Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF3660

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
01-05-2003
Zaaknummer
AWB 00/1183 NABW Z
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2003, 124
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 00/1183 NABW Z

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

[eiser] te [woonplaats], eiser,

en

burgemeester en wethouders van Meerssen, gevestigd te Meerssen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 23 juni 2000.

Kenmerk: soza/gh/66014.

Behandeling ter zitting: 18 oktober 2001 en 9 januari 2003.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 23 juni 2000, verzonden 8 augustus 2000, heeft verweerder de namens eiser ingediende bezwaarschriften tegen zijn besluiten van 2 december 1999 respectievelijk 11 februari 2000, verzonden 14 februari 2000, ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich hierbij geconformeerd aan het op 30 maart 2000 uitgebrachte advies van de Kamer sociale zaken van de intergemeentelijke commissie van advies voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften (verder: de commissie).

Tegen dit besluit is bij schrijven van 11 september 2000 is door mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, namens eiser ter griffie van deze rechtbank beroep ingesteld.

De door verweerder ter voldoening aan het bepaalde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het geding is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank op 18 oktober 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer voornoemd, en waar verweerder, daartoe opgeroepen, bij gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer W.M.J. Creusen en de heer W.H.A. Ottenheim.

De rechtbank heeft het beroep ter zitting gevoegd behandeld met de namens eiser ingestelde beroepen onder de nummers 00/999 NABW en 00/1184 NABW.

Met toepassing van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst voor een termijn van twee maanden, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen in het kader van de Algemene bijstandswet tot een oplossing te komen voor de financiële en maatschappelijke problematiek waarin eiser zich bevindt en zodoende tevens voor een regeling in der minnen in de onderhavige procedures.

Het voor 18 december 2001 geplande vervolg van het onderzoek ter zitting is op verzoek van partijen tot een nader te bepalen datum uitgesteld in verband met een op dat moment op handen zijnde oplossing voor de genoemde problematiek. Nadien hebben partijen de rechtbank diverse malen bericht over de voortgang van hun overleg.

Bij beschikking van 27 juni 2002 heeft de rechtbank bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat en in dat verband een onderzoek ter plaatse als bedoeld in artikel 8:50, eerste lid, van de Abw zal plaatsvinden, gevolgd door een inlichtingencomparitie als bedoeld in artikel 8:44, eerste lid, van de Abw.

Dit onderzoek ter plaats en de aansluitende comparitie hebben plaatsgevonden op 16 september 2002. De rechtbank heeft partijen bij die gelegenheid opgedragen binnen vier weken een standpunt in te nemen over de mogelijkheden om alsnog tot een regeling in der minne te komen.

Bij brieven van 4 en 22 oktober 2002 hebben de gemachtigde van eiser en verweerder hun respectievelijke standpunten uiteen gezet.

Op basis van deze brieven heeft de rechtbank geconcludeerd dat de ingeslagen weg geen verder vervolg kan hebben en heeft partijen bij brief van 30 oktober 2002 verzocht aan de rechtbank mee te delen of zij in de onderhavige procedures een nadere zitting wensen.

Verweerder heeft bij brief van 7 november 2002 te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan een nadere zitting. De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 29 november 2002 laten weten dat eiser wel een nadere zitting wenst.

In de loop van de hiervoor geschetste procedure zijn door beide partijen diverse stukken toegevoegd aan het dossier, welke stukken de rechtbank over en weer in afschrift aan partijen heeft gezonden.

Het geding is gevoegd met de overige twee procedures alsmede met de procedure onder nummer 00/1488 NABW behandeld ter nadere zitting van 9 januari 2003, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Brauer voornoemd, en waar verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door de heer G.J.H.M. Herberichs.

De rechtbank heeft de zaken na de zitting weer gesplitst en doet in de onderhavige procedure afzonderlijk uitspraak.

II. OVERWEGINGEN

II.1. De feiten

Aan de stukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.

II.1.1. Voorgeschiedenis

Eiser, geboren [datum] 1950, ontvangt sedert 1 april 1984 een bijstandsuitkering.

Bij besluit van 19 juli 1996 is de grondslag van deze uitkering getransformeerd naar het bepaalde in de (nieuwe) Algemene bijstandswet (Abw).

