Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF3872

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
04-02-2003
Zaaknummer
72584 - HA ZA 02-140
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 29 januari 2003

Zaaknummer : 72584 / HA ZA 02-140

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

de Onderlinge Waarborgmaatschappij RZG zorgverzekeraar U.A.,

gevestigd te Groningen,

eiseres,

procureur mr. A.H. Odekerken-Holtkamp;

tegen:

de openbare rechtspersoon UITVOERINGSINSTITUUT WERKNEMERSVERZEKERINGEN (UWV), gevestigd te Amsterdam, rechtsopvolgster van de besloten vennootschap USZO b.v., gevestigd te Heerlen,

gedaagde,

procureur mr. E.H.M.H. Prickartz.

1. Het verloop van de procedure

De zaak is bij vonnis d.d. 21 november 2001 onder nummer 95732 door de kantonrechter te Heerlen verwezen naar de rechtbank te Maastricht.

Eiseres heeft bij naar de dagvaarding verwijzende conclusie van eis gesteld en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. Bij conclusie van eis zijn drie producties overgelegd. Gedaagde heeft daarna onder het overleggen van drie producties geantwoord.

Daarop heeft eiseres gerepliceerd en gedaagde heeft geconcludeerd voor dupliek.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende gemotiveerd betwist, staat tussen partijen het volgende vast.

Op verzoek van mevrouw [XXX.], verder te noemen [XXX.], kent gedaagde haar bij beschikking van 9 oktober 1997 een vergoeding toe op basis van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet voor de aanschaf- en voedingskosten van een blindengeleidehond. Overeengekomen wordt dat zij de hond in bruikleen krijgt en de eigendom bij gedaagde blijft.

Op 22 oktober 1997 laat [XXX.] de blindengeleidehond, die zij omstreeks 17 oktober 1997 gekregen heeft, aangelijnd uit. De hond wordt afgeleid door een andere hond en rent plotseling naar de overkant van de weg, waardoor [XXX.] ten val komt en haar heup breekt. Na een heupvervangende operatie, kreeg zij een eerste hartaanval en bij de derde hartaanval is zij overleden. Eiseres heeft als ziekekostenverzekeraar de medische kosten, voortvloeiend uit het ongeval, ten behoeve van [XXX.] vergoed.

2.2 Eiseres stelt dat gedaagde als bezitter van de hond op basis van artikel 6:179 van het Burgerlijk Wetboek, verder te noemen BW, aansprakelijk is voor alle uit het ongeval voortvloeiende schade en wil de door haar vergoede kosten op gedaagde verhalen.

2.3 Eiseres vordert hiertoe gedaagde bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te veroordelen om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van f 9.807,91, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2001 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede de in de toekomst nog te lijden schade, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening. Tevens vordert zij gedaagde te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente daarover indien gedaagde deze kosten niet binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis heeft voldaan.

2.4 Gedaagde stelt dat in casu sprake is van een bruikleenovereenkomst en haar aansprakelijkheid dientengevolge beoordeeld moet worden aan de hand van artikel 7A:1790 BW. Dit artikel bepaalt dat de uitlener die een gebrekkige zaak uitleent waardoor schade ontstaat alleen aansprakelijk is voor de schade van de bruiklener als hij het gebrek kende en de gebruiker niet daarvan in kennis heeft gesteld.

Volgens gedaagde is dit artikel met uitsluiting van artikel 6:179 BW van toepassing omdat de strekking van artikel 7A:1790 BW zich verzet tegen de toepasselijkheid van de onrechtmatige daad-bepalingen van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek voor zover die uitgaan van een verdere aansprakelijkheid voor de gebreken van een uitgeleende zaak.

2.5 Voorts stelt eiseres dat het beroep van gedaagde op artikel 7A:1790 BW teneinde de aansprakelijkheid te beperken in strijd is met de redelijkheid en de billijkheid, omdat de hond dankzij een wettelijke regeling kon worden verkregen, het doel van deze voorziening inhield verbetering van de levensomstandigheden, USZO zelf heeft gekozen voor de constructie van overdracht van eigendom naar USZO zelf en de gevolgen van het verkrijgen van de blindengeleidehond.

Gedaagde betwist dit gemotiveerd.

2.6 Tenslotte -voor zover thans van belang- stelt eiseres dat gedaagde de bezitter en mevrouw [XXX.] de houdster van de blindengeleidehond was, zodat gedaagde -kort gezegd- aansprakelijk is voor de door deze hond aan [XXX.] toegebrachte schade, hetgeen gedaagde gemotiveerd betwist.

3. De beoordeling

3.1 Het gaat in deze allereerst om de vraag of er sprake is van samenloop van artikel 7A:1790 BW als bijzondere regel inzake de contractuele verplichting van een bruikleengever met de regels inzake onrechtmatige daad waardoor artikel 7A:1790 BW de toepasselijkheid van de wettelijke bepalingen inzake aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad in de verhouding bruikleengever - bruikleennemer uitsluit.

Artikel 7A:1790 BW heeft de strekking heeft om de aansprakelijkheid van de bruikleengever voor schade veroorzaakt door een gebrek in de uitgeleende zaak te beperken vanwege het bijzondere karakter van de overeenkomst van bruikleen, te weten dat van een overeenkomst om niet.

De rechtbank is van oordeel dat het gedrag van de blindengeleidehond op 22 oktober 1997 is aan te merken als een gebrek. Immers, van een als blindengeleidehond getrainde hond mag worden verwacht -niettegenstaande de eigen energie die aan iedere hond eigen is- dat hij zich niet laat afleiden van zijn geleerde taak van het begeleiden van een blinde door de aanwezigheid van een andere hond.

Vast staat dat gedaagde de hond heeft uitgeleend aan [XXX.] met als doel als blindengeleidehond te fungeren.

Door eiseres is gesteld noch is gebleken dat enig ander feit dan gemeld gebrek van de uitgeleende hond oorzaak van de val van [XXX.] is geweest.

De strekking van het bepaalde in artikel 7A:1790 BW brengt met zich mee dat deze bepaling met uitsluiting van andere bepalingen -in deze 6:179 en 6:162 BW- van toepassing is, voor zover deze andere bepalingen uitgaan van een verdergaande aansprakelijkheid voor gebreken van een zaak.

3.2 Toepassing van artikel 7A:1790 BW is naar het oordeel van de rechtbank naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar, aangezien de omstandigheden van het geval daar geen aanleiding toe geven.

3.3 Door het niet van toepassing zijn van artikel 7:179 BW behoeft de vraag betreffende bezit en houderschap van de hond geen bespreking meer.

3.4 Al het vorenstaande brengt met zich mee dat de vordering dient te worden afgewezen en dat eiseres als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure moet dragen.

4. De uitspraak

De rechtbank:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt eiseres in de kosten van de procedure aan de zijde van gedaagde gevallen en tot heden begroot op Euro€ 193,- aan griffierechten enEuro€ 662,- aan salaris procureur.

Dit vonnis is gewezen door mr. Huinen, coördinerend vice-president en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

RvdV