Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF3710

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-01-2003
Datum publicatie
24-02-2003
Zaaknummer
AWB 02 / 1053 BELEI I
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In art. 7.2 Uitkeringsreglement opgenomen termijn voor indienen aanvraag is niet onredelijk.

Afwijzing aanvraag individuele uitkering op grond van art. 7.2 Uitkeringsreglement. Beleid. Verweerder heeft in redelijkheid in dit artikel een termijn voor het indienen van aanvragen op kunnen nemen, gelet op de geboden snelheid van de verdeling in verband met de leeftijd van de rechthebbenden. In de media is voorts uitdrukkelijk aangegeven dat een aanvraag vóór 1 januari 2002 moest worden ingediend. Nu gesteld noch gebleken is dat eiser het aanvraagformulier aangetekend heeft verzonden, heeft hij, blijkens de uitspraak van de ABRS van 2 september 1996 (AB 1997, 51), in beginsel het risico aanvaard dat het formulier te laat bij voornoemd bureau wordt ingediend. Dat hier niet het argument van de openbare orde speelt omdat de in art. 7.2 opgenomen termijn ten faveure van de gerechtigden strekt, doet aan het vorenstaande niets af, omdat bedoelde uitspraak van de ABRS ziet op de verzending van poststukken in het algemeen. Geen verschoonbare termijnoverschrijding.

Een beroep op de in art. 6 Uitkeringsreglement neergelegde hardheidsclausule kan mitsdien evenmin slagen. Ongegrond beroep.

Het bestuur van de Stichting Maror-gelden Overheid te Amsterdam, verweerder.

mr. M.C.A.E. van Binnebeke

Uitkeringsreglement individuele Uitkeringen Stichting Maror-gelden Overheid 1.j, 1.k, 1.l, 2, 6, 7.1, 7.2

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 02/1053 BELEI I

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A, wonende te B, eiser,

en

Het bestuur van de Stichting Maror-gelden Overheid, gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 10 juni 2002.

Kenmerk: Maror/FvM/195/bg/229.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 10 juni 2002 heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser tegen zijn –verweerders– besluit van 14 februari 2002 ongegrond verklaard.

Eiser heeft bij schrijven van 16 juli 2002 van zijn gemachtigde bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen het besluit van 10 juni 2002. Dat beroepschrift is bij schrijven van 12 augustus 2002 van eisers gemachtigde nader aangevuld.

Namens verweerder is bij schrijven van 18 september 2002 een verweerschrift ingediend. Dat verweerschrift en de zijdens verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden.

De inhoud van de gedingstukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

II. OVERWEGINGEN.

Voorgeschiedenis:

Op verzoek van de Nederlandse regering is vanaf 1997 door vijf onafhankelijke commissies onderzoek gedaan naar de zogenaamde “Tegoeden Tweede Wereldoorlog”. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen van deze commissies kwamen aan het begin van 2000 beschikbaar. Een van de hoofdaanbevelingen vormde een oproep aan de regering om een bedrag ter beschikking te stellen ten behoeve van de Joodse Gemeenschap.

De regering heeft op de conclusies en hoofdaanbevelingen gereageerd en een bedrag beschikbaar gesteld dat bedoeld is om finaal recht te doen aan de kritiek op de bejegening van de betrokken vervolgingsslachtoffers in het rechtsherstel en de gevolgen die dat heeft gehad voor hun verder bestaan.

Het door de regering ter beschikking gestelde bedrag bedraagt –in totaal– 350 miljoen gulden. Dit bedrag is bestemd voor uitkeringen ten behoeve van collectieve doelen en voor individuele uitkeringen.

De verdeling van de individuele uitkeringen is voorbereid door een werkgroep. Een commissie uit die werkgroep heeft de uitgangspunten geschetst voor voornoemde verdeling en die van projectgelden.

Ten behoeve van het beheer en de verdeling van de door de regering beschikbaar gestelde gelden is de Stichting Maror-gelden Overheid opgericht. Het bestuur van die stichting (verweerder) heeft de regels voor de bepaling van aanspraken op een individuele uitkering neergelegd in het “Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Maror-gelden Overheid” (hierna te noemen: het Uitkeringsreglement).