In deze beschikking is met toepassing van artikel 107, eerste lid, van de Abw eiser om redenen van sociale aard vrijgesteld van de in artikel 113, eerste lid, van de Abw neergelegde verplichtingen. Uit de aan dit besluit ten grondslag liggende ambtelijke rapportage volgt, dat aan dit aspect van het besluit van 19 juli 1996 de overweging ten grondslag heeft gelegen dat eiser van meet af aan niet als een reëel aanbod voor de arbeidsmarkt wordt gezien. In dat verband wordt geconstateerd dat eiser wegens zeer moeilijke bemiddelbaarheid is ingedeeld in de zogenaamde fase 4.

Op 26 oktober 1998 hebben verweerder en eiser een zogenaamd Contract individuele trajectbegeleiding Fase 0 ondertekend.

Dit contract heeft een looptijd van 12 maanden na de datum van ondertekening. In dit contract is vastgelegd dat eiser is ontheven van de arbeidsplicht, omdat hij vanwege “redenen van medische of sociale aard niet in staat is arbeid te verrichten”. Verder worden onder de navolgende bewoordingen een tweetal aanspraken voor eiser benoemd:

“[Eiser] heeft recht op dienstverlening door de produktgroep Sociale Zaken van de gemeente Meerssen.

Onder de voorwaarden zoals omschreven in de gemeentelijke verordening “premiebeleid en vrijlating inkomsten algemene bijstandswet gemeente Meerssen 1998” kan [eiser] aanspraak maken op een activiteitenpremie.”

Bij besluit van 13 april 1999 heeft verweerder aan eiser bericht dat zijn bijstandsuitkering ongewijzigd wordt voortgezet.

II.1.2. Feiten welke tot het thans bestreden besluit hebben geleid

Bij besluit van 2 december 1999 wordt eiser wederom bericht dat zijn bijstandsuitkering ongewijzigd wordt voortgezet.

Bij dit besluit is tevens een nieuw contract individuele trajectbegeleiding gevoegd. Eiser dient dit contract binnen één week ondertekend te retourneren.

Inhoudelijk wijkt dit contract slechts op één onderdeel af van het hiervoor genoemde contract: waar in het eerdere contract het recht op een activiteitenpremie is toegekend, is in het nieuwe contract een recht op de gedeeltelijke vrijlating van parttime inkomsten uit arbeid neergelegd op grond van de gemeentelijke verordening “vrijlating inkomsten Algemene bijstandswet gemeente Meerssen 1999”.

Namens eiser is bezwaar gemaakt tegen dit contract. Het bezwaar richt zich - zakelijk weergegeven - met name tegen de in het contract opgenomen fase-indeling alsmede tegen het gegeven dat dit contract eenzijdig door verweerder is opgesteld zonder dat met eiser overleg heeft plaatsgevonden over de inhoud hiervan.

Namens eiser wordt benadrukt dat eiser wel bereid is een contract te ondertekenen waarin de individuele trajectbegeleiding van eiser nader wordt geregeld.

Vervolgens bericht verweerder bij brief van 11 februari 2000, verzonden 14 februari 2000, aan de gemachtigde van eiser dat het besluit van 2 december 1999 in dier voege is herzien dat alsnog wordt afgezien van een nieuw contract.

Ook tegen dit herzieningsbesluit wordt namens eiser bezwaar gemaakt. Dit bezwaar richt zich - zakelijk weergegeven - tegen de omstandigheid dat thans in het geheel geen nieuw contract wordt opgesteld.

Eiser en zijn gemachtigde hebben dit bezwaarschrift nader toegelicht tijdens de hoorzitting op 30 maart 2000 van de commissie.

Hierbij heeft mr. Brauer, voornoemd, het bezwaar in die zin nader toegelicht dat de inspanningsverplichting van verweerder jegens eiser verder dient te gaan dan enkel de begeleiding van de bijstandsgerechtigde bij het voldoen van de aan de bijstand verbonden verplichtingen.

Van de zijde van verweerder is tijdens deze hoorzitting opgemerkt, dat de mogelijkheid wordt onderzocht door middel van een huisbezoek de gehele problematiek van eiser onder de loep te nemen.

