Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF3635

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
30-01-2003
Zaaknummer
70063 /HAZA 01-1061
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis : 29 januari 2003

Zaaknummer : 70063 / HA ZA 01-1061

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [M.],

eiseres in conventie en gedaagde in reconventie,

procureur mr. H.J.M. Stassen;

tegen:

[gedaagde],

wonende te [B.],

gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

procureur mr. L.W.M. Hendriks.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres in conventie, gedaagde in reconventie, hierna te noemen "de vrouw", heeft bij naar de dagvaarding verwijzende conclusie van eis gesteld en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. Bij conclusie van eis heeft de vrouw de gronden en de eis aangevuld en zijn producties overgelegd. Gedaagde in conventie, eiser in reconventie hierna te noemen "de man", heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord in conventie en geconcludeerd voor eis in reconventie.

Nadat de vrouw haar conclusie van antwoord in reconventie heeft genomen is op de voet van artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) een comparitie na antwoord gelast. Bij brief van haar procureur van 18 maart 2002 zijn door de vrouw stukken overgelegd ten behoeve van de comparitie. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

De vrouw heeft daarop gerepliceerd in conventie en bij akte in reconventie nog stukken overgelegd.

De (procureur van de) man heeft vervolgens een akte niet in staat genomen, waarna de vrouw heeft gevraagd recht op de stukken te doen.

De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1

Partijen zijn op 8 augustus 1969 te Beek in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

De vrouw heeft in april 1998 de man kortstondig verlaten. Op 4 september 1999 heeft de vrouw de man voorgoed verlaten. Vervolgens is tussen partijen op 28 september 2000 de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 30 oktober 2000 in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven.

2.2

Op genoemde datum van 4 september 1999 hebben partijen elk een eigen salarisrekening geopend en vanaf dat tijdstip een eigen huishouden gevoerd. Partijen hebben toen tevens het in Nederland aanwezige spaargeld verdeeld. Bij die gelegenheid hebben partijen daarnaast de kosten van levensonderhoud verdeeld en de vaste lasten verdeeld naar de verdeelsleutel 40% voor de vrouw en 60% voor de man.

De man heeft in overeenstemming met die regeling een overzicht gemaakt van te verrekenen posten.

2.3

In conventie:

Stellende dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap nog niet volledig is verdeeld, heeft de vrouw in deze procedure gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover de wet zulks toelaat:

I. vast te stellen de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen, voor zover nog niet verdeeld, met veroordeling van de man om daaraan zijn medewerking te verlenen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van fl. 1.000,- (€ 453,78) per dag of dagdeel dan wel per keer dat de man in gebreke blijft op enig onderdeel aan dat gebod te voldoen, in dier voege dat de rechtbank:

Ia. de man te veroordelen het spaargeld, bedoeld in het lichaam van de dagvaarding sub 3A, dat hij in mei 1998 aan de gemeenschap heeft onttrokken, wederom in de gemeenschap in te brengen, na vermindering met fl. 11.000,-- (€ 4.991,58), neerkomende op Bfrs. 293.835 (€ 7.283,98);

Ib. de man te veroordelen met de vrouw tot verdeling van het onder Ia bedoelde spaargeld over te gaan, en de man te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen het equivalent in Nederlandse guldens of in Euro van de helft van dat (alsdan wederom ingebrachte) bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente althans de contractuele bankrente over (het equivalent van) Bfrs. 502.304 (€ 12.451,79) over de periode van 2 juni 1998 tot 1 januari 1999 althans datum opname fl. 11.000,-- (€ 4.991,58), alsmede met de wettelijke rente, althans de contractuele bankrente over Bfrs. 293.835 (€ 7.283,98) over de periode van 1 januari 1999 althans datum opname fl. 11.000,-- (€ 4.991,58) tot de dag der algehele voldoening;