De Stichting Maror-gelden Overheid wordt bij de coördinatie en verwerking van aanvragen voor een uitkering bijgestaan door het Bureau Maror-gelden.

Het, voor deze zaak relevante, wettelijk kader:

Ingevolge artikel 7, lid 1, van het Uitkeringsreglement kunnen belanghebbenden respectievelijk hun plaatsvervangers bij het Bureau Maror-gelden middels een daartoe opgesteld aanvraagformulier een aanvraag indienen voor een (deel)unit.

Het tweede lid van voornoemd artikel bepaalt dat het aanvraagformulier vóór 1 januari 2002 ingevuld en ondertekend bij het Bureau Maror-gelden moet zijn ingediend en dat verweerder kan besluiten om die termijn te verlengen tot 1 januari 2003.

In artikel 1, onder k, van het Uitkeringsreglement wordt het begrip “unit” gedefinieerd als een uitkering ten laste van het uitdelingsvermogen individuele uitkeringen, waarvan de hoogte wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van het Uitkeringsreglement. De hoogte van een unit is, blijkens laatstgenoemd artikel, onder andere afhankelijk van het aantal aanvragen en de hoogte van het uitdelingsvermogen individuele uitkeringen.

Een “deelunit” is, blijkens artikel 1, onder l, van het Uitkeringsreglement het evenredige gedeelte van een unit waarop een plaatsvervanger die een unit met (een) andere plaatsvervanger(s) dient te delen, recht heeft.

Als belanghebbenden in de zin van het Uitkeringsreglement worden, blijkens artikel 2, van dat reglement, beschouwd:

a) de natuurlijke personen, geboren vóór 8 mei 1945 uit tenminste één Joodse ouder en twee Joodse grootouders aan de kant van de betreffende ouder, alsmede

b) de natuurlijke personen, geboren vóór 8 mei 1945, die wegens hun Joods-zijn in of vanuit Nederland zijn vervolgd dan wel beroofd, voorzover deze onder a) en b) bedoelde personen gedurende de periode van de Tweede Wereldoorlog enige tijd woonplaats binnen het Koninkrijk in Nederland hadden en op 8 mei 1945 nog in leven waren.

Onder de “periode van de Tweede Wereldoorlog” wordt blijkens artikel 1, onder j, van het Uitkeringsreglement verstaan: de periode van 10 mei 1940 tot 8 mei 1945.

Artikel 6 van het Uitkeringsreglement bevat een hardheidsclausule, inhoudende dat verweerder in bijzondere gevallen tegemoet kan komen aan onbillijkheden van overwegende aard, die zich naar zijn oordeel bij toepassing van deze regeling mochten voordoen.

Feiten en omstandigheden in deze zaak:

Eiser heeft bij het Bureau Maror-gelden een aanvraagformulier als genoemd in artikel 7, lid 1, van het Uitkeringsreglement ingediend.

Op dat formulier heeft eiser –voorzover thans van belang– aangegeven dat hij op 27 juli 1936 is geboren, dat hij gedurende de periode van 10 mei 1940 tot 8 mei 1945 permanent of enige tijd in Nederland woonachtig is geweest, dat hij is geboren uit tenminste één joodse ouder en twee joodse grootouders aan de zijde van die joodse ouder en dat hij wegens zijn Joods-zijn in of vanuit Nederland is vervolgd dan wel beroofd.

Blijkens dat formulier heeft eiser het op 27 december 2001 ondertekend.

Bij besluit van 14 februari 2002 heeft verweerder aan eiser bericht dat zijn –eisers– aanvraag om een individuele uitkering op grond van artikel 7, lid 2, van het Uitkeringsreglement wordt afgewezen, nu die aanvraag eerst op 4 februari 2002, en dus niet vóór 1 januari 2002, bij het Bureau Maror-gelden is ingediend en geen feiten en/of omstandigheden zijn gebleken die aanleiding geven de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

Aangezien eiser zich met dat besluit niet heeft kunnen verenigen, heeft hij daar bij schrijven van 20 februari 2002 –tijdig– bij verweerder een bezwaarschrift tegen ingediend.

