Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2003:AF3295

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-01-2003
Datum publicatie
29-04-2003
Zaaknummer
AWB 02 / 131 NABW en AWB 02 /132 NABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JABW 2003, 123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Reg.nr: AWB 02/131 NABW en AWB 02/132 NABW

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken in de gedingen tussen

A te B, eiser,

en

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Heerlen, gevestigd te Heerlen, verweerder.

Datum bestreden besluiten: 11 december 2001 en 8 januari 2002.

Kenmerk: 01.21/010458-010994/B/JE.

Behandeling ter zitting: 3 januari 2003.

ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING.

Bij schrijven van 11 december 2001 en 8 januari 2002 heeft verweerder aan eiser mededeling gedaan van ten aanzien van hem genomen besluiten op bezwaar inzake de Algemene bijstandswet (Abw).

Tegen het besluit van 11 december 2001 is door mevrouw mr. E.B.A. Ferwerda namens eiser op 16 januari 2002 beroep ingesteld. Tegen het besluit van 8 januari 2002 is door voornoemde gemachtigde namens eiser op 21 januari 2002 beroep ingesteld. De beroepen zullen door de rechtbank gevoegd behandeld worden.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en de verweerschriften zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiser gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 3 januari 2003, waar eiser en zijn gemachtigde met bericht niet zijn verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. P.J.S. Pletzers.

OVERWEGINGEN.

Met betrekking tot het besluit van 11 december 2001.

Bij besluit van 5 februari 2001 heeft verweerder aan eiser de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 113, lid 1 sub a t/m f, van de Abw opgelegd. Aan dit besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd een rapport van R. Scholman, sociaal geneeskundige, verbonden aan de Gemeenschappelijke GezondheidsDienst Oostelijk Zuid-Limburg (hierna te noemen de GGD) d.d. 29 december 2000.

In het besluit werd aangegeven dat bij de controle op de naleving van genoemde verplichtingen rekening wordt gehouden met de beperkingen die in de keuring worden aangegeven.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 8 maart 2001 bezwaar aangetekend. Hiertoe voerde hij aan dat hij wegens lichamelijke en psychische klachten niet kan werken. Naar aanleiding van toegenomen rugklachten zijn er door de specialist opnieuw foto’s gemaakt.

Hierop heeft verweerder de GGD verzocht een nieuw onderzoek in te stellen naar de mate van arbeidsgeschiktheid van eiser. Op 15 november 2001 heeft GGD- arts J.R.H. Bosch aan verweerder gerapporteerd. Uit informatie van orthopedisch chirurg Drees bleek dat er geen ernstige objectiveerbare rugklachten aanwezig zijn. Op röntgenfoto’s is geen enkele afwijking aantoonbaar. Een duidelijke psychiatriche problematiek kan niet worden geconstateerd. Eiser werd arbeidsgeschikt bevonden met de volgende beperkingen:

het langer aaneen verrichten van staand dan wel traplopend werk wordt ontraden.

een eenduidig gestructureerde benadering wordt in verband met geconstateerde aanpassingsstoornissen geadviseerd.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard. Aangevoerd werd dat uit het GGD- advies blijkt dat eiser wederom arbeidsgeschikt is bevonden met dezelfde beperkingen.

In beroep is namens eiser aangevoerd dat eisers rugklachten zo ernstig zijn dat zijn nachtrust daaronder lijdt en dat daardoor zijn functioneren overdag wordt beperkt. Om die reden is eiser niet in staat om regelmatig arbeid te verrichten. Daarnaast werd aangevoerd dat eiser heel ver van de arbeidsmarkt afstaat en dat hij begeleiding nodig heeft. Het is gemachtigde van eiser uit andere zaken bekend dat normaal gesproken eerst een trajectplan opgesteld dient te worden en dat, totdat dat trajectplan is opgesteld, vrijstelling van de arbeidsverplichtingen wordt verleend. Ook bij eiser dient derhalve eerst een trajectplan opgesteld te worden alvorens een beslissing ten aanzien van de arbeidsverplichtingen kan worden genomen.

Ter verweer is aangevoerd dat het beslist geen gemeentelijk beleid is cliënten vrij te stellen van de arbeidsverplichtingen totdat een trajectplan voor begeleiding naar de arbeidsmarkt is opgesteld.

Bji aanvullend beroepschrift van 26 februari 2002 is namens eiser een kopie overgelegd van een deel van een besluit van verweerder, genomen ten aanzien van een andere cliënt, waaruit valt op te maken dat verweerder in die casus besloot om de desbetreffende belanghebbende, gezien de duur van de werkloosheid, het opleidingsniveau en de aard van de kachten, vrij te stellen van de arbeidsverplichtingen voor de duur van maximaal 1 jaar totdat het trajectplan door alle partijen ondertekend zal zijn.