Ic. de man te veroordelen, binnen een in goede justitie te bepalen termijn en op straffe van verbeurte van de in de aanhef sub I gestelde dwangsom, gedocumenteerd volledige inzage te verstrekken in de in het lichaam van de dagvaarding sub 3B bedoelde kwestie van de op 20 juni 2000 overleden tante van de man;

Id. de man te veroordelen de sub Ic bedoelde erfenis of het legaat, mits per saldo positief van waarde, in de gemeenschap van partijen in te brengen en met de vrouw te verdelen door haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting de helft te voldoen van de waarde van de sub Ic bedoelde erfenis of legaat, zonodig onder benoeming van een deskundige die op kosten van de man aan de rechtbank over die waarde adviseert, bedoeld bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ingaande datum van ontvangst van de erfenis/legaat door de man tot de dag der algehele voldoening aan de vrouw;

Ie. de man te veroordelen ter zake de in het lichaam van de dagvaarding sub 3C bedoelde verrekenposten aan de vrouw tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen, zonder enig recht tot verrekening anderszins, het bedrag van fl. 69,41 (€ 31,50), althans het door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;

If. de man te veroordelen binnen een in goede justitie te bepalen termijn en op straffe van verbeurte van de in de aanhef sub I genoemde dwangsom aan de vrouw ter hand te stellen een kopie van alle dia's die in de gemeenschap vallen, alsmede voor recht te verklaren dat de kosten van het kopiëren door beide partijen, ieder voor de helft, dienen te worden gedragen;

Ig. primair:

de man te veroordelen, op de eerste daartoe strekkende afroep van de bij de echtscheidingsbeschikking benoemde boedelnotaris, zijn aandeel in het perceel bosgrond (beemd), kadastraal bekend Hellebroek, gemeente Nuth, sectie C, nummer 3792, juridisch te leveren aan de drie uit het huwelijk van partijen geboren kinderen, bij welke gelegenheid ook de vrouw haar zodanig aandeel aan de kinderen zal leveren, alsmede te bepalen dat beide partijen ieder de helft van de kosten van die eigendomsoverdracht zullen dragen en

Subsidiair indien het sub IG niet toewijsbaar mocht zijn:

voor recht te verklaren dat de vrouw voor de onverdeelde helft mede-eigenaar is van het perceel bosgrond (beemd), kadastraal bekend Hellebroek, gemeente Nuth, sectie C, nummer 3792;

II. te beslissen zoals de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

III. een en ander onder gelijktijdige veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

De vordering wordt door de man weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusies van antwoord en het proces-verbaal van de comparitie na antwoord.

2.4

In reconventie:

De man heeft op grond van het vorenstaande gevorderd:

1. de vrouw te veroordelen om binnen een in goede justitie te bepalen termijn en op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 453,78 per dag of dagdeel dan wel per keer dat de vrouw in gebreke blijft op enig onderdeel van dat gebod te voldoen, gedocumenteerd volledig inzage te verstrekken ter zake de erfenis van de vader van de vrouw, zijnde de schoonvader van de man;

2. de vrouw te veroordelen om de in sub 2.4.1 omschreven erfenis, mits per saldo positief van waarde, in de gemeenschap van partijen in te brengen en met de man te verdelen door hem tegen behoorlijk bewijs van kwijting de helft te voldoen van de waarde ervan, zonodig onder benoeming van een deskundige die op kosten van de vrouw de rechtbank over de waarde ervan adviseert, bedoeld bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover ingaande de datum van ontvangst van de erfenis door de vrouw tot de dag der algehele voldoening aan de man;

3. de vrouw te veroordelen om met de man over te gaan tot verdeling van het bedrag van fl. 4.784,12 (€ 2.170,93, alsmede met de wettelijke rente daarover over de periode vanaf 1 januari 1999 tot de dag der algehele voldoening, althans een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag;

4. de vrouw te veroordelen in de kosten van het geding.

De vordering wordt door de vrouw weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusies van antwoord en dupliek.

