Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF3630

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
29-01-2003
Datum publicatie
30-01-2003
Zaaknummer
69468 / HAZA 01-971
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

NAAMRECHT, GESLACHTSNAAM

Vonnis : 29 januari 2003

Zaaknummer : 69468 / HA ZA 01-971

De rechtbank te Maastricht, enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van:

[man],

voorheen wonende te [N.], thans te [H.],

eiser,

procureur mr. J.F.C. Eliëns, (toevoeging) ;

tegen:

[vrouw],

wonende te [O.],

gedaagde,

procureur mr. I.G.H. Aarts-Mulder.

1. Het verloop van de procedure

Eiser, hierna te noemen "de man", heeft bij naar de dagvaarding verwijzende conclusie van eis gesteld en geconcludeerd voor eis overeenkomstig de inhoud van die dagvaarding. Bij conclusie van eis zijn producties overgelegd. Gedaagde, hierna te noemen "de vrouw", heeft geantwoord.

Op de voet van artikel 141a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) is een comparitie na antwoord gelast. Ter comparitie heeft de vrouw een productie overgelegd. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

De man heeft daarop gerepliceerd, zulks onder overlegging van nog een productie. De vrouw heeft geconcludeerd voor dupliek, waarbij nog twee producties in het geding zijn gebracht.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 De feiten

2.1.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest. Bij beschikking van 27 maart 1997 van deze rechtbank is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. Deze beschikking is op 9 juni 1997 in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente Schinnen ingeschreven.

2.1.2 Uit genoemd huwelijk van partijen is op 27 januari 1992 een zoon geboren, die partijen [K.] hebben genoemd. In de echtscheidingsbeschikking is aan de vrouw het ouderlijk gezag over [K.], die de geslachtsnaam van de man draagt, toegekend. [K.] verblijft bij de vrouw.

Na de echtscheiding is een omgangsregeling vastgesteld. In dat kader heeft de man eenmaal per twee weken een week-end alsmede drie dagen in de 'kleine' schoolvakanties omgang met [K.]. In de zomervakantie is [K.] 2 weken bij de man.

2.1.3 De man heeft gemerkt dat [K.] bij een aantal (sport)verenigingen onder de geslachtsnaam van de vrouw als lid is ingeschreven.

2.1.4 Bij brieven van 26 juli 2000, 7 september 2000 en van 13 maart 2001 heeft de man de vrouw verzocht en gesommeerd na te laten om [K.] in enig verband aan te duiden met de geslachtsnaam van de vrouw en [K.] zijn geslachtsnaam te laten voeren.

Na de laatste sommatie heeft de vrouw de raadsman van de man medegedeeld dat zij aan de sommatie zou voldoen.

2.2 De man heeft op grond van het vorenstaande en na geconstateerd te hebben dat de vrouw [K.] nog steeds aanduidt met de geslachtsnaam van de vrouw en [K.] onder die naam tijdens de op 2e Paasdag 2001gehouden Peter Russmanloop (een hardloopwedstrijd) onder de geslachtsnaam van de vrouw heeft laten inschrijven, gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de vrouw te veroordelen:

1. om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis [K.] aan te duiden onder de geslachtsnaam [van vader], zowel jegens [K.] zelf als jegens derden, met bevel om [K.] de geslachtsnaam [van vader] te laten voeren;

2. [K.] er iedere keer als dat nodig is op te wijzen dat zijn achternaam "[van vader]" luidt en niet [geslachtsnaam van moeder];

Beide op straffe van een dwangsom van fl. 500,-- per dag voor iedere dag dat de vrouw in gebreke is aan dit gedeelte van het vonnis te voldoen;

3. de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.2.1 De man heeft nog aangevoerd dat hij als de wettige vader er een eigen belang bij heeft dat [K.] zijn geslachtsnaam draagt.

De man is van oordeel dat nu de vrouw [K.] met haar geslachtsnaam aanduidt en onder die naam bij verengingen op de ledenlijst heeft laten inschrijven zij onrechtmatig jegens hem handelt. Dit klemt temeer nu hij van de leerkrachten op de basisschool heeft vernomen dat de vrouw [K.] zich ook op school met haar naam laat aanduiden.

