Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF3659

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
10-03-2003
Zaaknummer
AWB 00 / 1488 NABW Z
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2005:AT5413
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eisers aanvraag voor bijzondere bijstand in de kosten van de aanslag Verontreinigingsheffing Oppervlaktewateren 2000 ad € 114,08 (ƒ 251,40) afgewezen.

I.c. sprake van bijzondere omstandigheid a.b.i. art. 39.1 Abw.

Uitspraak bevestigd door Centrale Raad van Beroep; LJN AT5413

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2003, 73
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr.: AWB 00/1488 NABW Z

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in het geding tussen

A te B, eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Meerssen, gevestigd te Meerssen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 14 november 2000

Kenmerk: soza/20001017

Behandeling ter zitting: 9 januari 2003

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 14 november 2000 heeft verweerder het namens eiser ingediende bezwaarschrift van 26 juli 2000 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit is bij schrijven van 23 november 2000 namens eiser door mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, beroep ingesteld.

De door verweerder ter voldoening aan artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank op 9 januari 2003, alwaar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer G.J.H.M. Herberichs.

Het beroep is ter zitting gevoegd behandeld met de namens eiser ingestelde beroepen onder de nummers 00/999 NABW, 00/1183 NABW en 00/1184 NABW. De rechtbank heeft na de zitting de zaken gesplitst en doet in de onderhavige procedure afzonderlijk uitspraak.

II. OVERWEGINGEN

II.1. De feiten

Aan de stukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.

Verweerder heeft bij besluit van 14 juni 2000 eisers aanvraag voor bijzondere bijstand in de kosten van de aanslag Verontreinigingsheffing Oppervlaktewateren 2000 ad € 114,08 (ƒ 251,40) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eiser bij schrijven van 26 juli 2000 een bezwaarschrift ingediend. Op 7 september 2000 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

II.2. Het bestreden besluit

Bij het thans bestreden besluit van 14 november 2000 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Verweerder is van oordeel dat de kosten verbonden aan de aanslag Verontreinigingsheffing Oppervlaktewateren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan gerekend moeten worden, die in beginsel uit de van toepassing zijnde norm voor algemene bijstand dienen te worden voldaan.

De mogelijkheid tot verlening van bijzondere bijstand is, gelet op artikel 39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw), eerst dan aanwezig, indien bijzondere individuele omstandigheden tot hogere bestaanskosten leiden dan waarin het inkomen voorziet. Dit is in casu niet het geval. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

Het enkele feit dat iemand reeds geruime tijd een bijstandsuitkering ontvangt, kan niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Schulden dan wel het ontbreken van (voldoende) reserveringsruimte als gevolg daarvan, kunnen niet worden afgewenteld op de Abw. De door eiser aangevoerde persoonlijke problematiek doet hier niet aan af. In dit kader verwijst verweerder naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 2 november 1999 (JABW 2000/2) en 18 juli 2000 (JABW 2000/149).

Omtrent eisers grief dat hij te hoge woonlasten heeft, wordt opgemerkt dat hij, nu zijn woonlasten beneden de normhuur liggen, niet in aanmerking komt voor bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag. Het gegeven dat hieromtrent nog een procedure bij de rechtbank aanhangig is doet hier niet aan af.

Ten aanzien van eisers grief dat aan hem reeds 10 jaar geen kwijtschelding voor de gemeentelijke belastingen is verleend, verdient opmerking dat eiser daar conform het kwijtscheldingsbeleid niet voor in aanmerking komt, nu hij over een vermogen in de vorm van een aan hem toebehorende woning beschikt waarvan de waarde meer bedraagt dan € 1.361,34 (ƒ 3.000,--).

II.3. Het beroep

Eiser is op grond van de navolgende bijzondere omstandigheden van oordeel dat hij in aanmerking dient te komen voor de gevraagde bijzondere bijstand.

Er wordt reeds jaren door de gemeente Meerssen beslag gelegd op zijn uitkering, wegens ten onrechte opgelegde dwangsommen. De schuldenproblematiek is mede het gevolg van eisers persoonlijke problematiek en onrechtmatig overheidshandelen van de gemeente Meerssen.