3. De beoordeling

3.1

In conventie en in reconventie:

Zowel de vorderingen in conventie als die in reconventie zijn erop gericht om te komen tot een volledige verdeling van de gemeenschap van goederen waarin partijen gehuwd zijn geweest. De rechtbank zal derhalve de vorderingen van partijen gelijktijdig behandelen.

3.2

De vrouw heeft aangevoerd dat de huwelijksgoederengemeenschap van partijen nog niet geheel verdeeld is. Volgens de vrouw is onverdeeld gebleven:

a. een geldsom van circa fl. 27.000,--;

b. een aan de man toegevallen erfenis van zijn tante [mevr. F.];

c. het door de man aan de vrouw te betalen bedrag van fl. 69,41, welk bedrag voortvloeit uit de hierboven onder 2.2 reeds genoemde som van fl.1.696,84, nadat daarop een aantal hierna onder 3.2.3 te noemen correcties zijn aangebracht;

d. een aantal van circa 2.500 stuks aan partijen toebehorende dia's;

e. een perceel bosgrond, zoals onder 2.3.Ig. al is aangeduid.

3.2.1 De geldsom van fl. 27.000,--.

De man heeft gesteld dat dit bedrag hem na het overlijden van zijn vader door zijn moeder is ter hand gesteld uit de nalatenschap van zijn vader. De man heeft deze stelling onderbouwd met een door zijn moeder op 15 november 2001 op schrift gestelde verklaring.

Partijen zijn het erover eens dat zij dit bedrag eind 1987 hebben gestort op de op beider naam gestelde bankrekening bij de ASLK-bank te Maaseik in België. De man heeft niet weersproken dat dit bedrag na opnames en bijgeboekte renten per 2 juni 1998 de somma van Bfrs. 502.304,-- (€ 12.451,79) beliep.

De man heeft medio juni 1998 het totale bedrag van deze rekening overgezet naar een rekening die op naam van zijn moeder stond. Nadien, in januari 1999, heeft de man, na aandringen van de vrouw, van dit spaargeld een bedrag van fl. 11.000,-- aan dochter Karen van partijen overhandigd om haar in staat te stellen daarmee haar bruiloft te betalen.

Na deze transactie is het resterend deel van de geldsom, zijnde Bfrs. 293.835,-- (€ 7.283,98) door de moeder van de man op een uitsluitend op naam van de man gestelde bankrekening overgemaakt.

De man heeft, onder overlegging van het door zijn vader opgemaakte testament, betoogd dat op grond van de testamentaire bepalingen dit, uit de nalatenschap van zijn vader ontvangen bedrag niet in enige huwelijksgemeenschap van de kinderen van de erflater kan vallen. Dit betekent dat dit spaargeld uit dien hoofde dus niet voor verdeling tussen de man en de vrouw in aanmerking kan komen.

De vrouw is van oordeel dat deze conclusie van de man niet juist is. De vrouw huldigt het standpunt dat deze geldsom, nu die gedurende ruim tien jaren tot het gemeenschappelijk vermogen van partijen heeft behoord, over welk gegeven tot mei 1998 tussen partijen nimmer discussie is geweest, deel uitmaakt van de te verdelen gemeenschap. Aanvullend stelt de vrouw dat dit ook al blijkt uit het feit dat de man van dit spaargeld fl. 11.000,-- heeft afgesplitst om het aan zijn dochter te geven ter bekostiging van de bruiloft.

Ter comparitie heeft de man staande gehouden dat dit geld niet gemeenschappelijk was en is. Het geld is uit practische overwegingen op de rekening bij de ASLK-bank op beider naam gezet, onder meer voor het geval dat, indien de man iets zou overkomen, de vrouw bevoegd zou zijn tot beheers- en beschikkingshandelingen ter zake deze geldsom.