Na te zijn gesommeerd om een en ander na te laten en recht te trekken, heeft de vrouw toegezegd zulks te doen, doch de man is gebleken dat de vrouw [K.] nog steeds aanduidt met haar geslachtsnaam en ook toelaat dat [K.] zich zo noemt. Via deze procedure wenst de man daartegen op te komen. Hij is het volstrekt niet eens met de vrouw waar deze stelt dat het in het belang van [K.] is indien hij officieel haar geslachtsnaam zou dragen. De man is van het tegendeel overtuigd. Het feit immers dat [K.] op grond van de wettelijke bepalingen de geslachtsnaam van de man moet gebruiken, dient er mede toe om [K.] te laten beseffen dat hij zowel de zoon van de man is als de zoon van de vrouw. Indien [K.] alleen de naam van de vrouw zou (mogen) gebruiken, zal dat er waarschijnlijk toe leiden dat de band tussen [K.] en zijn vader minder hecht wordt, hetgeen niet in het belang van [K.] geduid kan worden.

2.2.2 De vrouw voert verweer hetwelk - samengevat en voor zover thans van belang - het volgende inhoudt:

De vrouw heeft nog een dochter van thans15 jaar uit een vorige relatie, die officieel de geslachtsnaam van de vrouw draagt. De vrouw stelt dat zij ook tijdens het huwelijk met de man steeds haar eigen geslachtsnaam is blijven gebruiken.

[K.] begrijpt niet waarom hij anders heet dan zijn moeder en zijn (half)zus. Hij wil dezelfde naam als zijn moeder en zijn (half)zus voeren.

De vrouw is mede op grond hiervan van oordeel dat wanneer [K.] met de geslachtsnaam van de man moet worden aangeduid, dit niet in het belang is van de eenheid in het gezin. De vrouw zal, nu dit formeel ingevolge het bepaalde in artikel 3 van het Besluit houdende regels voor geslachtsnaamwijziging van 6 oktober 1997 dan pas mogelijk is, begin juni 2002 een verzoek indienen tot wijziging van de geslachtsnaam van [K.]. [K.] weet dit maar wil daar met zijn vader niet over spreken, omdat hij de naam van zijn moeder en zijn zus wil voeren.

Naar aanleiding van de verzoeken van de man heeft de vrouw overal de geslachtsnaam van [K.] gewijzigd in die van de man. Zij vindt overigens dat het tot grote onrust bij [K.] leidt indien hij nu nog voor een korte tijd, noodgedwongen, zich tegen zijn zin van de geslachtsnaam van de man zou moeten bedienen en wijst er in dit verband op dat [K.] voorafgaande aan de comparitie na antwoord schriftelijk heeft verklaard alleen nog de geslachtsnaam van de vrouw te willen gebruiken.

Voor de Peter Russmanloop heeft [K.] zich zelf onder de geslachtsnaam van de vrouw doen inschrijven. De vrouw beklemtoont tenslotte dat [K.] officieel nog de naam van zijn vader draagt.

3. De beoordeling

3.1

In deze zaak dient als uitgangspunt te gelden dat [K.] bij zijn geboorte de geslachtsnaam van de man heeft gekregen

Op grond van het bepaalde in artikel 1:7 lid 5 juncto artikel 3 van het Besluit van 6 oktober 1997, Stb. 1997,463, houdende regels voor geslachtsnaamwijziging, kan in casu bij een aan de Koning te richten verzoek de naam van [K.] worden gewijzigd. De vrouw heeft gesteld dat zij, zodra die mogelijkheid zich op 9 juni 2002 voordoet, dat verzoek zal indienen, omdat zij een en ander in deze zaak in het belang van [K.] acht.

3.2

In het licht hiervan en op grond van het gegeven dat er tussen de man en zijn zoon omgang plaatsvindt en er dus sprake is van family life in de zin van het bepaalde in artikel 8 EVRM moet er in casu tevens vanuit gegaan worden dat de man er een eigen belang bij heeft dat zijn kind zijn geslachtsnaam blijft dragen. Dit temeer nu in het verlengde hiervan ligt dat, mede gezien het bepaalde in de artikelen1:377a BW en volgende, geoordeeld moet worden dat de man een rol in de opvoeding van [K.] blijft spelen en er uit dien hoofde, anders dan de vrouw dit ziet, er onder deze omstabndigheden niet direct vanuit gegaan kan worden dat op het verzoek tot geslachtsnaamswijzging in voor de vrouw positieve zin beslist zal worden. Uit de Nota van Toelichting op dit Besluit moet immers worden opgemaakt dat dergelijke verzoeken niet zonder meer toewijsbaar zijn, nu daarin wordt vermeld dat in de praktijk is gebleken dat de belangen van de nog jonge kinderen zelf bij een geslachtsnaamwijziging niet duidelijk kunnen worden vastgesteld, terwijl wel vaak duidelijk wordt dat de geslachtsnaamwijzing als middel gehanteerd wordt in een tussen de ouders voortdurende echtscheidingsstrijd.

