar [C.] totstandgekomen koopovereenkomst.

2.4 Aangezien de koopovereenkomst gesloten tussen [A.] c.s. en het echtpaar [C.] van oudere datum was dan de overeenkomst [A.] c.s. en [L.] c.s. hebben [A.] c.s. genoemde onroerende zaak geleverd aan het echtpaar [C.].

2.5 [L.] c.s. stellen dat [A.] c.s., doordat zij uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst met het echtpaar [C.], wanprestatie hebben gepleegd jegens [L.] c.s.

2.6 In de tussen [L.] c.s. en [A.] c.s. totstandgekomen koopovereenkomst hebben partijen (onder meer) een boeteclausule opgenomen, welke clausule - voor zover thans van belang - als volgt luidt:

"Artikel 14, ingebrekestelling, verzuim, ontbinding en boete

1. (..)

2. Indien één van de partijen, na bij deurwaardersexploot in gebreke te zijn gesteld, gedurende acht dagen tekortschiet in de nakoming van één of meer van haar verplichtingen - daaronder begrepen het niet tijdig betalen van de waarborgsom of het niet tijdig doen stellen van een correcte bankgarantie - is deze partij in verzuim en heeft de wederpartij de al dan niet subsidiaire keus tussen:

a. (...…); of

b. de overeenkomst door een schriftelijke verklaring voor ontbonden te verklaren en betaling van een onmiddellijk opeisbare boete te vorderen van tien procent van de koopprijs."

2.7 [L.] c.s. hebben jegens [A.] c.s. om vorenstaande redenen een beroep gedaan op genoemde boeteclausule en vorderen thans dat [A.] c.s. bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk zullen worden veroordeeld, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [L.] c.s. te betalen een bedrag ad €Euro 16.530,--, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 maart 2002, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. Voorts hebben [L.] c.s. gevorderd [A.] c.s. te veroordelen om aan hen te betalen de buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand ten bedrage van Euro€ 635,30, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening. Het een en ander met veroordeling van [A.] c.s. in de kosten van de procedure.

2.8 [A.] c.s. hebben de stellingen van [L.] c.s. gemotiveerd bestreden, daarbij onder meer stellende dat [L.] c.s. uitdrukkelijk niet zonder meer aanspraak hebben gemaakt op een gefixeerd bedrag gelijk aan 10% van de koopsom zoals vermeld in het contractuele boetebeding. Tijdens de tussen partijen gehouden comparitie stellen [A.] c.s. dat [L.] c.s. zich steeds op het standpunt hebben gesteld de reële schade vergoed te willen krijgen, waardoor zij afstand hebben gedaan van het recht om nog de contractuele boete te vorderen. Er is daarvoor tussen partijen langdurig onderhandeld zodat de contractuele boete een gepasseerd station is. [A.] c.s. hebben tijdens deze onderhandelingen steeds meer geboden zonder dat dit voor [L.] c.s. aanvaardbaar was. [A.] c.s. stellen voorts dat zij reeds €

Euro 8.000,-- hebben betaald, waarin inbegrepen Euro€ 700,-- terzake buitengerechtelijke incassokosten.

In reconventie

2.9 [A.] c.s. hebben op de in de door hun genomen conclusie van eis in reconventie vermelde gronden gevorderd, dat het de rechtbank moge behagen om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de bedongen boete ad 10% van de koopsom, opgenomen in de koopovereenkomst van 22 februari 2002 tussen [L.] c.s. en [A.] c.s. gesloten, te matigen tot een bedrag van €Euro 8.000,--, althans tot een zodanig bedrag als de rechtbank billijk acht. Een en ander met veroordeling van [A.] c.s. in de kosten van de procedure.

2.10 [A.] c.s. stellen dat er alle reden bestaat voor de bedongen boete ad 10% van de koopsom te matigen, nu de billijkheid dit klaarblijkelijk eist.

2.11 Ter ondersteuning van het in reconventie gevorderde voeren [A.] c.s. aan dat:

- door betaling van het bedrag van €Euro 8.000,-- meer dan de werkelijke geleden schade is vergoed, aangezien immers met de betaling van dat bedrag rekening is gehouden met een bedrag aan beweerdelijk geleden immateriële schade ad €

Euro 8.000,-- minus Euro€ 6.490,48 = Euro€ 1.509,52. Terwijl de insteek van [L.] c.s. bij het starten van de onderhandelingen was: vergoeding van de gemaakte kosten;

- gelet op de relevante omstandigheden zoals in de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende conclusie van eis in reconventie onder 4 geschetst, bezwaarlijk geoordeeld kan worden dat [A.] c.s. schuld hebben aan het feit dat niet aan [L.] c.s. geleverd kon worden, hoewel dat wel de bedoeling van [A.] c.s. was.