De rechtbank verwerpt de zienswijze van de vrouw. Naar vaste rechtspraak, onder meer overeenkomstig HR 21 november 1980 NJ 1981,193, overweegt de rechtbank: 'Voor zover artikel 1:94 lid 1 BW voorschrijft dat buiten de huwelijksgemeenschap vallen goederen ten aanzien waarvan zulks bij uiterste wilsbeschikking of gift is bepaald, strekt dit artikel ertoe te bewerkstelligen dat de door zodanige bepaling tot uitdrukking gebrachte wil van de erflater of schenker om de betrokken goederen aan een van de echtgenoten met uitsluiting van de andere echtgenoot ten goede te doen komen, niet wordt doorkruist door het huwelijks-goederenregime dat tussen de echtgenoten geldt of zal gelden. Deze strekking dwingt ertoe aan te nemen dat, indien de echtgenoten bij hun huwelijkse voorwaarden gemeenschap van goederen hebben uitgesloten onder beding dat bij ontbinding van het huwelijk zal worden afgerekend alsof zodanige gemeenschap had bestaan, bij deze afrekening buiten be-schouw-ing moeten blijven die goederen ten aanzien waarvan een erflater of schenker heeft bepaald dat deze niet in enige huwelijksgemeenschap zullen vallen. Zouden deze goederen immers wel in de afrekening worden betrokken dan zou ook de echtgenoot van de verkrijger van de goederen, of de erven van die echtgenoot, in de waarde der goederen delen, hetgeen zou betekenen dat, in strijd met vorenbedoelde strekking van het voorschrift, de wil van de erflater of schenker niet zou worden geëerbiedigd". Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat, ook nu het bedrag jarenlang op een gemeenschappelijke rekening van partijen heeft gestaan, dit enkele feit niet kan maken dat dit bedrag thans als een gemeen-schappelijk goed moet worden aangemerkt. Dit wordt ook niet anders op grond van de ter comparitie na antwoord door beide partijen afgelegde verklaring dat dit geld bedoeld is voor de drie kinderen van partijen (op grond waarvan de oudste dochter daarvan al in januari 1999 ter bekostiging van haar huwelijk fl. 11.000,-- heeft ontvangen). Uit deze verklaring kan alleen worden afgeleid dat op de man een morele verplichting rust deze geldsom onder zijn drie kinderen te verdelen, maar kan niet bewerkstelligen dat deze som in de gemeen-schap van partijen valt.

3.2.2 De nalatenschap van [mevr. F.].

Ter comparitie is duidelijk geworden dat deze aan de man toegevallen erfenis, waaraan een uitsluitingsclausule was verbonden, om die reden niet in de gemeenschap van partijen is gevallen. In het verlengde daarvan heeft de vrouw ter comparitie gesteld dat dit punt geen verdere discussie behoeft.

Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat de vrouw niet langer persisteert bij onderdeel Ic. en Id. van haar vorderingen en deze onder de omstandigheden van het geval moeten worden afgewezen.

3.2.3 de somma van fl. 69,41 (€ 31,50).

De vrouw heeft ter zake deze post aangevoerd dat partijen in de aanloop naar het definitief uit elkaar gaan en de echtscheiding én vóórdat zij naar een gezamenlijke advocaat zijn gegaan om tot echtscheiding op gezamenlijk verzoek te komen, afspraken hebben gemaakt. Deze afspraken hebben vervolgens tot het door de man gemaakte overzicht geleid op grond waarvan de man de somma van fl. 1.696,84 met de vrouw zou moeten verrekenen.

In het lichaam van de dagvaarding heeft de vrouw gesteld dat dit bedrag aangepast moest worden met de navolgende posten: verhogen met de door de vrouw betaalde premie voor de autoverzekering (fl. 254,07) en verminderen met de gedane afbetaling op de computer van dochter [J.] (fl. 125,--), met 1x de contributie van de ABVA-KABO (fl. 23,50), met een retour ontvangen bedrag aan gemeentebelastingen (fl. 216,--), met de helft van het collegegeld van dochter [J.] over het schooljaar 2000-2001 (fl. 1.437,--) en, betreffende de kunstuitleen over het tijdvak september - december 1999, met de somma van fl. 80,--. Volgens de vrouw resulteert een en ander in het gegeven dat de man nog de somma van fl. 69,41, als gevorderd onder 2.2. Ie aan haar dient te voldoen.

