Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF3707

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
31-01-2003
Zaaknummer
56275 / HA ZA 00-416
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 29 januari 2003

Zaaknummer : 56275 / HA ZA 00-416

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[De heer M.],

en

[Mevrouw M.],

echtelieden, beiden wonende te Heerlen,

eisers,

procureur mr. S.A.M. Bakker;

tegen:

[De heer S.],

en

[Mevrouw W.],

echtelieden, beiden wonende te Heerlen,

gedaagden,

procureur mr. L.M.L. Kleintjens.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1 Ter voldoening aan de in het tussenvonnis van 24 januari 2002 verstrekte bewijsopdracht heeft [Eiser] vier getuigen doen horen. [Gedaagde] heeft in contra-enquête twee getuigen doen horen. Van deze getuigenverhoren is proces-verbaal opgemaakt dat zich bij de stukken bevindt.

1.2 Ten slotte hebben partijen wederom vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. De verdere beoordeling

2.1 Bij voormeld vonnis, waarbij de rechtbank volhardt, werd [Eiser] toegelaten om door alle middelen rechtens, allereerst door middel van getuigen te bewijzen,

- dat het balkon aan de voor- en achterzijde van de litigieuze woning ten tijde van de (ver)koop van die woning, te weten op 25 februari 1998, zodanig verrot was dat dit niet (meer) als zodanig op verantwoorde wijze kon worden gebruikt.

2.2 De rechtbank is van oordeel dat [Eiser] geslaagd is in het leveren van het bewijs. Zij baseert dit oordeel op grond van het hierna volgende.

2.2.1 De getuige [H.] heeft verklaard:

"Ik heb als schade-expert t.b.v. [Eiser] een rapport opgemaakt… (…...)

Ook nu ik als getuige wordt gehoord onder ede blijf ik bij de inhoud van dat rapport.(...…)

U vraagt mij wanneer ik als expert het betrokken pand in ogenschouw heb genomen. Ik weet dit nu niet meer exact maar uit het rapport blijkt, eerste pagina bovenaan, dat dit geweest moet zijn op 29 januari 1999. (…...) U vraagt mij of het balkon dat ik bekeken heb zodanig verrot was dat het balkon niet meer als zodanig op verantwoorde wijze kon worden gebruikt. Ik verklaar u dat het door mij onderzochte balkon toe was aan vervanging. Je kon er wel op lopen maar veel meer dan dat moest je er maar niet mee doen. Het balkon betreden met 10 personen tegelijk zoals u net stelt, kon je maar beter achterwege laten. (…...)"

2.2.2 De getuige [F.] heeft verklaard:

"De eerste bezichtiging van de woning heeft volgens mij plaatsgevonden korte tijd nadat [Eiser] het pand in augustus 1998 had betrokken. Vervolgens ben ik door [Eiser] een tijd later gevraagd om eens naar het balkon te komen kijken omdat dat balkon volgens [Eiser] bewoog. Ik ben toen gaan kijken en heb vervolgens een balpen in een draagbalk van het balkon gestoken welke draagbalk zich bevindt bij de garagepoorten van de woning. Hieruit concludeerde ik dat de balk verrot was en is er vervolgens meteen daarna een stut onder die balk geplaatst. Dit is in ieder geval datgene zoals het in mijn herinnering heeft plaastgevonden.

(...…)..….het steken van de balpen in de betrokken draagbalk waarover ik hiervoor heb verklaard moet (...…) hebben plaatsgevonden op een tijdstip gelegen kort voordat de bouwstut onder het balkon werd geplaatst in week 38 van het jaar 1999. Ik heb ook geconstateerd dat toen planken die op het balkon lagen en waarover gelopen diende te worden door rot waren aangetast. Ik heb toen veel planken bekeken en ik heb in mijn offerte (bijlage 1 bij productie 3 conclusie van eis) hierover opmerkingen gemaakt. (…...) U vraagt mij of ik het mogelijk acht dat de door mij geconstateerde houtrot aan het balkon eerst is opgetreden in de periode gelegen tussen februari 1998 en het moment waarop ik het balkon bekeek. Ik verklaar u dat dit niet het geval kan zijn geweest met name omdat ik constateerde dat hier en daar gaten met plamuur cq. stopverf of iets dergelijks waren gedicht waarna daar overheen geverfd was.Ook de omvang die het rottingsproces had aangenomen kan niet in bedoeld kort tijdsbestek hebben plaatsgevonden. De door mij geconstateerde rot aan het balkon brengt mij tot de conclusie dat het balkon daardoor niet meer op een verantwoorde wijze was te gebruiken.(…...)"

2.2.3 De in contra-enquete gehoorde getuige [K.] heeft verklaard:

"In 1995/1996 was ik als projectleider werkzaam bij schildersbedrijf [X.] Stein B.V. Ik heb in die tijd van de heer [Gedaagde] een prijsaanvrage gekregen voor het uitvoeren van het buitenschilderwerk aan zijn woning gelegen aan [adres]. (…...) Nadat ik van [Gedaagde] opdracht heb gekregen hebben wij het schilderwerk uitgevoerd.. Ik heb toen geconstateerd dat er aan 1 balk, die zich bevindt indien je naar het balkon kijkt aan de rechterzijde, daar waar de balk de muur in gaat, sprake was van houtrot. Wij hebben die houtrot toen verwijderd en de balk bijgewerkt met zg. 2 componentenmateriaal. Daarna hebben wij de balk, alsmede het gehele balkon geschilderd. Behoudens de houtrot hiervoor genoemd, hebben wij aan het balkon geen verdere rotting geconstateerd. Het balkon maakte toen op mij een stabiele indruk. (…...)