Bij besluit van 10 juni 2002 heeft verweerder eisers bezwaarschrift kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft zich met dat besluit evenmin kunnen verenigen, weshalve hij er bij schrijven van 16 juli 2002 van zijn gemachtigde –tijdig– bij deze rechtbank beroep tegen heeft ingesteld. Dat beroepschrift is bij schrijven van 12 augustus 2002 van de gemachtigde van eiser nader aangevuld.

In beroep is namens eiser aangevoerd dat het besluit waarbij hem een uitkering is geweigerd, alsmede de beslissing op bezwaar niet in stand kunnen blijven, omdat –kort gezegd– eerstgenoemd besluit in strijd is met de doelstelling van verweerders stichting, de termijnoverschrijding verschoonbaar is, verweerders stichting heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel en zij bovendien niet doelmatig en efficiënt heeft gehandeld. Tenslotte is nog namens eiser aangevoerd dat verweerder zijn –eisers– beroep op de hardheidsclausule ten onrechte niet heeft gehonoreerd.

De beoordeling:

In dit geding staat de vraag centraal of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten om eisers aanvraag om een individuele uitkering op grond van artikel 7, lid 2, van het Uitkeringsreglement af te wijzen.

In dat kader dient allereerst beoordeeld te worden of de in voornoemd artikel voor het indienen van aanvragen gestelde termijn als zodanig onredelijk moet worden aangemerkt, dat verweerder eiser reeds om die reden daar niet aan mocht houden.

Blijkens de toelichting op het Uitkeringsreglement heeft de werkgroep die de individuele verdeling heeft voorbereid als uitgangspunten genomen dat –voorzover thans van belang– snelheid geboden is waar het gaat om uitkeringen aan overlevenden van de Tweede Wereldoorlog en dat gezien de leeftijd van vele gerechtigden –zo mogelijk– het hoogst mogelijke bedrag in één ronde aan individuen moet worden uitbetaald.

Dit laatste uitgangspunt heeft, zo heeft verweerder –onweersproken– gesteld, met zich meegebracht dat er zo snel mogelijk duidelijkheid moest worden verkregen over de hoogte van de units. Het is vanaf het begin af aan duidelijk geweest dat er tenminste twee verdelingsronden zouden plaatsvinden, waarbij de tweede ronde bedoeld was om het resterende bedrag te verdelen over de aanvragers. Een te lange indieningstermijn zou, aldus nog steeds verweerder, tot gevolg hebben gehad dat de laatste verdelingsronde lang op zich zou laten wachten, hetgeen de snelheid van de verdeling niet ten goede zou zijn gekomen en het gevaar met zich meebracht dat de rechthebbenden inmiddels waren overleden.

De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder met het oog op het hierboven nader omschreven belang niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de bij artikel 7, lid 2, van het Uitvoeringsreglement genoemde termijn op te nemen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals verweerder –onweersproken– heeft gesteld, in de landelijke dagbladen alsmede in diverse regionale en gemeentelijke huis-aan-huisbladen veelvuldig is gewezen op het bestaan van het Uitkeringsreglement en de mogelijkheid om een uitkering aan te vragen en dat daarbij uitdrukkelijk is aangegeven dat een daartoe strekkende aanvraag vóór 1 januari 2002 moest worden ingediend.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of verweerder de overschrijding van de in artikel 7, lid 2, van het Uitvoeringsreglement gestelde termijn door eiser verschoonbaar heeft moeten achten. Daarbij dient te worden opgemerkt dat dit reglement, nu het niet is gebaseerd op enige aan verweerder toegekende regelgevende bevoegdheid, moet worden aangemerkt als een samenstel van beleidsregels, zodat verweerder niet ontslagen is van de verplichting om van geval tot geval te bezien of er bijzondere omstandigheden zijn, die ertoe nopen om van het Uitkeringsreglement af te wijken.

Terzake dient allereerst te worden opgemerkt dat verweerder geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid ex artikel 7, lid 2, van het Uitvoeringsreglement om de termijn voor het indienen van de aanvraagformulieren te verlengen tot 1 januari 2003 en dat geen omstandigheden zijn gebleken op basis waarvan eiser er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat verweerder hiertoe wel heeft besloten.

