Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF3661

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
01-05-2003
Zaaknummer
AWB 02/884 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 02/884 WVG

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiser] te [woonplaats], eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Sittard-Geleen, gevestigd te Sittard, verweerder.

Datum bestreden besluit: 2 mei 2002.

Kenmerk: 211142 A I/43 111440.

Behandeling ter zitting: donderdag 31 oktober 2002.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 2 mei 2002 heeft verweerder - onder meer – een namens eiser ingediend bezwaarschrift van 19 november 2001 tegen een door verweer-der genomen besluit van 15 oktober 2001 ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is namens eiser beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eisers gemachtigde gezonden.

Op 15 juli 2002 zijn de nadere gronden waarop het beroep berust bij de rechtbank ingediend.

Op 15 augustus 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Voormelde stukken zijn over en weer in kopie aan partijen toegezonden.

Overeenkomstig het namens eiser gedaan verzoek van 16 augustus 2002 heeft de rechtbank bij beschikking van 21 augustus 2002 bepaald dat de zaak met toepassing van artikel 8:52 van de Awb versneld wordt behandeld.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 31 oktober 2002, alwaar eiser is verschenen bij zijn gemachtigde mr. I.M. Etman, advocaat te Roermond, die vergezeld werd van eisers echtgenote. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. I. Haagmans.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat. De rechtbank heeft in het kader van dat vooronderzoek de ergonomisch adviseur R.V.J. Rameckers, verbonden aan Argonaut Limburg te Sittard, als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek. Deze deskundige heeft op 14 november 2002 verslag uitgebracht.

Bij brief van 19 november 2002 heeft verweerder een door E. Claus, verbonden aan het Instituut voor Revalidatievraagstukken, gegeven reactie d.d. 8 november 2002 op de rapportage van de ergotherapeute M. Simons d.d. 11 juni 2002 ingezonden.

Bij brief van 18 december 2002 heeft eisers gemachtigde op voormelde stukken gereageerd.

Bij brief van 18 december 2002 heeft verweerder nog nadere opmerkingen gemaakt.

Eisers gemachtigde heeft bij brief van 27 december 2002 eisers standpunt nader toegelicht.

Voormelde stukken zijn over en weer in kopie aan partijen toegezonden.

Nu partijen daarvoor toestemming hebben gegeven, heeft de rechtbank bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten, een en ander ingevolge het bepaalde in artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb.

II. OVERWEGINGEN.

A. De feiten.

Bij besluit van 14 december 2000 heeft verweerder eiser in het kader van de Wet voorzieningen gehandicapten (WVG) in aanmerking gebracht voor een scootmobiel, merk Fortress Giant NLX 12,

zulks op basis van adviezen van het Instituut voor Revalidatievraagstukken (IRV) te Hoensbroek en het Regionaal Indicatieorgaan (RIO) Westelijke Mijnstreek. Deze scootmobiel is in januari 2001 aan eiser verstrekt.

Eiser heeft verweerder op 22 juni 2001 verzocht hem een snellere scootmobiel met een betere vering te verstrekken. Met betrekking tot dat verzoek is op 30 augustus 2001 advies uitgebracht door H.S.A.M. Fincken, die als arts verbonden is aan het RIO. Naar aanleiding van een door hem afgelegd huisbezoek, dossieronderzoek en intercollegiaal overleg heeft de heer Fincken geadviseerd de vering van de huidige scootmobiel te laten beoordelen door het IRV.

Uit het door de ergotherapeute mevrouw E. Claus, verbonden aan het IRV, uitgebrachte advies van 4 september 2001 blijkt, dat eiser met zijn scootmobiel op het IRV is uitgenodigd alwaar zijn klachten en problemen zijn geïnventariseerd en geëvalueerd. Hierbij heeft eiser aangegeven rugklachten te ervaren en vermoeide armen door de schokken tijdens het rijden met de scootmobiel. Onderzocht is of de scootmobiel adequaat was voor eiser, rekening houdende met de klachten die hij op dat moment ervoer. Op basis van de ervaren klachten is er een contra-indicatie gesteld voor het verstrekken van een andere scootmobiel. Het advies van het IRV luidt dat de huidige scootmobiel voldoet. De scootmobiel heeft vering op het voorwiel en op de achterwielen. Ook de bredere luchtbanden geven extra vering.

Bij besluit van 15 oktober 2001 heeft verweerder eisers verzoek op basis van laatstgenoemd advies afgewezen, aangezien de snelheid van de huidige scootmobiel (12 km) adequaat is en de vering daarvan voldoende is. De scootmobiel is voorzien van vering op het voorwiel en de achterwielen.

Ook de bredere luchtbanden geven extra vering.