Eiser is, mede als gevolg van zijn naar verhouding hoge woonlasten en de omstandigheid dat hij, ondanks het feit dat hij al meer dan 10 jaar bijstandsafhankelijk is, geen kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen krijgt, verarmd.

II.4. Het verweer

Uit telefonische navraag bij het Zuiveringsschap Limburg is gebleken dat aan eiser een vermindering van de aanslag 2000 is verleend van € 76,05 (ƒ 167,60), zodat een bedrag van €38,03 (ƒ 83,80) resteert.

II.5. De rechtsvraag

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het geding spitst zich daarbij toe op de vraag of verweerder terecht en op goede gronden de afwijzing van eisers aanvraag voor bijzondere bijstand in de kosten van de aanslag Verontreinigingsheffing Oppervlaktewateren 2000 ad € 114,08 (ƒ 251,40) heeft gehandhaafd.

II.6. De beoordeling

II.6.1. Wet- en regelgeving

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 6, aanhef en onder a, van de Abw wordt onder algemene bijstand verstaan de bijstand die wordt verstrekt ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

Op grond van artikel 39, eerste lid, van de Abw, zoals dat gold ten tijde van het thans bestreden besluit, heeft de alleenstaande of het gezin, onverminderd hoofdstuk II (de artikelen 7 tot en met 18), recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3 (de artikelen 29 tot en met 38), en de aanwezige draagkracht.

Ingevolge artikel 6, aanhef en onder b, van de Abw wordt onder bijzondere bijstand verstaan de bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet en die de aanwezige draagkracht te boven gaan.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Abw bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep op een voorliggende voorziening kan worden gedaan die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. In het derde lid is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid toegekend in afwijking van het eerste lid desondanks bijstand te verlenen indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn.

II.6.2. De aanslag Verontreinigingsheffing Oppervlaktewateren 2000

De rechtbank stelt voorop dat de bijstandsuitkering ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw dient ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat kosten van de aanslag behoren tot de periodiek voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten dienen dan ook in beginsel uit het inkomen ter hoogte van de van toepassing zijnde bijstandsnorm te worden voldaan, hetzij door reservering, hetzij door gespreide betaling achteraf. Afzonderlijke bijstandsverlening voor deze kosten is behoudens bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Abw, dan ook niet mogelijk.

De rechtbank is echter niet met verweerder van oordeel dat hetgeen namens eiser is aangevoerd niet als bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Abw kan worden aangemerkt. Zoals de rechtbank reeds in haar uitspraak van 28 september 1999, nr. 98/1831, heeft overwogen kan niet staande worden gehouden dat eiser heeft kunnen reserveren. Partijen hebben dit standpunt niet in hoger beroep bestreden.

De rechtbank stelt vast dat eiser ook ten tijde van belang in de onderhavige procedure bij voortduring over een inkomen beneden de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm beschikte. De in beginsel binnen een bijstandsuitkering beschikbare reserveringsruimte is naar het oordeel van de rechtbank pas weer ontstaan vanaf het moment dat het beslag op eisers uitkering is opgeheven.

Gelet op het bovenstaande kan het bestreden besluit geen stand houden. De rechtbank ziet echter op grond van de navolgende gronden aanleiding om te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

De rechtbank is van oordeel dat de aanwezigheid van een bijzondere omstandigheid in het onderhavige geval niet tot een recht op bijzondere bijstand kan leiden. Gelet op de mogelijkheid van (gedeeltelijke) kwijtschelding van de onderhavige heffing staat het imperatief geformuleerde artikel 17, eerste lid, van de Abw hieraan in de weg. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 17, derde lid, van de Abw is de rechtbank niet gebleken.

II.6.3. Griffierecht en proceskosten

Gelet op de gegrondverklaring van het beroep is de gemeente Meerssen gehouden het door eiser betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden. Dit griffierecht bedroeg ten tijde van de indiening van het beroep € 27,23 (ƒ 60,--).

Gelet op de hetgeen de rechtbank heeft overwogen onder II.6.2. ziet zij geen termen om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De Rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 27,23 wordt vergoed door de gemeente Meerssen.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. M.J.G.E. Wolters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2003

w.g. M. Wolters w.g. F. Vluggen

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 29 januari 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de President van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.