Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF3834

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
04-02-2003
Zaaknummer
66410 - HA ZA 01-546
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 29 januari 2003

Zaaknummer : 66410 / HA ZA 01-546

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[Mevrouw D.],

wonende te Maastricht,

eiseres,

procureur mr. N.M.I. Bastiaans;

tegen:

1. de rechtspersoon naar publiekrecht ACADEMISCH ZIEKENHUIS MAASTRICHT,

gevestigd te Maastricht,

gedaagde sub 1,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen;

2. [De heer, mevrouw S.],

wonende te Eijsden,

gedaagde sub 2,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen;

3. [De heer, mevrouw J.],

wonende te Eindhoven,

gedaagde sub 3,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen;

4. [De heer, mevrouw H.],

wonende te Maastricht,

gedaagde sub 4,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen.

1. Het verdere verloop van de procedure

Ter voldoening aan het tussenvonnis van 21 november 2002 - waarvan de inhoud als hier ingelast moet worden beschouwd - heeft eiseres een akte houdende uitlating genomen. Gedaagden hebben ter gelijke rolle eveneens een akte genomen, zulks onder overlegging van een productie.

Ten slotte hebben gedaagden de stukken overgelegd voor vonnis en hebben partijen wederom vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Eiseres heeft naast het verschaffen van informatie waarom bij vonnis van 21 november 2002 werd verzocht, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte tot uitgangspunt zou nemen of er door gedaagden volgens de regels der kunst is gehandeld, omdat het er om gaat of er is gehandeld volgens de in Nederland algeheel geaccepteerde protocollen of om de vraag of het beleid van de arts voldoet aan de maatstaven die aan een redelijk bekwaam en redelijk handelend arts mogen worden gesteld. Dat standpunt moet echter worden verworpen, omdat de vraag of lege artis is gehandeld dient te worden geconcretiseerd. Deze concretisering kan bestaan in de hantering van een van de twee door eiseres opgesomde criteria.

2.2 In haar akte heeft gedaagde harerzijds allereerst uitvoerig de juistheid betwist van het oordeel van de rechtbank, dat bewezen is dat gedaagde ten gevolge van de ten processe bedoelde val een fractuur een botje aan de rechterpink alsmede een breuk aan het linker middenvoetsbeentje heeft opgelopen. Gedaagde heeft daartoe allereerst gesteld dat de enige verklaringen die tot bewijs daarvan zijn afgelegd, zijn afgelegd door partijgetuigen, nu de echtgenoot van eiseres ook als partijgetuige moet worden beschouwd. Naast de verklaringen van deze, volgens gedaagde, partijgetuige is er geen aanvullend bewijs.

2.3 Daargelaten dat gedaagdes stelling, dat de echtgenoot van eiseres moet worden beschouwd als een partijgetuige en derhalve diens verklaring niet kan dienen als aanvullend bewijs ten aanzien van de verklaring van eiseres als partijgetuige, geen steun vindt in het recht (zie onder meer Hoge Raad: 29 december 1995, NJ' 96, 303), dient de stelling van gedaagde ook te worden gepasseerd om de volgende reden. Het impliciete oordeel van de rechtbank dat de verklaring van eiseres' echtgenoot niet moet worden beschouwd als een partijgetuigeverklaring kan door gedaagde slechts door een tegen dat oordeel te richten rechtsmiddel aan de orde worden gesteld.

2.4 Gedaagde heeft verder gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat gedaagde niets tegen de verklaringen van eiseres en haar echtgenoot, afgelegd als getuigen, heeft ingebracht, en op grond daarvan bewezen heeft geoordeeld dat eiseres bij haar eerste behandeling op 28 augustus 1999 en bij de tweede behandeling op 6 september 1999 heeft geklaagd over pijn in haar hand en voet. Gedaagde heeft bij akte een verklaring, gedateerd 26 september 2002, van een radioloog uit het Maaslandziekenhuis te Sittard overgelegd. Deze heeft daarin gerapporteerd naar aanleiding van een op 21 oktober 1999 uitgevoerd onderzoek. Uit diens verslag blijkt volgens gedaagde dat er totaal geen bewijs is van enige fractuur van de voet of de hand. Er wordt slechts vermeld dat er "geen recent traumatische botletsels" aan de rechterpink zijn vastgesteld. Ten aanzien van de linkervoet wordt door de radioloog een voorbehoud gemaakt voor een fractuur zonder verplaatsing ter hoogte van de basis van MT3, maar deze vraagt zich ten zeerste af of dit wel recent is. De radioloog vraagt zich voorts af of er niet sprake is van een andere afwijking, bijvoorbeeld een onderliggende cyste of een oude fractuur. Er bestaat dus volgens de radioloog grote twijfel over de vraag of er tijdens de ten processe bedoelde val een (niet gedisloceerde) fractuur aan de linkervoet is opgelopen.