- De aard en de ernst van de voorzienbare schade geheel door [A.] c.s. is vergoed en er slechts een zekere vergoeding resteert van beweerdelijk geleden immateriële schade, voor welke vergoeding echter in redelijkheid geen grond bestaat.

- [L.] c.s. uitdrukkelijk hebben aangegeven in der minne tot een regeling te willen komen en niet zonder meer te staan op betaling van het volledige boetebedrag. [L.] c.s. hebben in strijd met de goede trouw met [A.] onderhandeld over vergoeding van kosten. Er werden steeds nieuwe kosten opgevoerd, zonder deze te specificeren, ook niet na toezegging van directe betaling na ontvangst van een specificatie.

- Betaling van de volledige boete van 10% van de koopprijs niet in verhouding staat tot de daadwerkelijk geleden schade, terwijl partijen over het realiteitsgehalte van de kosten en de schade hebben onderhandeld en daar uiteindelijk, door de steeds wijzigende opstelling van [L.] c.s. niet zijn uitgekomen.

2.12 De vordering wordt door [L.] c.s. gemotiveerd weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord in reconventie.

3. De beoordeling

In conventie

3.1 Op grond van de tussen partijen op 22 februari 2002 totstandgekomen schriftelijke koopovereenkomst met betrekking tot het toen nog aan [A.] c.s. in eigendom toebehorende onroerende zaak rustten op [A.] c.s. de verplichting genoemde onroerende zaak aan [L.] c.s. te leveren. [A.] c.s. zijn tekortgeschoten in de nakoming van deze plicht tot levering doordat zij op 1 maart 2002 - de tussen partijen overeengekomen datum van levering - geen medewerking verleenden aan het transport van de verkochte onroerende zaak.

3.2 [A.] c.s. hadden op 16 januari 2002 genoemde onroerende zaak reeds verkocht aan het echtpaar [C.]. Uit de tussen [A.] c.s. en het echtpaar [C.] totstandgekomen koopovereenkomst vloeide eveneens een recht op levering van genoemde onroerende zaak voort. Uit deze constellatie volgde een situatie van twee botsende rechten op levering van de woning van [A.] c.s.. Op grond van het bepaalde in artikel 3:298 van het Burgerlijk Wetboek geldt in geval van botsende rechten op levering van één goed dat het oudere recht voor het jongere recht gaat. Het echtpaar [C.] had een ouder recht op levering dan [L.] c.s. Hierdoor waren [A.] c.s. genoodzaakt de genoemde onroerende zaak te leveren aan het echtpaar [C.]. Door zulks te doen schoten zij op 1 maart 2002 (de tussen [A.] c.s. en [L.] c.s. afgesproken leveringsdatum) te kort in de nakoming van hun leveringsverplichting jegens [L.] c.s.

3.2 [A.] c.s. verweren zich door te stellen dat zij meenden geheel vrij te zij om de koopovereenkomst met [L.] c.s. te sluiten. In kort geding heeft de Voorzieningenrechter van deze rechtbank bij vonnis van 14 maart 2002 geoordeeld dat tussen [A.] c.s. en het echtpaar [C.] een rechtsgeldige koopovereenkomst met betrekking tot voornoemde woning aan [adres] tot stand is gekomen. Dit oordeel van de Voorzieningenrechter staat evenwel in de onderhavige procedure niet ter (her)beoordeling van de rechtbank, zodat dit verweer als zijnde niet relevant dient te worden verworpen.

3.3 Voorts voeren [A.] c.s. verweer door te stellen dat in verband met de beoordeling van de onderhavige vordering in conventie de omstandigheden van belang zijn, waaronder de tekortkoming van [A.] c.s. jegens [L.] c.s. (waarop de vordering in conventie is gebaseerd) tot stand is gekomen. Ter adstructie van deze omstandigheden verwijzen [A.] c.s. naar voornoemd kort geding tussen [A.] c.s. en het echtpaar [C.] en de in die procedure ingebrachte gedingstukken. [A.] c.s. stellen dat uit genoemde gedingstukken blijkt dat [A.] c.s. goede reden hadden om aan te nemen dat zij niet meer gebonden waren aan het echtpaar [C.]. Dit verweer draagt hetzelfde lot als het hiervoor onder 3.2. Het verweer dient derhalve te worden verworpen.