Namens eiser is tegen dat besluit bij brief van 19 november 2001 bezwaar gemaakt. Daarbij is de juistheid van het advies van de ergotherapeute van het IRV bestreden, die geadviseerd heeft dat de huidige scootmobiel van voldoende vering is voorzien. Bij brief van 21 november 2001 zijn de nadere gronden waarop het bezwaar berust bij verweerder ingediend. Daarbij is nog naar voren gebracht, dat eiser op het moment dat hem zijn huidige scootmobiel werd verstrekt ongeveer 55 kilo woog. Thans weegt hij minder dan 50 kilo. Eisers gewichtsafname en verminderde spierkracht leiden ertoe dat hij ieder hobbeltje voelt waar hij overheen rijdt, aangezien de vering onvoldoende is vanwege het gewicht dat eiser inmiddels heeft. Het is eiser bekend dat er scootmobielen bestaan met nog meer vering, zo-als de Sterling Diplomate.

Eiser en zijn gemachtigde zijn in de gelegenheid gesteld om op 17 april 2002 op het bezwaarschrift

te worden gehoord. Bij die gelegenheid heeft eiser zijn bezwaren tegen de snelheid van zijn huidige scootmobiel laten varen. Eisers echtgenote heeft aangegeven, dat de adviseur van het IRV haar heeft gezegd, dat de Sterling Diplomate de beste scootmobiel voor haar man was. Deze wordt aangepast aan het gewicht van de patiënt en heeft extra vering op het stuur en het achterwiel. De Sterling Diplomate zou volgens de adviseur het meest geschikt zijn voor personen die het schokken van het voer-tuig als probleem ervaren. Ook heeft deze adviseur toegezegd dat eiser de Sterling Diplomate 3 tot 4 weken bij wijze van proef ter beschikking zou worden gesteld. Zij ervaart het geheel als extra pijnlijk, nu zij heeft geconstateerd dat een buurman deze scootmobiel wél heeft gekregen, alleen maar vanwege het feit dat hij zich rechtstreeks tot de wethouder heeft gewend.

B. Het besluit.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser – voor zover dit de scootmobiel betreft – ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt dat, nu uit de adviezen van het RIO d.d. 30 augustus 2001 en het IRV d.d. 4 september 2001 blijkt op grond van welke gegevens deze adviezen tot stand zijn gekomen en welke procedure daarbij is gevolgd en nu gebleken is dat ook de behandelende sector hierover niet meer uitsluitsel kan bieden, die adviezen voldoen aan de eisen die uit een oogpunt van zorgvuldigheid daaraan te stellen zijn. Terecht en op goede gronden is besloten om eisers verzoek om in aanmerking te komen voor een scootmobiel met een betere vering af te wijzen.

C. Het beroep.

Eiser kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aangevoerd, dat het bezwaarschrift – voor zover gericht tegen de afwijzing van het verzoek tot toekenning van een scootmobiel met een betere vering – ten onrechte ongegrond is verklaard. De scootmobiel die verweerder eiser ter beschikking heeft gesteld is niet adequaat, omdat deze van te weinig vering

is voorzien. Verweerder heeft in het kader van de beslissing op bezwaar volstaan met verwijzing naar het eerdere advies van het IRV van 4 september 2001. Eiser betwist de juistheid van dit advies. Daaruit blijkt geenszins dat aandacht is besteed aan het feit dat eiser op het moment dat hem de scootmobiel werd verstrekt een hoger gewicht had dan op het moment dat hij opnieuw voor herbe-oordeling langskwam. Omdat verweerder in het kader van de bezwaarschriftprocedure niet een hernieuwd onderzoek heeft laten plaatsvinden, hetgeen eiser overigens onzorgvuldig acht, heeft eiser zelf een ergotherapeutische adviesrapportage laten opstellen. Uit de door de ergotherapeute M. Simons, verbonden aan verpleegkliniek Klevarie te Maastricht, opgemaakte rapportage van 11 juni 2002 blijkt dat door het lage gewicht van eiser (48 kilo) op de scootmobiel onvoldoende tegengewicht gegeven wordt op het moment dat hij schokken tijdens het rijden ervaart. Om een hobbel in de weg te kunnen overbruggen dient hij zich schrap te zetten om deze schokken op te kunnen vangen. Deze extra inspanning leidt al na enkele minuten rijden tot een vorm van kortademigheid waardoor eiser weer meer zuurstof nodig heeft. Hierdoor wordt een stresssituatie veroorzaakt waardoor eiser in een vicieuze cirkel terecht komt. In de rapportage wordt aangegeven dat aan de adequaatheid van de scootmobiel onvoldoende waarde is gehecht en dat hoewel de vering van de scootmobiel regulier is deze niet adequaat is voor eiser. Zij adviseert dan ook eisers scootmobiel te vervangen door een scootmobiel met een vering die aangepast is aan iemand met een gewicht van 48 kilo.