2.5 Gedaagde stelt dat zij vorenbedoeld stuk pas zeer recentelijk heeft ontvangen in het kader van de tuchtprocedure waarin eiseres dat verslag (eindelijk) heeft ingebracht. De rechtbank acht gelet op datum van het rapport van de radioloog - 26 september 2002 - aannemelijk dat gedaagde pas over die informatie kon beschikken nadat zij haar beslissing om geen contra-enquête te verzoeken reeds kenbaar had gemaakt. Nu dat rapport gerede twijfel doet rijzen omtrent de juistheid van de verklaring van eiseres, dat uit foto's die in Sittard zijn genomen, is gebleken dat zij een middenvoetsbeentje heeft gebroken en uit een CT-scan is gebleken dat er een botsplinter in de pink zit, is de rechtbank van oordeel dat zij terug dient te komen op haar oordeel dat bewezen is dat eiseres bij de ten processe bedoelde val een fractuur van een botje aan de rechterpink en een breuk aan het linker middenvoetsbeentje heeft opgelopen. Immers, de voormelde omstandigheden maken het voorshands onaanvaardbaar dat de rechtbank gebonden zou zijn haar eerder oordeel omtrent het bewijs (vergelijk Hoge Raad: 14 december 2001, NJ' 02, 57).

2.6 De rechtbank begrijpt dat gedaagde door het in het geding brengen van voormelde rapportage van de radioloog op voet van Hoge Raad, 13 september 1996, NJ' 96, 731, heropening van de enquête verzoekt. Onder voormelde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat dit verzoek gehonoreerd dient te worden.

2.7 In het door partijen over en weer gestelde vindt de rechtbank aanleiding een comparitie van partijen te gelasten teneinde inlichtingen te verkrijgen en een regeling te beproeven. De rechtbank wil ter comparitie in elk geval aan de orde stellen of gedaagde in contra-enquête getuigen wil horen, dan wel of er een deskundige benoemd dient te worden die de betreffende foto's dient te raadplegen. Eiseres zal zich dienen uit te laten over de bij de akte gevoegde verklaring van de radioloog en over de vraag of zij toestemming wenst te geven om de betreffende foto's vrij te geven.

2.8 Alle nog niet overgelegde bescheiden waarop partijen zich ter comparitie willen beroepen dienen ten minste acht dagen vóór de comparitie aan de rechtbank en in afschrift aan de wederpartij te zijn overgelegd.

2.9 Met partijen kan dan tevens worden overlegd over het eventueel doen verrichten van een deskundigenonderzoek, indien daartoe aanleiding mocht blijken te bestaan.

2.10 De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

3. De uitspraak

De rechtbank:

gelast partijen, eiseres in persoon en gedaagde sub 1 rechtsgeldig vertegenwoordigd door een persoon die van de zaak op de hoogte is en gemachtigd om een regeling te treffen, desgewenst vergezeld van hun raadslieden, te verschijnen ter terechtzitting van deze rechtbank tot het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een regeling;

bepaalt dat deze comparitie van partijen zal plaatsvinden in een van de zalen van het gerechtsgebouw aan het St. Annadal 1 te Maastricht op een na opgave van de verhinderdata van partijen door de rechter nader te bepalen dag en uur;

bepaalt verder dat alle nog niet overgelegde bescheiden waarop partijen zich ter comparitie willen beroepen uiterlijk acht dagen voor de comparitiedatum aan de rechtbank en in afschrift aan de wederpartij dienen te worden overgelegd;

verwijst de zaak naar de rol van 19 februari 2003 met ambtshalve peremptoirstelling om partijen de gelegenheid te geven hun verhinderdata in de eerste vier maanden vanaf de datum van opgave op te geven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Sijmonsma, rechter, en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

MT