II.2. Het bestreden besluit

In het thans bestreden besluit heeft verweerder zich, met overneming van genoemd advies van de commissie, op het standpunt gesteld dat met de intrekking van het besluit van 2 december 1999, voor zover dit het aangaan van het genoemde contract betreft, volledig aan de bezwaren in het bezwaarschrift van 9 december 1999 tegemoet is gekomen.

Verweerder is verder van mening dat ook aan het bezwaarschrift van 17 februari 2000 tegemoet is gekomen nu verweerder zijn besluit heeft doen baseren op de overweging dat eiser geheel is vrijgesteld van de verplichtingen ex artikel 113, eerste lid, van de Abw en een contract individuele trajectbegeleiding mitsdien in het geheel niet is verplicht.

Verweerder heeft de bezwaren ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

II.3. Het beroep

Zakelijk weergegeven is namens eiser aangevoerd, dat verweerder ten onrechte afziet van het opstellen van een trajectplan.

Ook eiser wenst uiteindelijk weer zelf in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, maar kan - gelet op zijn bijzonder specifieke persoonlijkheidsstructuur - alleen met hulp van verweerder uit de mede aan de gemeente Meerssen te wijten problematische situatie komen. Een trajectplan is daartoe een in de ogen van eiser geëigend middel.

II.4. De rechtsvraag

Gelet op de aangevoerde beroepsgrond ziet het onderhavige geschil uitsluitend op de vraag of verweerder terecht heeft kunnen concluderen dat met de intrekking van het oorspronkelijke trajectplan en het afzien van het vaststellen van een nieuw trajectplan geheel aan de bezwaren van eiser tegemoet is gekomen.

II.5. De beoordeling

II.5.1. Wet- en regelgeving

Indien ten behoeve van de belanghebbende een plan is opgesteld gericht op het vergroten van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, wordt dit ingevolge artikel 70, derde lid, van de Abw, zoals deze bepaling gold ten tijde van het thans bestreden besluit, opgenomen in een bijlage bij het besluit tot toekenning, of voortzetting van bijstand.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel, zoals ook deze bepaling gold ten tijde van het thans bestreden besluit, tekent de belanghebbende een exemplaar van de bijlage, bedoeld in het derde lid, voor gezien en verstrekt dit aan burgemeester en wethouders. De bijlage wordt tevens getekend door burgemeester en wethouders en, voor zover het betreft de onderdelen van het plan die door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden uitgevoerd, door die organisatie.

Met de wetswijziging per 1 januari 2002 benadrukt de wetgever in de enigszins gewijzigde tekst van deze bepalingen, dat burgemeester en wethouders een plan als hier bedoeld opstellen ter uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 111, eerste lid, van de Abw.

Op grond van artikel 111, eerste lid, van de Abw is de bijstand erop gericht de belanghebbende in staat te stellen zelfstandig in het bestaan te voorzien. Burgemeester en wethouders bevorderen dat de belanghebbende gebruik maakt van voorzieningen die bijdragen aan diens zelfstandige bestaansvoorziening. Zij dragen zorg voor voorlichting en bemiddeling die daartoe noodzakelijk zijn.

Uit de wetsgeschiedenis van artikel 70, derde en vierde lid, van de Abw volgt dat de wetgever aan de bijlage een besluitkarakter toekent indien en voor zover uit deze bijlage rechtsgevolgen voor de belanghebbende voortvloeien. De rechtbank verwijst daartoe naar de Kamerstukken II, 1994/1995, 22545, nr. 48, blz. 73, en (duidelijker) Kamerstukken II, 2000/2001, 27664, nr. 3, blzz. 12 en 14, en nr. 5, blzz. 26 en 57.

Van belang is verder dat uit de wetsgeschiedenis, welke ten grondslag ligt aan de wijziging per 1 januari 2002, blijkt dat de contractgedachte, tot uitdrukking komend in de voorbereiding van het trajectplan en de ondertekening door alle betrokken partijen, met name ziet op de wijze van totstandkoming van dit plan (Kamerstukken II, 2000/2001, 27664, nr. 5, blzz. 55 tot en met 57). De rechtbank ziet geen redenen om aan de bepaling zoals deze voor deze wetswijziging gold een meer beperkte uitleg te geven. In deze zin moet deze contractgedachte worden gezien als een nadere uitwerking van de in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsplicht.