D. Het verweer.

In het verweerschrift heeft verweerder naar voren gebracht, dat de heer Fincken, als arts verbonden aan het RIO, op 15 augustus 2001 op huisbezoek is geweest, waarbij de situatie uitgebreid besproken is. Naar aanleiding van dit huisbezoek, dossieronderzoek en intercollegiaal overleg heeft de heer Fincken op 30 augustus 2001 geadviseerd de vering van de huidige scootmobiel te laten beoordelen door het IRV. Uit het door de ergotherapeute mevrouw Claus uitgebrachte advies van 4 september 2001 blijkt, dat eiser met zijn scootmobiel op het IRV is uitgenodigd alwaar zijn klachten en problemen zijn geïnventariseerd en geëvalueerd. Hierbij heeft eiser aangegeven rugklachten te ervaren en ver-moeide armen door de schokken tijdens het rijden met de scootmobiel. Onderzocht is of de scootmobiel adequaat was voor eiser, rekening houdende met de klachten die hij op dat moment ervoer. Op basis van de ervaren klachten is er een contra-indicatie gesteld voor het verstrekken van een andere scootmobiel. Het advies van het IRV luidt dat de huidige scootmobiel voldoet. De scootmobiel heeft vering op het voorwiel en op de achterwielen. Ook de bredere luchtbanden geven extra vering.

Bij brief van 19 november 2002 heeft verweerder de rechtbank laten weten, dat mevrouw Claus van het IRV van mening is, dat er ten opzichte van 2 augustus 2001 sprake is van een duidelijk slechtere situatie. Uitgaande van het huidige lichaamsgewicht van 48 kg en van de fysieke klachten concludeert mevrouw Claus dat er een zitprobleem is, waarvan de oplossing gezocht dient te worden in het aanpassen van de stoel (een individuele aanpassing van de zitondersteuning en de rugleuning) en niet in het vervangen van de scootmobiel, daar dit voor eiser onvoldoende oplossing zal bieden, nu er geen beduidend verschil zal zijn in de vering.

Door het aanpassen van de stoel door opvulling met een schokdempend materiaal (bijvoorbeeld Tempur Foam) en het aanpassen van de rugleuning kan het ervaren probleem worden opgelost.

Verweerder heeft daarom voorgesteld om de aanpassing van de stoel te laten realiseren.

Bij brief van 18 december 2002 heeft eisers gemachtigde op het voorgaande gereageerd. Zij heeft er daarbij op gewezen, dat in het aanvullend bezwaarschrift d.d. 21 november 2001 reeds gemeld is, dat het gewicht van eiser toen al minder was dan 50 kg en dat er sprake was van ondergewicht. Achteraf kan dus geconcludeerd worden dat verweerder ten onrechte in de bezwaarprocedure het standpunt heeft ingenomen dat de scootmobiel voldeed en dat zelfs nadere informatie niet ingewonnen hoefde te worden bij het IRV. Eisers gemachtigde heeft de ergotherapeute Simons voornoemd verzocht te reageren op het nader standpunt van mevrouw Claus voornoemd, als verwoord in haar brief van 8 november 2002. Uit haar reactie d.d. 4 december 2002 blijkt, dat zij de aanpassing van de scootmobiel in de vorm van een individuele zitoplossing een goed alternatief vindt ten opzichte van het vervangen van de huidige scootmobiel. Het probleem van eiser wordt op die manier op een adequate manier verholpen. Eiser staat open voor aanpassing van de huidige stoel teneinde te bezien of die aanpassing de door hem ervaren klachten voldoende kan opvangen. Het beroep dient dan ook gegrond verklaard te worden in die zin, dat verweerder zelf tot de conclusie is gekomen dat de scootmobiel voor zover het de stoel betreft niet als adequaat valt aan te merken.

Bij brief van 18 december 2002 heeft verweerder nog opgemerkt, dat in het aanvullend advies van het IRV van 8 november 2002 wordt geconcludeerd, dat er op dit moment ten opzichte van de beperkingensituatie van 2 augustus 2001 een duidelijk slechtere situatie is. Naar aanleiding van deze conclusie is dan ook geadviseerd om de stoel aan te passen. De vraag of de toegekende scootmobiel een adequate voorziening is voor de korte afstand, gelet op eisers gewicht dat tussen de 40 en 45 kilo is, kan echter geen betrekking hebben op de beroepsprocedure, maar kan slechts meegenomen worden in de nieuwe aanvraag.