De rechtbank dient thans te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten om aan eiser de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 113, lid 1 sub a t/m f, van de Abw op te leggen.

Op grond van de beschikbare medische gegevens, namelijk de rapporten van bovengenoemde GGD- artsen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiser arbeidsgeschikt is, met inachtneming van de beperkingen zoals die in de genoemde rapporten staan vermeld. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de conclusies van genoemde GGD- artsen onjuist te achten, danwel onzorgvuldig voorbereid of ondeugdelijk gemotiveerd. Namens eiser zijn geen (medische) gegevens aangevoerd die tot een ander oordeel kunnen leiden.

Derhalve bestond er voor verweerder geen aanleiding om eiser wegens medische redenen van de arbeidsverplichtingen te ontheffen, zoals bedoeld in artikel 107, lid 1, van de Abw.

Artikel 107, lid 1, van de Abw luidt:

Burgemeester en wethouders kunnen besluiten verplichtingen als bedoeld in dit hoofdstuk niet op te leggen, dan wel van zodanige verplichtingen tijdelijk ontheffing te verlenen, in gevallen waarin daartoe naar hun oordeel aanleiding bestaat om redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand.

Gezien de tekst van dit artikel heeft verweerder een individuele beoordelingsvrijheid ten aanzien van het ontheffen een belanghebbende van de arbeidsverplichtingen. Deze beoordelingsvrijheid is weliswaar beperkt in die zin dat het moet gaan om redenen van medische of sociale aard, dan wel om redenen gelegen in de aard en het doel van de bijstand, doch dit betekent naar het oordeel van de rechtbank geenszins dat wanneer verweerder in het ene geval besluit tot ontheffing van de arbeidsverplichtingen en in het andere geval niet, er reeds daarom sprake zou zijn van strijd met het gelijkheidsbeginsel, zoals namens eiser impliciet is aangevoerd. Daarbij komt nog dat verweerder heeft aangegeven dat het geen gemeentelijk beleid is om ontheffing te verlenen totdat een trajectplan is opgesteld.

Eisers standpunt, dat verweerder een andere cliënt heeft vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen totdat een trajectplan werd vastgesteld en dat daarom voor eiser eveneens eerst een trajectplan dient te worden opgesteld alvorens genoemde verplichtingen worden opgelegd, wordt door de rechtbank dan ook niet onderschreven.

Gezien de bovenstaande overwegingen dient het beroep dan ook voor ongegrond te worden gehouden.

Met betrekking tot het besluit van 8 januari 2002

Bij besluit van 6 april 2001 heeft verweerder eiser een drietal maatregelen opgelegd wegens:

het niet tijdig verstrekken van informatie. Eiser had pas na een geboden hersteltermijn alle gevraagde gegevens in het kader van een heronderzoek aan verweerder doen toekomen.

het verwijtbaar niet ingeschreven hebben gestaan bij het arbeidsbureau over de periode 23 april 1999 tot en met 13 februari 2001.

het onvoldoende trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Eiser had sinds het laatste heronderzoek in november 1999 geen verifieerbare sollicitaties verricht.

Uit de stukken blijkt dat de hoogte van de twee eerstgenoemde maatregelen 5% over 1 maand bedraagt, en van de derde maatregel 10% over 1 maand, tezamen 20% over 1 maand.

Tegen dit besluit heeft eiser op 26 april 2001 bezwaar aangetekend. Aangevoerd werd dat hij vanaf april 1999 was vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen en dat hem pas op 25 januari 2001 werd medegedeeld dat hij zich moest inschrijven bij het arbeidsbureau.

Ter hoorzitting d.d. 27 november 2001, waar eiser is verschenen met zijn gemachtigde, is nog aangevoerd dat eiser de beschikking van 7 januari 2000 waarbij aan hem alle arbeidsverplichtingen zijn opgelegd, niet kent. Met betrekking tot het niet tijdig voldoen aan de informatieplicht voerde eiser aan dat hij wegens ziekte niet tijdig alle gegevens heeft kunnen verstrekken en daarvan nog een bewijsstuk zou overleggen. Onder de gedingstukken bevindt zich een ongedateerde brief van een vriend van eiser, inhoudende dat deze in maart boodschappen voor eiser heeft gehaald omdat eiser flink de griep had.

Bij besluit van 2 november 2001 heeft verweerder eiser een maatregel op gelegd van 20% over twee maanden, daar hij wederom onvoldoende heeft getracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen en wegens het tonen van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

Tegen dit besluit is namens eiser op 15 november 2001 bezwaar aangetekend. Aangevoerd werd dat eiser omstreeks mei 2001 een hercontrole heeft gehad en dat verweerder hem tijdens die controle mededeelde dat hij zich moest laten inschrijven bij het arbeidsbureau, hetgeen eiser dan ook heeft gedaan. De opgelegde maatregel van 20% over twee maanden is gebaseerd op recidive, doch tegen de eerste maatregel is eveneens bezwaar gemaakt. Indien de eerste maatregel inderdaad ten onrechte is opgelegd, is er geen sprake van recidive.