3.4 De rechtbank is voorts van oordeel dat genoemde tekortkoming aan [A.] c.s. kan worden toegerekend. Door op 22 februari 2002 met [L.] c.s. een koopovereenkomst met betrekking tot genoemde onroerende zaak te sluiten, terwijl zij op 16 januari 2002 reeds een koopovereenkomst terzake hetzelfde object hadden gesloten, hebben [A.] c.s. een situatie geschapen die zij aan zichzelf te wijten hebben. [A.] c.s. stellen dat zij geen schuld hebben aan het feit dat niet aan [L.] c.s. kon worden geleverd. Daarbij verwijzen [A.] c.s. naar omstandigheden die in voornoemd kort geding aan de orde werden gesteld. Deze omstandigheden hebben alle betrekking op de vraag of op 16 januari 2002 tussen [A.] c.s. en het echtpaar [C.] een koopovereenkomst met betrekking tot de genoemde onroerende zaak tot stand is gekomen, welke vraag niet in de onderhavige procedure ter beoordeling staat. Het verweer dient dan ook te worden verworpen.

3.5 Daar (verder) geen (terzake relevante) feiten of omstandigheden zijn gesteld aangaande de niet-toerekenbaarheid van de door [A.] c.s. jegens [L.] c.s. gepleegde tekortkoming en dienaangaande geen aanbod is gedaan strekkende tot bewijs daarvan, is de rechtbank van oordeel dat in casu sprake is van wanprestatie gepleegd door [A.] c.s. jegens [L.] c.s. Ingevolge artikel 6:74 lid 1 juncto artikel 6:75 van het Burgerlijk Wetboek had het, bij het gevoerde overmachtverweer, op de weg van [A.] c.s. gelegen feiten en omstandigheden, aangaande de vermeende overmachtsituatie te stellen en te bewijzen.

3.6 In de tussen partijen op 16 januari 2002 tot stand gekomen koopovereenkomst is in artikel 14 lid 2 onder b een zogenoemde boeteclausule opgenomen. De rechtbank is, op grond van het vorenoverwogene en de inhoud van de gedingstukken, van oordeel dat aan de in de genoemde boeteclausule gestelde voorwaarden is voldaan. De vordering van [L.] c.s. dient dan ook te worden toegewezen - nu ook in reconventie niet anders wordt geoordeeld - terwijl [A.] c.s. als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure moet dragen.

In reconventie

3.7 In reconventie vorderen [A.] c.s. matiging van de bedongen boete tot een bedrag van €Euro 8.000,--. Ter beoordeling van de door [A.] c.s. verzochte matiging van de boete dient de litigieuze boeteclausule te worden uitgelegd.

3.8 De rechtbank is van oordeel dat de in artikel 14 lid 2 onder b van de koopovereenkomst bedongen boete (10% van de koopsom) verschuldigd is bij elke tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst, daaronder begrepen een tekortkoming die grond geeft voor algehele ontbinding van de overeenkomst.

3.9 Daar de onderhavige boeteclausule één bedrag bevat voor vele, mogelijk sterk uitelkaar lopende tekortkomingen, ligt het volgens HR 13 februari 1998, NJ 1998, 725 voor de hand dat in beginsel de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de rechter gebruik maakt van zijn bevoegdheid tot matiging. Daarbij geldt als billijkheidsmaatstaf: de ernst van de tekortkoming waardoor de boete is verbeurd in verhouding tot de schade die daardoor is veroorzaakt.

3.10 Zoals hiervoor overwogen is in dit geval van belang de ernst van de door [A.] c.s. jegens [L.] c.s. gepleegde wanprestatie. [A.] c.s. schieten tekort in de nakoming van de op hun rustende verplichting tot levering van de door [L.] c.s. gekochte onroerende zaak. Levering van de onroerende zaak betreft de hoofdverplichting die op [A.] c.s. rustten. Daarnaast betreft het in casu geen tijdelijke tekortkoming dan wel een niet-tijdige tekortkoming. Doordat [A.] c.s. hun toenmalige woning op grond van een dubbele verkoop van de onroerende zaak aan het echtpaar [C.] hebben geleverd, hebben zij zich in een situatie gemanoeuvreerd waarin nakoming van hun leveringsplicht (hoofdverplichting uit de koopovereenkomst) blijvend onmogelijk werd. Daardoor werd het voor [L.] c.s. onmogelijk nog langer nakoming te eisen van de levering en konden zij enkel de overeenkomst algeheel ontbinden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in casu sprake is van een ernstige wanprestatie gepleegd door [A.] c.s.