Eisers gemachtigde heeft bij brief van 27 december 2002 aangevoerd, dat in het bezwaarschrift al is opgemerkt, dat er sprake was van ondergewicht en dat eiser toen al minder dan 50 kg woog. De gewichtsafname heeft zich in de loop der tijd weliswaar voortgezet, echter ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift is de daling van het gewicht al aan de orde gesteld.

E. De beoordeling.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de WVG draagt het gemeentebestuur zorg voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van in de gemeente woonachtige gehandicapten en stelt met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet daartoe regels vast bij verordening.

Ingevolge artikel 3 van de WVG biedt het gemeentebestuur verantwoorde voorzieningen aan.

Onder verantwoorde voorzieningen worden verstaan de voorzieningen die doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht worden verleend.

De Raad van de gemeente Sittard-Geleen heeft bij besluit van 10 mei 2001 de Verordening voorzie-ningen gehandicapten gemeente Sittard-Geleen 2001 vastgesteld, die met ingang van 1 januari 2001 in werking is getreden.

Op grond van artikel 3.1 van de Verordening kan de door burgemeester en wethouders te verstrekken vervoersvoorziening bestaan uit:

a. een collectief systeem van aanvullend al dan niet openbaar vervoer;

b. een voorziening in natura in de vorm van (onder meer) een scootmobiel.

Verweerder heeft eiser eertijds in aanmerking gebracht voor een scootmobiel als voormeld.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit geweigerd eiser op zijn daartoe strekkend verzoek een scootmobiel met een betere vering te verstrekken. Naar verweerders oordeel voldeed eisers scootmobiel ten tijde van het bestreden besluit aan de daaraan te stellen eisen.

Van de kant van eiser is daartegen ingebracht, dat de scootmobiel niet adequaat is, omdat deze van te weinig vering is voorzien. Door verweerder is geen aandacht besteed aan het feit dat eiser op het moment dat hem de scootmobiel werd verstrekt een hoger gewicht had dan op het moment dat hij opnieuw voor herbeoordeling langskwam. Uit de door de ergotherapeute Simons opgemaakte rapportage blijkt dat door het lage gewicht van eiser (48 kilo) op de scootmobiel onvoldoende tegengewicht gegeven wordt op het moment dat hij schokken tijdens het rijden ervaart.

Het onderhavig geding spitst zich toe op de vraag of de door verweerder verstrekte scootmobiel ten tijde van het bestreden besluit kon worden aangemerkt als een adequate voorziening, in aanmerking genomen het lage gewicht van eiser.

De rechtbank overweegt dienaangaande, dat bij de vraag in welke vorm en omvang een vervoers-voorziening voor een geïndiceerde in het kader van de WVG en de Verordening is aangewezen maatgevend is of van een in aanmerking komende voorziening gezegd kan worden, dat betrokkene binnen zijn naaste leefmilieu nog in aanvaardbare mate kan deelnemen aan het leven van alledag.

Op grond van de gedingstukken kan als vaststaand worden aangenomen, dat van de kant van eiser in het kader van de bezwaarprocedure is gewezen op het feit dat zijn lichaamsgewicht is afgenomen.

Naar aanleiding van dit bezwaar heeft verweerder geen nader onderzoek laten verrichten.

Na de beslissing op bezwaar is gebleken, dat eisers scootmobiel met het oog op het extreem lage gewicht van eiser aangepast dient te worden. Dit gegeven had verweerder ook reeds ten tijde van het bestreden besluit bekend kunnen zijn, indien verweerder in het kader van de voorbereiding van dat besluit een voldoende zorgvuldig onderzoek had laten verrichten. Verweerder heeft dit naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte nagelaten.

Hieruit volgt dat het onderzoek van verweerder naar een adequate vervoersvoorziening niet zorgvuldig is geweest. Het bestreden besluit komt dan ook wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb voor vernietiging in aanmerking.

Eisers beroep moet, gelet op het voorgaande, voor gegrond worden gehouden. De rechtbank zal dan ook het bestreden besluit vernietigen en bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen verweerders toezegging om de aanpassing van de stoel te laten realiseren.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de onderhavige procedures redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De rechtbank kent ter zake 2,5 punt met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indiening van het beroepschrift, de verschijning ter zitting en het geven van een schriftelijke zienswijze en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2,5 x € 322,-- x 1 = € 805,-.

De reiskosten van eisers echtgenote ten behoeve van de behandeling van het beroep ter zitting komen ingevolge het Bpb niet voor vergoeding in aanmerking.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. bepaalt, dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

3. bepaalt, dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,-- wordt vergoed door de gemeente Sittard-Geleen;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de onderhavige procedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 805,-- wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de gemeente Sittard-Geleen aan eiser.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Kavelaars als griffier

en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2003 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Kavelaars w.g. F.A.G.M. Vluggen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 29 januari 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.