Eiser stelt dat hij het aanvraagformulier op 27 december 2001 heeft ondertekend en gepost.

Verweerder stelt dat dit aanvraagformulier eerst op 4 februari 2002 door het Bureau Maror-gelden is ontvangen.

Nu gesteld noch gebleken is dat eiser het aanvraagformulier aangetekend heeft verzonden, heeft hij, blijkens de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 september 1996 (AB 1997, 51), in beginsel het risico aanvaard dat het formulier te laat bij voornoemd bureau wordt ingediend. Eisers stelling dat hier, anders dan ingeval van een normale termijn(overschrijding), niet het argument van de openbare orde speelt omdat de in artikel 7, lid 2, van het Uitvoeringsreglement opgenomen termijn ten faveure van de gerechtigden strekt, doet aan het vorenstaande niets af, omdat de hierboven nader genoemde uitspraak ziet op de verzending van poststukken in het algemeen en dus niet, waar eiser –naar de rechtbank begrijpt– op doelt, op bezwaar- en beroepschriften in het bijzonder.

Het vorenstaande brengt mee dat de door verweerder naar voren gebrachte stelling dat eisers aanvraagformulier eerst op 4 februari 2002 door het Bureau Maror-gelden is ontvangen, alleen dan ter zijde gesteld kan worden indien eiser aannemelijk maakt dat zijn aanvraagformulier eerder door voornoemd bureau is ontvangen. Hierin is eiser niet geslaagd. Dat hem eerst in een zeer laat stadium ter ore is gekomen dat hij bij verweerder een uitkering kon aanvragen, doet aan het vorenstaande niets aan af, omdat er, zoals reeds vermeld, veelvuldig in landelijke dagbladen alsmede in diverse regionale en gemeentelijke huis-aan-huisbladen aandacht is geschonken aan het Uitkeringsreglement en de daarin opgenomen indieningstermijn. Het feit dat eiser in Limburg woonachtig is, kan hem om bovengenoemde reden evenmin baten.

Voorzover eiser heeft gesteld dat iedereen die tot de doelgroep behoort gelijkelijk moet worden behandeld, merkt de rechtbank op dat in dit geding niet aannemelijk is geworden dat eiser anders is behandeld dan een ander wiens aanvraagformulier ook na 1 januari 2002 door het Bureau Maror-gelden is ontvangen.

Voor het overige heeft eiser geen bijzondere persoonlijke omstandigheden gesteld op basis waarvan geoordeeld moet worden dat de betreffende termijnoverschrijding verschoonbaar is.

Gelet op het vorenstaande, alsmede gelet op het feit dat aan de overige door eiser aangevoerde omstandigheden niet het gewicht kan worden toegekend dat hij daaraan wenst toe te kennen, is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 7, lid 2, van het Uitvoeringsreglement gestelde termijn niet onredelijk is en dat de overschrijding van die termijn door eiser niet verschoonbaar is. Een beroep op de in artikel 6 van het Uitkeringsreglement neergelegde hardheidsclausule kan mitsdien evenmin slagen. Verweerder heeft mitsdien terecht en op goede gronden besloten om eisers aanvraag om een individuele uitkering op grond van artikel 7, lid 2, van het Uitvoeringsreglement af te wijzen. Het namens eiser ingestelde beroep is dan ook ongegrond.

Nu op grond van het vorenstaande voortzetting van het onderzoek niet nodig is, sluit de rechtbank op grond van artikel 8:54 van de Awb het onderzoek.

Mitsdien wordt onder toepassing van artikel 8:54 en artikel 8:70 van de Awb beslist als aangegeven in rubriek III.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke in tegenwoordigheid van mr. J.A.L. Devoi als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2003

w.g. J. Devoi w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift,

de wnd. griffier,

Verzonden op: 23 januari 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel van verzet open bij de rechtbank Maastricht. De termijn voor het doen van verzet bedraagt zes weken

na de datum van verzending van deze uitspraak. Bij indiening van het verzetschrift kan de indiener vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.