3.11 De rechtbank is voorts van oordeel dat de schade ontstaan door de wanprestatie van [A.] c.s. niet in een wanverhouding staat tot de omvang van de bedongen boete. Bij deze afweging tussen de omvang van de schade en de hoogte van de boete doet zich het probleem voor dat de omvang van de schade in casu niet vast staat. Omtrent de omvang van de schade kan echter het volgende worden vastgesteld. Tussen partijen is onderhandeld over de mogelijkheid de zaak in der minne te schikken. Daarbij zijn over en weer voorstellen gedaan tot vergoeding van de schade. Hoewel de schade in casu aldus niet vast staat, geven de onderhandelingen die tussen partijen hebben plaatsgevonden wel een voldoende indicatie omtrent de hoogte van de schade. [A.] c.s. hebben in genoemde onderhandeling op enig moment een aanbod tot schadevergoeding gedaan van Euro 8.000,--. De rechtbank is van oordeel dat dit bedrag (Euro€ 8.000,--) niet van een zodanige omvang is dat kan worden gesproken van een buitensporige discrepantie tussen de schade en de bedongen boete (€Euro 16.350,--).

3.12 [A.] c.s. voeren voorts als omstandigheid, die in hun ogen kan leiden tot matiging van de boete, voor het overige nog aan dat [L.] c.s. uitdrukkelijk hebben aangegeven in der minne tot een regeling te willen komen en niet zonder meer te staan op betaling van het volledige boetebedrag. [A.] c.s. stellen dat [L.] c.s. in strijd met de goede trouw met [A.] c.s. hebben onderhandeld over vergoeding van de kosten. De rechtbank acht het feit dat tussen partijen onderhandelingen hebben plaatsgevonden geen relevante omstandigheid die kan leiden tot matiging van de boete.

3.13 Uit het enkele feit dat partijen met elkaar in onderhandelingen traden omtrent de hoogte van de vergoeding, mogen Abertz c.s. voorts niet afleiden dat [L.] c.s. daarmee afstand hebben gedaan van hun recht zich op de boeteclausule te beroepen. [L.] c.s. hebben duidelijk aangegeven dat de onderhandelingen bedoeld waren om het tussen hen en [A.] c.s. gerezen geschil met betrekking tot het door [L.] c.s. gedane beroep op de boeteclausule in der minne - dat wil zeggen zonder rechterlijke tussenkomst - te willen schikken. Daaruit mogen [A.] c.s. niet concluderen dat door in onderhandeling te treden over de omvang van de vergoeding een geheel andere situatie is ontstaan. Indien immers de onderhandelingen - zoals in casu het geval was - mislukken, heeft zulks niet zonder meer tot gevolg dat daarmee het zwaard van de boeteclausule niet meer boven de schuldenaar hangt. Van afstand van recht, in de zin van het tenietgaan van de verbintenis tot betaling van de boete, kan slechts sprake zijn in een situatie waarin op grond van het bepaalde in artikel 6:160 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek een overeenkomst tussen schuldeiser en schuldenaar tot stand gekomen is. Uit de stellingen van [A.] c.s. blijkt niet dat in casu een dergelijke overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen is. Ten slotte hebben [A.] c.s. ook niet gesteld noch bewezen dat tijdens de onderhandelingen op enig moment een situatie is ontstaan waarbij op grond van de eisen van de precontractuele goede trouw [L.] c.s. niet zonder het ontstaan van bepaalde rechtsgevolgen de onderhandelingen eenzijdig mochten afbreken dan wel voor [L.] c.s. een zogenoemde dooronderhandelingsplicht bestond.

3.14 Het vorenoverwogene in aanmerking nemende acht de rechtbank in dit geval geen plaats voor matiging van de boete, zodat het door [A.] c.s. in reconventie gevorderde dient te worden afgewezen. Als de het ongelijk gestelde partij dienen [A.] c.s. te worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4. De uitspraak

De rechtbank:

In conventie:

veroordeelt [A.] c.s. hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [L.] c.s. te betalen een bedrag van Euro€ 16.530, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [A.] c.s. om een [L.] c.s. te betalen de buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand ten bedrage van € Euro 635,30, vermeerderd met de wettelijke rechte hierover vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

verstaat dat Alberts c.s. reeds €Euro 8.000 aan [L.] c.s. hebben betaald, waarin begrepen Euro€ 700,-- terzake buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [A.] c.s. in de kosten van de procedure aan de zijde van [L.] c.s. gevallen en tot op heden begroot op:

kosten exploot € Euro 77,56

vast recht € Euro 325,00

salaris procureur Euro€ 780,00;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

In reconventie

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [A.] c.s. in de kosten van de procedure aan de zijde van [L.] c.s. gevallen en tot op heden begroot op € Euro 390,-- voor salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bergmans, vice-president, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.