Nu in die nota verder staat aangegeven dat in de praktijk bij de beoordeling van het belang van het kind een aantal punten worden gewogen, waaronder de voorlichting omtrent de afkomst van het kind, de eenheid van de naam in het gezin, of het kind de gevraagde naam in de praktijk reeds voert en hoe lang het kind dit al doet, alsmede de beoordeling van de rol die beide ouders in het leven van het kind hebben en daarnaast op de te nemen beslissing van invloed is de contacten tussen het kind en beide ouders, is de rechtbank van oordeel dat gelet op genoemde toetsingscriteria in casu thans niet reeds op de wens van de vrouw om op de door de Koning te nemen beslissing op haar verzoek vooruitgelopen kan worden.

Dit temeer niet nu de vrouw niet heeft aannemelijk gemaakt dat er thans een reële noodzaak is of dat er sprake is van een voor haar zelf dan wel [K.] concreet belang om thans reeds voorafgaande aan de beslissing op het verzoek tot naamswijziging de vrouw toe te staan [K.] haar geslachtsnaam te laten gebruiken, terwijl uit haar verweer dat '[K.] het ervaart als een aantasting van zijn gevoel van eenheid en geborgenheid indien hij binnen het gezinnetje waar zijn moeder en zijn oudere zusje de geslachtsnaam van moeder voeren, hij bij uitzondering de geslachtsnaam van zijn vader zou moeten gebruiken en [K.] pertinent wenst zelf de geslachtsnaam van moeder te gebruiken en hij het daarnaast als een soort verraad ervaart, indien de vrouw hem dwingend zou verbieden om haar geslachtsnaam te gebruiken', blijkt dat de vrouw heeft toegestaan dat [K.] jegens derden aangeeft niet zijn officiële naam te gebruiken. Zeker nu zij nog aangeeft dat het voor [K.] frustrerend is indien hij zich nu nog voor een korte periode van de geslachtsnaam van zijn vader zou moeten bedienen.

3.3

Uit deze houding van de vrouw maakt de rechtbank op dat zij impliciet zegt dat nu [K.] zelf voor de geslachtsnaam van de vrouw heeft gekozen en al aan die nieuwe naam gewend is, een en ander zwaarder moet wegen dan de belangen van de man in deze zaak. De rechtbank verwerpt dit standpunt van de vrouw, nu enerzijds de stellingen van de man op de wettelijke bepalingen van het naamrecht zijn gebaseerd en anderzijds de stelling van de vrouw, dat het voor [K.] frustrerend is weer van achternaam te moeten wisselen, zonder nadere onderbouwing, niet als aannemelijk gemaakt, gepasseerd moet worden en als er al gesproken kan worden van verwarring en frustratie bij [K.], dit onder deze omstandigheden te wijten is aan de vrouw zelf. Dit maakt dat het op haar weg ligt om die verwarring en frustratie weg te nemen. Hierbij oordeelt de rechtbank dat het van geen dan wel ondergeschikt belang is dat haar dochter, die uit een andere relatie van de vrouw is geboren en daarom haar geslachtsnaam draagt, een andere geslachtsnaam draagt dan [K.]. Zeker nu de man te dien aanzien onweersproken heeft aangegeven dat zulks ook al het geval was toen partijen nog als gehuwden samenwoonden en er heden ten dage veel gezinnen of samenlevingsvormen zijn waarbinnen personen verschillende achternamen hebben en het feit dat de dochter van de vrouw een andere achternaam voerde toen nooit een probleem is geweest.

3.4

Het bovenstaande bijeengenomen en in onderling verband gezien leidt tot de conclusie dat de onder 2.2 sub 1 verwoorde vordering van de man toegewezen moet worden en dit naar het oordeel van de rechtbank inhoudt dat het onder 2.2.sub 2 gevorderde niet voor toewijzing in aanmerking komt, omdat deze vordering opgesloten ligt in het toegewezen gedeelte en de man derhalve bij dubbele toewijzing geen belang heeft.

De gevorderde dwangsom zal de rechtbank, gezien de aard van de vordering gematigd en tot een, in voorkomend geval. maximaal te verbeuren bedrag toewijzen

3.5

Partijen zijn ex-echtelieden. Op grond daarvan zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

4. De uitspraak

De rechtbank:

veroordeelt de vrouw om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis [K.] aan te duiden onder de geslachtsnaam [van vader], zowel jegens [K.] zelf als jegens derden, met bevel om [K.] de geslachtsnaam [van vader] te laten voeren een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen en bepaalt te dien aanzien dat de vrouw in voorkomend geval niet meer dan in totaal een bedrag van € 5 .000,-- aan dwangsommen kan verbeuren;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.C. Casparie, rechter, en ter openbare terechtzitting van

29 januari 2003 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

LD/HR