In zijn conclusie van antwoord en ter comparitie heeft de man gesteld dat partijen afspraken hebben gemaakt en er in dat kader toe zijn gekomen dat de gemeenschappelijke lasten en kosten in de verhouding 60% voor de man en 40% voor de vrouw gedragen zouden worden.

De man stelt verder dat die afspraken zijn vervallen toen de vrouw een eigen advocaat in de arm nam om in de aanloop naar de echtscheiding een voorlopige voorzieningenprocedure te starten, die er onder meer toe heeft geleid dat hij, naast de verplichting om de vaste lasten van de woning te blijven betalen, een bedrag van fl. 900,-- per maand aan alimentatie aan de vrouw moest gaan betalen. Op grond daarvan heeft de man een nieuw verrekenoverzicht gemaakt. Daaruit is af te leiden dat de vrouw een bedrag van fl. 4.784,12 aan de man dient te voldoen en nu de vrouw weigerachtig is gebleken dit te willen betalen, heeft hij dat bedrag in reconventie in deze procedure gevorderd.

De man heeft voorts nog aangegeven dat hij de berekeningen die genoemde som als uitkomst hebben met justificatoire bescheiden kan onderbouwen, als de vrouw dit wenst.

In haar conclusie van antwoord in reconventie heeft de vrouw de verschuldigdheid van dit bedrag gemotiveerd betwist en te dien aanzien onder meer en met bescheiden gestaafd gesteld dat de afspraken die hebben geleid tot de verrekenplicht van de man aan de vrouw in juni 1999 zijn gemaakt, nog voordat partijen een advocaat hadden geraadpleegd en dat de man toen ook het bedoelde overzicht met de geldsom van fl. 1.696,84 heeft opgesteld. Alle andere overzichten zijn door de man zelf en buiten aanwezigheid van de vrouw opgesteld en zulks pas nadat partijen een advocaat in de arm hadden genomen en geen overeenstemming konden bereiken over de alimentatie en het onder 3.2.1 reeds besproken spaarbedrag van fl. 27.000,--. De vrouw heeft voorts aangevoerd dat geenszins duidelijk is waarop de posten die door de man zijn toegevoegd aan het in juli 1999 gemaakte overzicht (waarover partijen volgens de vrouw overeenstemming hadden), zodat de man die ten-minste met justificatoire bescheiden zou moeten onderbouwen.

Gelet op het feit dat de man op dit alles niet meer heeft gereageerd, moet het er, naar het oordeel van de rechtbank voor gehouden worden dat de man zijn verweer tegen de vor-der-ing van de vrouw, ziende op betaling van fl. 69,41 (€ 31,50) niet langer handhaaft, zodat deze vordering moet worden toegewezen.

Hieruit volgt vanzelf dat de vordering van de man om de vrouw te veroordelen om aan hem de somma van fl. 4.784,12 te betalen, niet kan worden toegewezen.

3.2.4 Dia's.

De man heeft ter comparitie na antwoord gesteld dat hij bereid is alle circa 2.500 stuks dia's aan de vrouw af te geven, nadat hij deze heeft gescanned voor de kinderen en zichzelf om er kopieën van te maken. De man heeft verder aangegeven dat de vrouw hem de helft van de kosten van het maken van kopieën van de dia's dient te vergoeden.

Nu dit laatste al opgesloten ligt in de formulering van de vordering van de vrouw, zal de rechtbank deze vordering van de vrouw, met matiging van de daarbij gevorderde dwangsom toewijzen en gelet op de inmiddels verstreken tijd bepalen dat de man de dia's binnen een maand na betekening van het vonnis aan de vrouw dient te hebben afgegeven.

3.2.5 het perceel bosgrond.