II.5.2. Het trajectplan

De rechtbank stelt voorop, dat zo de onder II.4. geformuleerde vraag bevestigend wordt beantwoord eiser niet langer een procesbelang zou hebben gehad bij een inhoudelijk besluit op het bezwaarschrift en mitsdien niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Doordat verweerder eiser wel ontvankelijk en de beide bezwaarschriften vervolgens ongegrond heeft verklaard, heeft verweerder in strijd met 7:12, eerste lid, van de Awb gehandeld. Het bestreden besluit kan reeds op deze grond niet in stand blijven.

Naast het bovenstaande stelt de rechtbank als volgt vast. Het betreffende trajectplan bevatte in ieder geval een zogenaamde fase-indeling alsmede de aanspraak op gedeeltelijke vrijlating van inkomsten. Beide aspecten bevatten naar het oordeel van de rechtbank rechtsgevolgen, waarbij de rechtbank ten aanzien van de fase-indeling verwijst naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 november 1998, nr. 97/12213 ABW (JABW 1999/4).

Eiser richtte zich met zijn bezwaarschrift tegen de wijze van totstandkoming van het trajectplan, zoals dat als bijlage bij de beschikking van 2 december 1999 was gevoegd, en daarmee tegen de resultante van deze totstandkoming in het trajectplan als zodanig. Uit de gedingstukken kan niet worden afgeleid dat eiser geen trajectplan wenste, integendeel.

Het bestreden besluit kan ook in dit licht geen stand houden en wel wegens strijd met de artikelen 3:2, 7:11, eerste lid en 7:12, eerste lid, van de Awb.

Gelet op het bovenstaande zal verweerder met het opnieuw te nemen besluit op de beide bezwaarschriften niet kunnen volstaan met de enkele vaststelling dat eiser geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beslissing.

Verweerder zal zich alsnog een oordeel dienen te vormen over de wijze van totstandkoming van de primaire besluiten en in het licht van het aldus gevormde oordeel dienen te bepalen of en in welke zin alsnog een trajectplan moet worden vastgesteld. De rechtbank ziet in dit verband met name nog een belang voor eiser ten aanzien van de vraag of bij ontstentenis van het trajectplan als gevolg van de thans aangevochten besluitvorming eiser enig nadeel heeft gehad in het licht van de hierboven genoemde relevante rechtsgevolgen.

Het is ook deze omstandigheid die de rechtbank er van weerhoudt om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand dienen te blijven als bedoeld in artikel 8:72, derde lid, van de Awb dan wel zelf met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb in de zaak te voorzien.

II.5.4. Griffierecht

Gelet op de gegrondverklaring van het beroep is de gemeente Meerssen gehouden het door eiser betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. Dit griffierecht bedroeg ten tijde van de indiening van het beroep € 27,23 (¦ 60,--).

II.5.5. Proceskosten

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft in de eerste plaats betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2,5 punten toe met een waarde van € 322,-- per punt voor de indiening van het beroepschrift (1,0), de verschijning ter zitting (1,0) en de verschijning ter nadere zitting (0,5) en bepaalt het gewicht van de zaak op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2,5 x € 322,-- x 1,0 = € 805,--.

De rechtbank ziet geen aanleiding om punten toe te kennen voor het bijwonen van het onderzoek ter plaatse, omdat dit onderzoek is verricht in het kader van de procedure onder nummer 00/999 NABW. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om het berekende bedrag te matigen nu de problematiek waarop de gegrondverklaring betrekking heeft ook als afzonderlijke procedure gevoerd had kunnen worden.

Deze proceskostenveroordeling heeft in de tweede plaats betrekking op de door eiser gemaakte reiskosten, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank bepaalt het te vergoeden bedrag op 2 x € 3,15, zijnde het tarief voor de goedkoopste vorm van openbaar vervoer van [woonplaats] naar Maastricht v.v. in verband met het verschijnen door eiser ter zitting en ter nadere zitting.

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in artikelen 8:70 , 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De Rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. bepaalt dat verweerder opnieuw een beslissing neemt op de bezwaarschrift van 9 december 1999 en 17 februari 2000;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 27,23 wordt vergoed door de gemeente Meerssen;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 811,30, te betalen door de gemeente Meerssen aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. M.J.G.E. Wolters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2003

w.g. M. Wolters w.g. F. Vluggen

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 29 januari 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.