Bij het thans bestreden besluit van 8 januari 2002 heeft verweerder het bezwaarschrift gericht tegen het besluit van 6 april 2001 gegrond te verklaren voorzover gericht tegen de maatregel van 5% over 1 maand wegens het niet tijdig voldoen aan de informatieplicht. Deze maatregel is door verweerder omgezet in een schriftelijke waarschuwing als bedoeld in artikel 14, lid 3, van de Abw. Voor het overige heeft verweerder eisers bezwaren gericht tegen de besluiten van 6 april 2001 en 2 november 2001 ongegrond verklaard.

In beroep is namens eiser aangevoerd dat, met betrekking tot de schriftelijke waarschuwing wegens het niet tijdig verstrekken van informatie in het kader van een heronderzoek, eiser een flinke griep had en zijn deur niet uitkon. Eiser woont in een flat en moet voor de brievenbus het trappenhuis door. Eiser heeft in de betreffende week daarom zijn brievenbus niet leeggemaakt. Wel heeft een vriend van eiser een paar boodschappen voor hem gedaan. Van die vriend is een verklaring overgelegd waarin deze verklaart in maart boodschappen voor eiser te hebben gedaan en dat eiser flink de griep had. Een schriftelijke waarschuwing is dan ook niet op zijn plaats.

Met betrekking tot de inschrijving bij het arbeidsbureau en het verrichten van sollicitaties is aangevoerd dat eiser bij beschikking van 10 december 1998 is vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen totdat de uitslag van de GGD- keuring bekend zou zijn. Het besluit van 7 januari 2000, waarbij aan eiser de verplichtingen van artikel 113, eerste lid, van de Abw werden opgelegd, heeft eiser nimmer ontvangen. Normaal gesproken reageert eiser adequaat op brieven die hij van de gemeente krijgt. Als hij het niet eens is met die brieven protesteert hij daar tijdig tegen. Niet uitgesloten moet worden dat er iets mis gegaan kan zijn bij de bezorging van de post.

Met betrekking tot de maatregel van 20% over twee maanden wegens het onvoldoende solliciteren is aangevoerd dat eiser is ingedeeld in fase 4 en dat hij door zijn opleiding, werkervaring en lichamelijke en psychische gesteldheid voorlopig niet bemiddelbaar zou zijn voor de arbeidsmarkt. Eiser is wel bij een aantal uitzendbureaus geweest maar die weigeren hem in te schrijven. Wanneer eiser wel gesolliciteerd zou hebben, zou dat niet geleid hebben tot inschakeling in de arbeid.

Ter verweer is verwezen naar het bestreden besluit, waarbij met betrekking tot de schriftelijke waarschuwing nog werd opgemerkt dat niet is gebleken dat eiser zodanig ziek is geweest dat hij niet aan zijn inlichtingenverplichting heeft kunnen voldoen. Een verklaring van een vriend dat eiser in maart flink de griep te pakken had kan bezwaarlijk als een medische verklaring worden opgevat. Daarbij komt nog dat deze vriend, naast eisers boodschappen, ook zijn briefwisseling voor hem had kunnen verzorgen.

De rechtbank dient thans te beoordelen of het bestreden besluit van 8 januari 2002 de rechterlijke toets kan doorstaan.

Ten aanzien van de schriftelijke waarschuwing overweegt de rechtbank als volgt. Onweersproken is dat eiser niet binnen de daartoe door verweerder gestelde termijn de door verweerder gevraagde informatie heeft overgelegd in het kader van een heronderzoek. Conform artikel 14, eerste lid van de Abw juncto de artikelen 3, lid 1 sub c en 5 lid 1 sub a van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz heeft verweerder aan eiser in eerste instantie een maatregel opgelegd ter hoogte van 5% over de periode van een maand. In het bestreden besluit heeft verweerder deze maatregel, conform artikel 14, derde lid van de Abw, gewijzigd in een schriftelijke waarschuwing.

Namens eiser is aangevoerd dat eiser, in de periode dat hij de gevraagde informatie aan verweerder diende te overleggen, te ziek is geweest om aan die verplichting te voldoen. Dit laatste is echter, naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt. Van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid, zoals bedoeld in artikel 14, tweede lid, van de Abw, is de rechtbank dan ook niet gebleken. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat, nu verweerder de opgelegde maatregel in het bestreden besluit heeft gewijzigd in een schriftelijke waarschuwing als bedoeld in het derde lid van artikel 14 van de Abw, het eventueel aanwezig zijn van dringende renenen als bedoeld in het vierde lid van dat artikel, niet meer relevant is.