Partijen zijn het er over eens dat dit perceel gemeenschappelijk is. Blijkens het opgemaakte proces-verbaal van comparitie na antwoord zijn zij het er verder over eens dat dit stuk grond aan de drie kinderen van partijen moet toekomen.

De vrouw wenst daarom dit perceel grond aan de drie kinderen over te dragen zodat zij er samen eigenaar van worden en stelt te dien aanzien nog dat de overdrachtskosten door partijen gezamenlijk en dus bij helfte gedragen moeten worden.

Ter comparitie heeft de man gesteld zich hierover nog te willen beraden.

Op grond van het feit dat de man zich ter zake dit perceel grond niet meer nader heeft uitgesproken en een akte niet in staat heeft genomen, zal de rechtbank ook deze vordering van de vrouw toewijzen en omdat de man, door het nemen van de akten niet in staat, in het ongewisse heeft gelaten of hij eigener beweging aan het transport zal meewerken, zal de rechtbank ter zake dit perceel grond overeenkomstig het voorstel van de vrouw beslissen en gezien de houding van de man ook de gevorderde dwangsom, zij het, zoals in het dictum aan te geven, gematigd toewijzen

3.2.6 De erfenis van de vader van de vrouw.

De door de man in zake deze erfenis in reconventie ingediende vordering kan niet worden toegewezen.

Uit het door de vrouw overgelegde afschrift uit het door haar vader op 28 november 1988 ten overstaan van notaris mr. Haanen te Beek opgemaakte testament, blijkt immers (artikel III ) dat: " al hetgeen mijn kinderen en/of hun afstammelingen uit mijn nalatenschap zullen verkrijgen niet zal vallen in enigerlei gemeenschap van goederen waarin zij zijn gehuwd of nog zullen huwen".

Dit maakt dat de man geen enkele aanspraak op die erfenis kan hebben en dus zijn daarop ziende vordering moet stranden.

3.3 Partijen zijn ex-echtelieden. Op grond hiervan zal de rechtbank de proceskosten tussen partijen compenseren als hierna in het dictum aan te geen.

4. De uitspraak

De rechtbank:

In conventie

1. veroordeelt de man om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te betalen de somma van € 31,50 ( fl. 69,41;

2. veroordeelt de man om binnen een maand na betekening van dit vonnis aan de vrouw ter hand te stellen een kopie van alle dia's die in de gemeenschap vallen en verklaart voor recht dat de kosten van het kopiëren door beide partijen, ieder voor de helft, dienen te worden gedragen een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag dat de man, een maand na betekening van dit vonnis, in gebreke blijft met het aan de vrouw ter hand te stellen van de kopiën van de dia's;

bepaalt dat de man in voorkomend geval ter zake de dia's niet meer dan in totaal een bedrag van € 2.500,-- aan dwangsommen kan verbeuren;

3. veroordeelt de man om, op de eerste daartoe strekkende afroep van de bij de echtscheidingsbeschikking benoemde boedelnotaris, zijn aandeel in het perceel bosgrond (beemd), kadastraal bekend Hellebroek, gemeente Nuth, sectie c, nummer 3792, juridisch te leveren aan de drie uit het huwelijk van partijen geboren kinderen, bij welke gelegenheid ook de vrouw haar aandeel aan de kinderen zal leveren.

Een en ander onder op straffe van verbeurte van een door de man te verbeuren dwangsom van € 250,-- per dag dat de man in gebreke blijft aan de juridische levering mede te werken;

bepaalt dat de man in voorkomend geval ter zake deze juridische levering niet meer dan in totaal de somma van € 50.000,-- aan dwangsommen kan verbeuren;

De rechtbank bepaalt hierbij dat beide partijen ieder de helft van de kosten van de eigendomsoverdracht zullen dragen;

wijst af het meer of anders gevorderde;

In reconventie

Wijst de vorderingen af.

In conventie en in reconventie

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Casparie, rechter, en ter openbare terechtzitting van 29 januari 2003 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

LD/FA

Coll: HM/HR