"Ik heb afgelopen zomer (2002) het in deze zaak bedoelde balkon op verzoek van de heer [Gedaagde] bekeken.(...…) Ik heb toen aan het balkon inderdaad houtrot kunnen vaststellen, en wel aan de houten liggers, waarop het balkon rust, alsmede op de vloerdelen waaruit het balkon verder is samengesteld. Deze [houtrot] concentreerde zich op plaatsen waar schroeven waren gebruikt."

2.2.4 De partijgetuige [Eiser] heeft verklaard:

"Ten tijde van de aankoop van het pand omstreeks februari 1998 heb ik aan de balkons niets bemerkt. Deze balkons waren toen keurig geschilderd. Het pand is door ons betrokken op 13 augustus 1998. Ook toen heb ik aan de balkons niets geconstateerd. Dat deed ik wel in de daarop volgende periode en wel in de periode van twee maanden na het betrekken van de woning. (…...)....op zeker moment constateerde ik dat een balk van het balkon aan de voorkant bij de deur doorgezakt was. (…...) Nadat het afbladderingsproces een tijd had voortgeduurd zag ik dat de balkons steeds verder wegzakten.Bij het begin van bedoeld proces kon ik al vaststellen dat planken van de balkons aan de onderzijde van de lat waren aangetast door houtrot. Ik heb op zeker moment Marcel [F.] een offerte laten maken terzake vervanging cq. herstel van de balkons…. Voorafgaande aan het uitbrengen van die offerte, ik meen dat het eind 1998 is geweest maar zeker weten doe ik dat niet, heeft [F.] de balkons bekeken.Dat gebeurde nadat dhr. [H.] reeds was geweest. [F.] heeft toen verklaard dat volgens hem het langer betreden van die balkons onverantwoord was omdat men dwars door de planken van de balkons kon steken en een balk was doorgerot. [F.] heeft toen met een contactsleutel van een auto bedoeld doorsteken gedemonstreerd.(...…) Ik heb in de periode tussen aankoop van de woning en mijn constateringen terzake de houtrot van het balkon alsmede de constateringen gedaan door [F.] en het voorval mbt het afbreken van twee palen aan de balustrade van het balkon, geen werkzaamheden aan het balkon verricht of laten verrichten en evenmin hebben ik of mijn huisgenoten of anderen het balkon gebruikt op een wijze die de door mij bedoelde houtrot ten gevolge zou kunnen hebben gehad."

2.3 Het aldus door [Eiser] geleverde bewijs leidt tot het oordeel dat [Eiser] met betrekking tot de in deze zaak bedoelde balkons niet datgene heeft gekregen wat hij op grond van de door [Gedaagde] gegeven garantie, zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.8 van het vonnis van 24 januari 2002, mocht verwachten en heeft [Eiser] te dier zake dan ook recht op vergoeding van het aldus geleden nadeel.

2.4 Dat nadeel wordt door de rechtbank met toepassing van het bepaalde bij artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek als volgt geschat met gebruikmaking van bronnen die niet, danwel in onvoldoende mate, zijn betwist:

Uitgangspunt vormt de offerte van MF Montage- en Onderhoudsbedrijf

van 6.10.1999 bezien in samenhang met het rapport [H.]

d.d. 10 mei 1999 en diens aanvullend schrijven d.d.3 augustus 1999 Euro € 10.673,83

Hierop past de rechtbank een correctiefactor toe

in verband met "nieuw voor oud" die door de rechtbank in navolging

van het rapport [H.] wordt gesteld op 2/3 deel van het

offertebedrag -/- €Euro 7.115,89

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

€ Euro 3.557,94

Dit bedrag te vermeerderen met:

de kosten voor het plaatsen van een bouwstut Euro € 123,88

50% van de kosten van het expertiserapport Euro 207,95

--------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

Totaalbedrag Euro € 3.889,77

Voornoemd totaalbedrag zal als nadeelvergoeding aan [Eiser] worden toegewezen. Voor het overige zal de gevorderde schadevergoeding worden afgewezen

2.5 Het vorenstaande brengt met zich dat nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld de rechtbank de kosten tussen hen zal compenseren in dier voege dat elke partij haar eigen kosten zal dienen te dragen.

3. De uitspraak

De rechtbank:

verklaart voor recht dat [Gedaagde] gehouden is tot betaling van de door [Eiser] ten gevolge van toerekenbare tekortkoming geleden schade;

veroordeelt [Gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [Eiser] te betalen een bedrag van Euro 3.889,77, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 april 2000 tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit vonnis, behoudens ten aanzien van de gegeven verklaring voor recht, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Laumen, rechter,

en ter openbare terechtzitting uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.