Het beroep dient derhalve, voor wat betreft de schriftelijke waarschuwing, voor ongegrond te worden gehouden.

Ten aanzien van de maatregelen in verband met het niet ingeschreven staan bij het arbeidsbureau en het onvoldoende solliciteren overweegt de rechtbank als volgt.

Aan het besluit van 7 januari 2000, waarbij aan eiser de arbeidsverplichtingen werden opgelegd, heeft verweerder ten grondslag gelegd een advies van GGD-arts A. Lenssen d.d. 18 februari 1999 alsmede een rapportage van de behandelend ambtenaar van verweerder d.d. 29 november 1999.

Blijkens dit GGD-advies werd eiser arbeidsgeschikt bevonden met een lichte beperking, inhoudende dat hij geen zwaar lichamelijk werk kan verrichten. Uit het advies blijkt dat dit met eiser werd besproken. Blijkens het rapport van 29 november 1999 is de strekking van het GGD-advies, inhoudende dat hij weer aan de arbeidsverplichtingen dient te voldoen, aan eiser duidelijk gemaakt.

Eiser stelt het besluit van 7 januari 2000 nimmer te hebben ontvangen en pas op 25 januari 2001 vernomen te hebben dat hij zich diende in te laten schrijven bij het arbeidsbureau.

Blijkens de gedingstukken staat onweersproken vast dat het besluit van 7 januari 2000 voorzien was van de juiste tenaamstelling en adressering. Aangezien het zoekraken van op normale wijze ter post bezorgde brieven op het traject tussen verzender en geadresseerde tot de hoge uitzonderingen behoort, is niet aannemelijk dat het besluit eiser niet heeft bereikt. De enkele stelling van eiser dat hij het besluit niet heeft ontvangen biedt in dit geval onvoldoende grond voor het oordeel dat sprake is van een niet ongeloofwaardige ontkenning. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, AB 2000/337.

Daarbij komt nog dat eiser naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs had dienen te begrijpen dat hij weer diende te gaan solliciteren en zich bij het arbeidsbureau te laten inschrijven. Immers de conclusie van het GGD-onderzoek, namelijk dat eiser arbeidsgeschikt is, was reeds zowel door de GGD-arts als door een ambtenaar van verweerder mondeling aan eiser medegedeeld en bij dit laatste gesprek is tevens aan eiser medegedeeld dat hij weer aan zijn arbeidsverplichtingen diende te voldoen. Uit de stukken blijkt voorts dat eisers eerdere vrijstelling van de sollicitatieplicht, neergelegd in een besluit van 10 december 1998, slechts gold totdat de uitslag van de GGD-keuring bekend zou zijn.

Vaststaat dat eiser in de hier van belang zijnde periode zich niet heeft doen laten inschrijven bij het arbeidsbureau en geen sollicitaties heeft verricht.

Het niet ingeschreven staan bij het arbeidsbureau terwijl de arbeidsverplichtingen opgelegd zijn betreft een gedraging van de eerste categorie als bedoeld in artikel 3 van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. Bij een gedraging van de eerste categorie wordt, conform artikel 5 van dat besluit, de weigering als bedoeld in artikel 14 van de Abw vastgesteld op 5% gedurende 1 maand.

Het niet voldoende solliciteren terwijl de arbeidsverplichtingen zijn opgelegd betreft een gedraging van de tweede categorie als bedoeld in het Maatregelenbesluit. Hierbij hoort een weigering van 10% gedurende 1 maand. De rechtbank stelt vast dat verweerder deze maatregelen conform het Maatregelenbesluit heeft opgelegd.

Op grond van het tweede lid van artikel 5 van het Maatregelenbesluit dient de periode van weigering verdubbeld te worden bij recidive van een maatregelwaardige gedraging binnen 12 maanden. Verweerder heeft bij besluit van 2 november 2001 aan eiser een maatregel van 20% over twee maanden opgelegd, wegens het binnen 12 maanden wederom geen sollicitaties te hebben verricht en vanwege een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.

Gezien het feit dat eiser, ook nadat hij meermaals nadrukkelijk op zijn sollicitatieplicht is gewezen, volhardt in zijn weigering om aan die plicht te voldoen, is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder opgelegde maatregel de rechterlijke toets kan doorstaan.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn namens eiser geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder deze maatregelen had dienen te matigen of had dienen af te zien van het opleggen daarvan. Het beroep dient derhalve voor ongegrond te worden gehouden.

Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING.

De rechtbank Maastricht:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. H.J.O. Martens in tegenwoordigheid van mr. R.H. Kessels als griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2003 door mr. Martens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. R. Kessels w.g. Martens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 21 januari 2003

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.